Beekman
Home sweet home
Februari 1909 won Aljechin een toernooi in Sint Petersburg. Hij was zestien jaar oud. Aan dat toernooi deden geen coryfeeën mee. Die speelden in het hoofdtoernooi één zaaltje verder op (Lasker en Rubinstein wonnen). Aljechin was winnaar van de B-groep, zou je kunnen zeggen, waarin alleen maar Russen meededen. Toch was dat toernooi heel belangrijk voor hem. Niet alleen omdat hij daar doorbrak en de Meestertitel verkreeg, maar ook omdat hij als eerste prijs een vaas ontving. Een vaas van Sèvres. Sèvres is een streek in West-Frankrijk die bekend stond om zijn beroemde vasen met Keizerlijke uitstraling. De vaas was uit zichzelf al prachtig, en de gedachte dat deze vaas uit een ver exotisch land kwam, maakte hem nog meer bijzonder. Maar er was nóg iets aan de hand met deze vaas. Hij was een geschenk. Een geschenk van de Tsaar van Rusland.

De Tsaar van Rusland! Tsaar Nicholas II! Dat is dezelfde man bij wie niet duidelijk was of aartsduivel Raspoetin de scepter zwaaide dan wel hijzelf, maar dat doet er nu even niet toe. Aljechin had iets met de adel. Zijn moeder was erfgename van een rijke industrieel; zijn vader was welgesteld landeigenaar, lid van de adel en zelfs lid van de Doema. Overigens had Tsaar Nicholas een slechte verstandhouding met de Doema (één van de aanleidingen tot de Russische revolutie) maar ook dat moeten we maar even naar het zijspoor rangeren. Voor de adellijk ingestelde Aljechin betekende dit geschenk van de Tsaar van Rusland heel veel. Hij had die vaas dan ook heel vaak bij zich en liet zich regelmatig ermee fotograferen.
Aljechin met zijn vaas van Sèvres, direct na afloop van het toernooi van Sint Petersburg in 1909. Hij is hier dus zestien jaar oud.
Het volgende sleutelmoment is Sint Petersburg, 1914. Dit keer doet hij wel mee aan het hoofdtoernooi, dat waanzinnig sterk bezet is. Sterker dan ooit. Aljechin wordt als 21-jarige derde, áchter Lasker en Capablanca, maar vóór coryfeeën als Tarrasch en Marshall. De eerste vijf spelers werden daar door de Tsaar bekroond met de titel "Grootmeester in het Schaken". Dat zijn waarschijnlijk de allereerste grootmeesters geweest. Trots nam Aljechin de benoeming in ontvangst van Tsaar Nicholas II.
De Tsaar van Rusland!
De deelnemers aan St. Petersburg, 1914. Staand, derde van links staat Aljechin. Alle deelnemers; eerst zittend, van links naar rechts: I. Gunsberg*, J.H. Blackburne*, E. Lasker*, S. Tarrasch*, A. Burn, R. Gebhardt, A.K. Rubinstein*, O.S. Bernstein*, J.R. Capablanca*, D. Janowski*. Staand, van links naar rechts: S.O. Weinstein. J.F. Marshall*, A.A. Aljechin*, N.J. Maximov, A. Nimzowitsch*, B.E. Baljutin, P.P. Sabouroff, E. Talwik, J.O. Sossnitsky, N.A. Znosko-Borovsky, W. Rubinov, D.D. Korolew, N.N. Lochwitsky, E.A. Znosko-Borovsky. Alleen de mensen achter wie een sterretje staat, deden mee aan het toernooi.
Maar toen kwam de Russische revolutie! Aljechin kwam terug uit de oorlog - waar hij gevangen genomen was, gewond geraakt was toen hij het Russische Rode Kruis diende en zelfs kortstondig ter dood veroordeeld was op verdenking van spionage - en ontdekte dat de communisten hem en zijn familie al hun bezittingen ontnomen hadden. Na een paar jaar doelloos rondzwerven ontvluchtte hij uiteindelijk Rusland. Alles was hij kwijt. Alleen die vaas had hij nog. Symbool van zijn gelukkige jeugd, metafoor voor een verleden dat hem ontnomen was.
Voor de rest van zijn leven is hij getekend. Getekend door wat hij toen meegemaakt heeft. Een aantal historici hebben zelfs zijn Nazi-sympathieën aan deze ervaring gekoppeld. Aljechin zou gehoopt hebben dat, zodra de Nazi's de Russen verslagen zouden hebben, dat hij het huis en de bezittingen van zijn familie weer terug zou krijgen.
Home sweet home. There is no place like it.
Uit hetzelfde toernooi van Sint Petersburg (1909) waar Aljechin zijn geliefde vaas van Sèvres won: Aljechin tegen Romanovsky.
Aljechins bluf
We kennen ze allemaal wel. De onbenullige schaker die meent dat hij ongelooflijk goed kan schaken. Als er één positief punt genoemd mag worden die voortvloeit uit de elorating, dan is het wel dat iedereen zich goed bewust is van zijn of haar plaats in de rangorde.
Dat was vroeger anders. En omdat de massamedia ook nog niet zo'n vogelvlucht had genomen, wist de menigte evenmin hoe de elite er uit zag. Prachtige anekdotes zijn eruit voortgekomen. Wat te zeggen van Aljechin, die zich liet overhalen om een schaakpotje in een café te spelen? Aljechin zei: "Oké, maar dan geef ik u wel een toren voor." Zijn tegenstander protesteerde: "Maar u weet helemaal niet hoe goed ik speel! U kent mij niet eens!" Waarop Aljechin antwoordde: "Precies!"
Alexander Aljechin.
Ja, dat waren nog eens mooie tijden. Als beroemd schaker incognito door het leven gaan. En de amateur moest er dan zwaar onder lijden. Nimzowitsch kreeg ooit van zijn zwaar zuchtende tegenstander de volgende opmerking te horen: "U speelt bijna net zo goed als Nimzowitsch!" Nimzowitsch bedankte zijn tegenstander beleefd. Een glimlach kon hij niet onderdrukken.
En Lasker kwam een keer op een boot een man tegen, die onverstoorbaar naar een stelling op het schaakbord tuurde. De man vroeg Lasker of hij misschien ook kon schaken. "Ach, een beetje …" zei de wereldkampioen. En hij werd uitgenodigd achter het bord plaats te nemen. De stukken werden in de beginstelling gezet waarop De Grote Amateur met breed zwaaiende armgebaren de aandacht op zichzelf vestigde. "Kijk", zo legde hij uit, "de eerlijkheid gebiedt mij u te zeggen dat ik een buitengewoon goed schaker ben. Eigenlijk heeft u geen schijn van kans tegen mij. Ik stel u daarom voor een dame voor te geven." Lasker, bescheiden als hij was, stemde er eerbiedwaardig knikkend mee in. En inderdaad: kansloos werd Lasker van het bord geveegd. En ook de tweede partij ging verloren. Maar toen merkte Lasker op dat hij, bij zijn observaties van dit edele spel, ontdekt had dat het gunstiger was om zónder dame te spelen. Want tsja, als de dame er niet is hebben de overige stukken meer bewegingsruimte en wordt de koning minder snel matgezet. Nu zijn tegenstander zo ruiterlijk erkend had dat hij de betere speler was, was het toch oneerlijk dat hij ook nog dat extra voordeel had.
De man keek hem verbijsterd aan. Omstandig legde hij uit dat hij benádeeld werd door de dame achterstand, maar Lasker bleef volhouden en stond erop óók te mogen profiteren van het 'voordeel' van dame achterstand. Uiteindelijk gaf zijn tegenstander schouderophalend toe. En hij verloor. Dit keer met dame voorsprong. En nog een keer. En nog een keer. De arme man wist niet meer hoe hij het had toen Lasker resumerend concludeerde dat het inderdaad gunstiger was om zonder dame te spelen.
Lasker aan het golfen in 1936.
Het mooiste voorbeeld van onbenullig amateurschap komt uit 1908. Friedrich Köhnlein speelde toen tegen koffiehuisschaker Burletzki. Nog nooit gehoord van Burletzki? Nou, dat klopt. Hij is alleen bekend van deze anekdote. Ook nog nooit gehoord van Köhnlein? Niet onmogelijk, maar Köhnlein was wel degelijk een schaker van niveau, die regelmatig meedeed aan internationale schaaktoernooien en in datzelfde jaar 1908 de Meestertitel verkreeg. Hij was een respectabel probleemcomponist en won het toernooi van Düsseldorf, vóór Aljechin, die overigens nog maar 15 jaar oud was.
Maar ook Burletzki was een man van status. Hij een onberispelijke adellijke uitstraling met hooghartige blik in zijn ogen en een onverwoestbaar ego. Hij was net overeengekomen om een match tegen Köhnlein te spelen. Inzet: veel geld voor degene die als eerste zes partijen wint.
Ondanks het tevoren uitgebreid geëtaleerde zelfvertrouwen, verloor Burletzki de eerste partij.
Burletzki: "Ik heb een domme fout gemaakt."
Ook de tweede partij won Köhnlein.
Burletzki: "Je kunt ook niet alles winnen."
Desalniettemin won Köhnlein voor de derde achtereenvolgende keer.
Burletzki: "Ik ben vandaag niet in vorm."
De vierde ging aldus ook verloren.
Burletzki: "Hij speelt niet slecht."
En Köhnlein won de vijfde net zo hard als de eerste vier.
Burletzki: "Ik heb hem onderschat."
En Köhnlein won de match over zes gewonnen partijen op de snelst mogelijk manier, namelijk in zes partijen.
Maar Burletzki had het laatste woord: "Ik denk, dat hij bijna net zo sterk is als ik."
Het toernooi van Dresden in 1892. Van Köhnlein heb ik geen foto kunnen vinden. Hij werd overigens slechts 37 jaar oud; want viel in de loopgravenoorlog in Frankrijk (1879-1916).
De nalatenschap van Grünfeld
Robert Beekman
Toen Ernst Grünfeld, rechts in beeld, in 1962 stierf op 65-jarige leeftijd, liet hij ons karrevrachten openingsideeën in dikke boeken vol aantekeningen na. Zijn gezin had zich lang geërgerd aan het in financieel opzicht perspectiefloze schaken, maar dacht: dit moet vast veel geld waard zijn! Laat hij ons misschien toch nog iets meer na dan drie dubbeltjes! Maar waar ze ook leurden met hun koopwaar, ze kregen er geen cent voor. Ze onderschatten het simpele feit dat, hoewel Grünfeld bekend stond als een openingsspecialist die ons meer dan 60 varianten nagelaten heeft, zijn hoogtijdagen 35 jaar achter hem lagen. Het schaken was inmiddels zoveel dynamischer geworden; niemand interesseerde zich nog voor ideeën van een matador van vergane glorie.
In de jaren twintig behoorde hij een aantal jaar tot de top tien van de wereld. Slechts één toptoernooi heeft hij gewonnen (Merano in 1924), dus wie kent Grünfeld nog als schaker? Niemand. Maar zijn naam kent iedereen. Die is immers verbonden aan het Grünfeld-indisch, één van de hypermoderne varianten die in de twintiger jaren geboren zijn, gebaseerd op het concept van Reti: het centrum hoeft niet per se bezet te worden, het is ook mogelijk om op afstand er invloed op uit te oefenen.
De eerste partij in het Grünfeld is gelijk de belangrijkste: in 1922 verslaat Ernst Grünfeld Alexander Aljechin ermee. Dàt was werkelijk een nieuw concept. Richard Réti speelde de Réti-opening (1.Pf3 d5 2.c4) pas in 1923. Nimzowitsch zou december 1922 pas het Nimzo-indisch spelen, Max Euwe was de eerste sterke speler die het Koningsindisch in 1923 op het bord zetten. Kortom: Grünfeld zet hier in 1922 een trend waarbij het hele schaken op z'n kop gezet werd. In 1923 zou Réti de grondslag van deze theorie onder woorden brengen in het beroemde boek "Modern Ideas in Chess", maar in 1922 keek Aljechin zijn ogen uit zijn kop toen hij de Grünfeld op het bord kreeg.
Hans Kmoch over deze bijzondere ontmoeting: "Aljechin heeft in het toernooi van Wenen, 1922, een nieuwe manier om op te geven ontdekt. Grünfeld speelde een verdediging die toen nieuw was. Aljechin probeerde het te weerleggen, maar dit mislukte. De partij werd afgebroken. Aljechin realiseerde zich dat hij verloren stond, maar was nog altijd nieuwsgierig om te weten of zijn tegenstander geen verkeerde zet afgegeven had. Dus toen de partij weer hervat werd na het diner, verscheen hij in de toernooizaal. Hij hield zijn jas en hoed aan en liep regelrecht naar de tafel. Toen hij zag dat Grünfeld de sterkste zet had afgegeven (54.Df3) pakte Aljechin zijn koning en gooide die door de zaal."
Een wereldberoemde gebeurtenis die opgenomen is in de annalen van de schaakgeschiedenis. Lang is hierover nagejoeld. Maar de schaker herkent dit wel: dat zijn tegenstander zo'n belachelijke opening op het bord zet en dan toch nog wint!! Verschrikkelijk.
Ernst Grünfeld tegen Alexander Aljechin. Een foto uit 1931. Na die ene verliespartij heeft Aljechin overigens telkens korte metten gemaakt van Grünfeld.
Aljechin en Philidor
Philidor wordt gezien als de eerste theoreticus. Het boek dat hij schreef in 1749, staat vol met schaaktechnische aanwijzingen en diepere grondslagen van het schaakspel.
Eén daarvan is het bekende: "de pion is de ziel van het schaakspel". Dát is nog eens een diepzinnige uitspraak! Gelijk een aangelegenheid om eens rustig achterover te hangen en vrij te filosoferen over wat hij bedoeld zou kunnen hebben. Ik heb zelf bedacht dat de pionnen de ziel zijn van het schaakspel omdat de pionnenstructuur kenmerkend is voor het type stelling en de strategie die gevolgd moet worden. Deze uitleg heb ik altijd heel logisch gevonden. Sterker nog, toen ik les gaf aan de jeugd, heb ik deze interpretatie altijd uitgedragen.
Maar nu ik op zoek ga naar de betekenis ervan, valt het me op dat ik geen enkele website kan vinden die een uitleg voor de uitspraak geeft. Wel ontdek ik dat deze zin de kern is van zijn betoog. Heel mooi. Maar hoe luidt dit betoog dan? Uiteindelijk, na enig zoekwerk, kom ik bij de oorspronkelijke zin. En deze blijkt tot mijn verrassing ánders te zijn: Les pions, comme facteur de domination du centre, sont l'âme des échecs.
De pion is dus de ziel van het schaken omdat ze een factor is bij het domineren van het centrum. Daar sta ik verbaasd bij te kijken. Philidor wijst hier op het belang van het centrum. En terwijl ik hier het artikel van Winter lees, zie ik ook dat Aljechin in 1934 al gereageerd heeft op Philidor. Volgens Aljechin heeft Philidor dus niet helemaal gelijk. Immers, zo meldt de wereldkampioen ons, de revolutie van Réti en Nimzowitsch in de twintiger jaren heeft ons geleerd dat het centrum wel degelijk belangrijk is, maar dat zij niet noodzakelijkerwijs bezet hoeft te worden. Het oefenen van invloed op het centrum, bijvoorbeeld door stukken op afstand, is net zo goed.
Toch jammer, ik vond mijn eigen interpretatie net zo leuk bedacht.
Francois Philidor
Double bind
Robert Beekman
Van de zomer kreeg ik de nieuwe Matten in huis. Een hommage aan Fischer. Toen hij overleed werd er op het Corus toernooi een minuut stilte in acht genomen. Op televisie verscheen Hans Böhm, die geëmotioneerd probeerde uit te leggen waarom Fischer zo bijzonder was. Witteman en Pauw konden maar moeilijk begrijpen wat hij bedoelde. Vele schakers over de wereld, waaronder Kasparov, eerden zijn schaakprestaties. Zo moeten we ons hem maar herinneren - als een groot schaker. En niet als de schaker die het schaken meer kwaad heeft gedaan dan wenselijk is. Hoe kan dat ook anders; wie durft er kwaad te spreken over de doden?
Het graf van Fischer op IJsland. Let op de tekst van het bord: rest in peace. Ongetwijfeld welgemeend.
Het meest wreed is het proces van psychologiseren. Geconfronteerd met de double bind gaat de schaker op zoek naar een verklaring. Garry Kasparov verwijst naar innerlijke conflicten. Jan Timman verwijst naar naïviteit (Fischer kon hem niet uitleggen waar al die zes miljoen joden gebleven waren). Hans Ree zegt dat Fischer het niet zo bedoeld heeft (hoe kan dat ook anders, hij was zelf half-joods, deelde Fischer hem in vertrouwen mede). In de weblogs op internet valt het op dat gezocht wordt naar terechte redenen waar Fischer een beroep op kan doen. Voorbeelden van onrecht dat hem aangedaan is.
Waarom wreed? Omdat dit het laatste is wat Fischer gewild zou hebben. Als er iets was waar hij naar verlangde dan was het wel serieus genomen worden. De wreedheid ten top vond ik op een website waar geschreven werd dat Fischer gek is. Gewoon gek. Letterlijk gek. De man had gewoon haldol voorgeschreven moeten worden en was alles weer goed gekomen. Hij kan dus ook niet verantwoordelijk gehouden worden voor wat hij gezegd heeft. Want is het niet zo dat gekken altijd de meest vreemde beweringen uitkramen?
Bobby Fischer.
De geschiedenis herhaalt zich. Want een halve eeuw geleden overleed Alexander Aljechin. Ook hij stond bekend om rabiaat racistische en antisemitische uitspraken. Ook over hem zijn de meest zoetsappige verklaringen en goedmakertjes geschreven, vergelijkbaar met Fischer. Sommigen verwijzen naar zijn jeugd, anderen menen dat hij het niet zo bedoeld had. Want ook Aljechin had een dubbele relatie tot het jodendom. Zijn vierde vrouw was joods en hij had een goede relatie met vele joodse schakers.
Hans Ree schreef over Aljechin het volgende: Zat het antisemitisme diep? Het was vrij gewoon voor de oorlog om hatelijk over andere volksgroepen te spreken, veel mensen deden het zonder er veel bij te denken. Nimzowitsch hield niet van Russen. Dat zou je tenminste kunnen afleiden uit de volgende woordenwisseling, die in de schaakliteratuur is overgeleverd. Nimzowitsch: "Wie Slavisch zegt, zegt slaaf." Aljechin: "En wie jood zegt, hoeft daar verder niets aan toe te voegen." Heel slecht van Aljechin. Maar je zou kunnen zeggen dat Nimzowitsch begonnen was. En dat schakers elkaar nu eenmaal graag beledigen. Aljechin had in 1935 Nimzowitsch als secondant gewild, als we Landau mogen geloven. Zo diep zat zijn antisemitisme dus nu ook weer niet.
Na de Tweede Wereldoorlog waren er geluiden binnen de FIDE dat Aljechin de wereldtitel afgenomen zou moeten worden. Maar toen hij stierf, was het toch de FIDE zelf die zijn graf op de beroemde begraafplaats Pere Lachaise betaalde. Een mooier voorbeeld van double bind is er niet.
Het graf van Aljechin in Parijs.
Aljechin
Ik krijg bijna nooit een reactie op de artikelen die ik schrijf, maar dit keer kreeg ik er wel eentje. Het betrof Aljechin. Was het wel zo duidelijk dat hij een nazi was? Was het niet zo dat hij het schrijven van die bewuste artikelen ontkend had? Dat klopt. In 1946. En het klopt ook dat er een groep historici is die Aljechins pleidooi van 1946 omarmd heeft: Aljechin moest die artikelen wel schrijven (of had iets heel anders geschreven) omdat hij zo aan de nazi's kon ontkomen. Zijn vrouw was immers joods.
Aljechin in het gezelschap van een aantal schakers en vooraanstaande nazi's. Het onderschrift bij deze foto luidt: Op de onderste rij zitten Zander, de vrouw van Dr Aljechin, Reichsminister Dr Frank, Dr Aljechin, Richter. Staand: Schlage, Post, Miehe, Helling, Sämisch, Oberstaatsanwalt Dr Bühler, Landgerichtsrat Dorn. 1936.
Sämisch? Nee, dat moet een andere Sämisch zijn dan de schaker, want hij lijkt niet op de man die ik ken.
But what's in a picture? Het onderschrift bij deze foto luidt: 'Welmeister Euwe in Berlin'. We zien hier: Post, Zander, Frank, Euwe, Miehe and Bogoljubow. 1937.
Euwe laat zich hier dus fotograferen met Frank, één van de vooraanstaande nazi's. En dat was hem bekend. Zonder meer. Hoewel Euwe zelf boven alle twijfel verheven is, is hij één van de mensen die een genuanceerde verklaring heeft gegeven voor het gedrag van Aljechin. Aljechin zou uit opportunisme nazi zijn, in de hoop dat de Duitsers de Russen zouden verslaan waardoor hij het Russische landgoed van zijn ouders weer terug zou kunnen krijgen. Euwe was het ook die een brief schreef naar Aljechin toen de schaker en jood Landau en zijn familie opgepakt waren door de nazi's. Hij deed een beroep op Aljechin om Landau te redden. Maar of Aljechin de brief nooit ontvangen heeft dan wel er niets mee gedaan heeft weten we niet.
Uit 1934 is een opvallende uitspraak van Aljechin bekend: "Schaken is een kwestie van ijdelheid." Zouden we hem gewoon niet verkeerd begrepen hebben?
Ook Tartakower was één van de vooraanstaande schakers die het voor Aljechin opnam. "We hebben allemaal geweten van zijn antisemitische denkbeelden en hebben er nooit wat van gezegd. En dan zouden we ná de Tweede Wereldoorlog ineens het hoogste woord moeten hebben? " En voorbeelden waren er ten overvloede. In 1932 won Aljechin van Lasker en riep hij na afloop uit: "Ich habe es den Juden wieder gezeigt!!"
Tartakowers woorden kunnen ook tégen hemzelf gebruikt worden. Waarom hielden zo veel mensen hun mond? Vóór de Tweede Wereldoorlog en erna? Dit was de kreet die na de Tweede Wereldoorlog nog het meest hard door Europa schalde. Het weerwoord dat gegeven werd verstomde al snel in de storm van verontwaardiging die volgde. En dat weerwoord luidde: achteraf is kritiek hebben altijd makkelijker dan heldhaftig zijn tijdens en vlak voor de Tweede Wereldoorlog zelf.
Terugkerend op de vraag die aan het begin gesteld werd: al het historische materiaal overziend is het bewijs redelijk overweldigend om Aljechin definitief in het 'verkeerde' hoekje weg te schuiven. Maar hij was onmiskenbaar net zo onberekenbaar en vertoornd als Fischer. En net zo innerlijk verscheurd. Of hij zijn leven nu beëindigd heeft met zelfmoord is niet helemaal duidelijk, maar dat hij in 1922 al eerder een zelfmoordpoging had gedaan wordt niet betwist. En dan was hij ook nog een onvoorstelbare alcoholist, zoals in het WK van 1934 tegen Bogoljubow. Er zijn verhalen bekend dat hij in een schaaktoernooi gewoon op de vloer ging urineren.
Ja, ja, daar worden we niet vrolijk van.
Alexander Aljechin.
De verklaring van Euwe had ermee te maken dat de familie van Aljechin al hun bezittingen kwijtgeraakt was ten tijde van de Russische revolutie. Het artikel hieronder gaat erover.
Tartakower en Aljechin

Wordt de betere speler met het onmogelijke geconfronteerd, dan kan het onmogelijk alsnog omgekeerd worden. Aljechin verliet zich ooit op een riskante opening, waarop zijn tegenstander het vuur aan zijn schenen legde. Verloren stond hij. En met veel geluk wist hij nog het afbreken te bereiken. In die pauze liet zijn gelukkige tegenstander die afgebroken stelling aan Tartakower (rechts in beeld) zien. Trots als hij was op het bereikte resultaat, vroeg hij Tartakower naar diens mening: "En, wat denkt u? Wie gaat er winnen?" Tartakower antwoordde hem: "Aljechin!" Waarop de ander helemaal ontzet raakte. "Hoezo? Ik sta toch hartstikke goed!?" Ja, dat klopt, was het wederwoord van Tartakower. "Maar u vroeg mij wie er gaat winnen, niet wie er beter staat!" En inderdaad, Aljechin won.
Voor diezelfde Aljechin zou Tartakower het later opnemen. Aljechin stond al bekend om zijn anti-joodse houding, maar had in 1941 ook nog een paar antisemitistische artikelen gepubliceerd. Arisch en Joods Schaak, was één van de titels. De holocaust was op dat moment onbekend, edoch niet onvoorspelbaar, gelet op de nazistische retoriek. Hoewel er later nog diepgaand onderzoek naar verricht werd en de authenticiteit van deze artikelen nooit bewezen is, waren er na de tweede wereldoorlog al snel stemmen binnen de schaakwereld en de FIDE om hem zijn titels te ontnemen en zijn persoon van toernooien te weren.
Echter, de discussie hierover heeft nooit tot daden beleid. Aljechin overleed in duistere omstandigheden op 24 maart 1946 in een Portugese hotelkamer. Hij was inmiddels naar het fascistische Spanje gevlucht, waar hem een warm welkom geheten werd. Hij zou begraven worden in Montparnasse te Parijs, waar, vive la compassion, zijn begravenis door diezelfde FIDE betaald werd.
De ouders van Tartakower - zelf een jood - werden tijdens een antisemitische pogrom vermoord. Dat was in 1911. Toch nam hij het voor Aljechin op. "We wisten voor de oorlog allemaal dat Aljechin antisemiet was en we zeiden er niets van, waarom nu dan opeens wel?"
Alexander Aljechin.
Aljechin en Najdorf
"Was Aljechin een Nazi?" Zo begint een artikel van de schaakhistoricus Edward Winter. Een antwoord op deze vraag geeft hij niet. Antwoord kán hij niet geven. Het is een probleem dat velen met hem delen. Het antwoord op de vraag "Had Aljechin antisemitische gedachten?" is een stuk makkelijker te geven. Zo schrijft Euwe in Caïssa dat Aljechin in 1932 na een overwinning op Lasker luidkeels uitgeroepen zou hebben: "Ich habe es dem Juden wieder gezeigt!!" Klinkt niet echt fijn, moet ik zeggen.
Volgens Hans Ree neemt Tartakower het vlak na de Tweede Wereldoorlog voor Aljechin op. De hele schaakelite veroordeelt Aljechin en de FIDE overweegt hem zijn wereldtitel te ontnemen, maar Tartakower zegt: "Iedereen wist voor de oorlog dat Aljechin antisemitisch was - waarom gaan we daar nu ineens een punt van maken?" Tartakower heeft hier een probleem met de vooroorlogse hypocrisie. Geen schaker sprak immers Aljechin aan op zijn woorden. Maar antisemitisch was hij dus hoogstwaarschijnlijk wel. Ook volgens Tartakower.
Het gaat nu om de vraag hoe een aantal artikelen ten tijde van de Tweede Wereldoorlog gelezen moeten worden. In die artikelen schrijft Aljechin allereerst dat zijn overwinning op Euwe in 1937 "een overwinning op het Joodse complot" was. Verder schrijft hij dat Joods schaak laf en defensief is, waar Arisch schaak juist gedurfd en aanvallend is. Hoe moeten we dat nu plaatsen tegen het licht dat hij onder andere goede relaties had met veel joden, dat hij Joodse schakers als secondant nam en dat zijn vrouw ook joods was? Hoe moeten we dit nu plaatsen in het licht dat Aljechin op de Olympiade van 1939 in Argentinië als Franse teamcaptain weigerde om tegen Duitsland te spelen nadat Duitsland Polen was binnengevallen? En waarom keerde Aljechin in 1939 terug naar Frankrijk om dienst te nemen in het Franse leger als vertaler?
Het schijnt dat pas in januari 2017 (vanwege de Franse wetgeving op copyright) de originele artikelen van Aljechin vrijgegeven worden die gevonden zijn bij de vrouw van Aljechin toen zij overleed. Aljechin zelf heeft zijn gewraakte uitspraken namelijk altijd ontkend, maar zelfs al zou in 2017 blijken dat hij de teksten wél geschreven heeft, dan nóg kan teruggevallen worden op:
- de uitleg van Kasparov dat Aljechin dit deed om zijn Joodse vrouw en haar Franse bezittingen te beschermen;
- de uitleg van Euwe dat Aljechin zelfs in zijn opportunisme hoopte zijn Russische familiebezittingen terug te krijgen;
- de bewering van Winter dat er in die artikelen zoveel aperte fouten staan, dat Aljechin waarschijnlijk op die manier wilde laten zien dat hij eigenlijk iets anders van mening was.
Tot zover de lotgevallen van Aljechin. Hoe anders waren die van Miguel Najdorf. Als Poolse jood kon hij niet terugkeren vanuit dezelfde Olympiade te Argentinië. Vlak na de Tweede Wereldoorlog gaf hij een blindsimultaan op 45 borden. Een wereldrecord, waarmee hij zijn doel bereikte: de wereldpers halen en zijn familie laten weten dat hij nog leefde. Hij hoopte op een reactie. Maar niemand reageerde. Allemaal, zussen, broers, ouders, neven, nichten, oudooms, tantes, ruim zestig familieleden in totaal, allemaal waren ze uitgeroeid in de concentratiekampen.
Ziehier de setting van het verhaal dat Najdorf later aan Seirawan vertelde. In 1929 zou Aljechin een simultaan geven in een Poolse stad. De Poolse schaakclub besloot Aljechin eens goed te plagen. Eerst zeiden ze dat slechts de helft van de schakers wilde meedoen. Of Aljechin voor de helft van het geld de simultaan wilde geven? Nee, dat kon niet; het tarief was immers al afgesproken. Toen stelden de Polen voor om 10 borden gewoon simultaan en 10 borden blindsimultaan te spelen. Daar ging Aljechin mee akkoord.
Vervolgens verzamelden de Polen voor de gewone simultaan de tien allergrootste patzers van het dorp. U kent ze wel, van die schakers die have en goed weggeven en met een dame en toren achterstand nog steeds doorspelen - tot ze mat staan. Voor de blindsimultaan nodigden ze de allersterkste schakers van hun contreien uit. Waaronder Najdorf. Het ging precies zoals de Polen verwachtten. Achteloos en verbaasd liep Aljechin de open simultaan langs, om vervolgens zichtbaar en hoorbaar vreselijk te zwoegen bij de blindsimultaan. Wat IS dit voor een schaakclub?!?, moet Aljechin gedacht hebben.
Aljechin laat zich op deze foto fêteren met Duitse nazi's. Ironisch genoeg zien we links Aljechins joodse vrouw zitten. Foto uit 1936. In het midden zit Reichsminister Frank, een prominente nazi.
Op deze foto uit 1937 staat dezelfde Frank in het midden naast Euwe. Zoveel zegt een foto dus niet.
Tien jaar later verklapte Najdorf aan Aljechin wat er gebeurd was. Najdorf zelf had gewonnen. Het was een open Siciliaan met tegenovergesteld rocheren. Najdorf deed het kwaliteitsoffer Tc8xc3, wat Aljechin negeerde door verder te gaan met zijn eigen aanval. Daarop volgde het offer Tc3xa3. Dat had Aljechin gemist. Najdorfs aanval kwam eerder en hij won dus.
De eerste reactie van Aljechin tien jaar later: "Ben jij degene die Txa3 speelde?" Najdorf was volkomen verbluft. Dat Aljechin dit na tien jaar gelijk goed gokte!
Larsen en andere grootmeesters hebben later gezegd dat dit verhaal niet kan kloppen, omdat het kwaliteitsoffer pas na de Tweede Wereldoorlog op het bord kwam. In de setting van tegenovergesteld rocheren kan dit kloppen. Volgens mij werd pas in 1934 door de witspelers van het open Siciliaans lang gerocheerd - door niemand minder dan Rauzer. Maar Aljechin heeft zelf in 1914 zo'n kwaliteitsoffer al geplaatst - zie de partij hieronder. Onmogelijk is het dus niet.
Aljechin tegen Richter, een foto uit 1941 van een schaakpartij op bezet Duits grondgebied.
Hans Frank
Naar aanleiding van het artikel van vorige week stuurde Pascal Boittin mij een partij toe. Of ik die partij kende? Nee, die kende ik niet.
Aljechin speelt hier samen met Hans Frank tegen Bogoljubow en iemand die ik verder niet ken. Pascal schrijft me: "Hoe kan zo leuke schaakpartij gespeeld zijn in geannexeerd Polen en dat midden in de oorlog... Wat vreemd."
Ik liet vorige week nog twee foto's zien.
Hans Frank in het midden. Rechts van hem Aljechin. 1936.
Hans Frank in het midden. Rechts van hem Euwe. 1937.
In de Tweede Wereldoorlog organiseert Hans Frank elk jaar een groot toernooi, waaraan Aljechin meerdere malen en Bogoljubow elk jaar deelgenomen heeft. Kennelijk is die Hans Frank een schakende nazi. So what?, hoor ik u denken. Inderdaad is de naam Hans Frank minder bekend dan Goebbels, Göring of Himmler. Evengoed is hij één van de grootste oorlogsmisdadigers van de Tweede Wereldoorlog.
Hans Frank behoort tot de groep vaste vertrouwelingen van Hitler en hielp hem dan ook aan de macht bij de putsch van 1933. Maar dat is niet het belangrijkste. In 1939 werd hij na de verovering van Polen de Duitse gouverneur-generaal van Polen. Onder zijn leiding zijn een veelvoud aan concentratiekampen gebouwd. Van deze concentratiekampen waren de meeste 'werkkampen' en zeven zogenaamde vernietigingskampen, waar mensen systematisch vergast en vermoord werden. Zes van deze vernietigingskampen waren in Polen. Hans Frank heeft er zorg voor gedragen dat het hoogste percentage van een land uitgemoord is. 5 miljoen Polen zijn vermoord, bijna een vijfde van de totale Poolse bevolking. Onder deze 5 miljoen waren 3 miljoen joden, zo ongeveer 98 procent van de joden in Polen. Onder hen de voltallige familie van Miguel Najdorf.
Vergelijk dit met Rusland, het land waar 23 miljoen doden vielen, bijna een zesde van de totale bevolking, maar daar zaten ook 11 miljoen soldaten bij. De Polen zijn nagenoeg allemaal niet door oorlogsschermutselingen overleden, maar door genocide. Genocide onder leiding van Hans Frank. Zijn bijnaam was dan ook de "Butcher of Poland" en na afloop van de oorlog is hij veroordeeld voor oorlogsmisdaden in het Nueremberg Tribunaal. Hij kreeg de doodstraf en is opgehangen.
Zoals ik al zei: hij wordt gerekend tot één van de grootste oorlogsmisdadigers van de Tweede Wereldoorlog.
Dit gezegd hebbende, is het nu tijd voor een aantal pijnlijke vragen. Zoals: wat wist Euwe van Hans Frank toen hij in 1937 zoete broodjes met hem bakte op de foto? In 1938 was Kristallnacht, maar op dat moment hadden al 150.000 joden Duitsland verlaten op de vlucht voor het antisemitisme. Iedereen hield z'n hart vast, maar slechts weinigen spraken openlijk hun afkeur uit.
Wat wist Aljechin van Hans Frank toen hij in oktober 1941 bovenstaande partij speelde en in 1941 en 1942 meedeed aan een toernooi van Hans Frank? Waarschijnlijk al iets meer dan Euwe in 1937. Het bevel tot de Endlösung wordt door Hitler gegeven in september 1941, maar Frank is er al eerder mee begonnen. Het allereerste concentratiekamp (Dachau) is overigens al in 1933 gebouwd en in gebruik genomen.
Veel Amerikaanse soldaten wisten pas waarvoor ze vochten in Europa toen ze in 1945 een hele serie concentratiekampen bevrijdden. Toen de foto's daarvan de hele wereld overgingen, was het afgrijzen en afschuw unaniem. Natuurlijk, Hitler sprak er voor de oorlog uitgebreid over. Maar de man gebruikte zoveel wazig symbooltaal dat ook niet altijd duidelijk was wat hij bedoelde. Het was moeilijk te geloven dat hij zo letterlijk de daad bij het woord zou voegen. Hoeveel geruchten er ook waren, zelfs de joden in de treinen konden er moeilijk in geloven.
Wat zou u gedaan hebben in de Tweede Wereldoorlog? Was u het verzet ingegaan? Had u standgehouden als u opgepakt en gemarteld werd? Had u een grote mond gehad als uw vriend naast u doodgeschoten werd? Hele moeilijke vragen. Na afloop van de oorlog bleek iedereen heel makkelijk een scherp oordeel te kunnen hebben. Waar waren die personen vóór en tijdens de oorlog zelf? De groep zwijgers was de grootste. Maar dat is nog iets anders dan collaboreren. Dat Hans Frank goede sier maakt door deel te nemen aan zijn schaakpartijen, moet Aljechin wel degelijk geweten hebben. Morele medeschuldigheid heet zoiets.
Tot slot een foto van Max Levenbach. Een enthousiast clubschaker. Van 1915 tot 1927 voorzitter van VAS. Daarna voorzitter van het Euwe-comité dat uiteindelijk de match Euwe - Aljechin in 1935 organiseerde. Ook jood. Hij is vergast in Auswitsch op 21 januari 1943.
Schaken en Nazi-propaganda
Ik heb al vaker geschreven over schaken en Nazi-Duitsland, dus dit artikel kan er ook wel bij.
De Nazi's gebruikten schaken als propaganda en bewijs van hun intellectuele superioriteit. Regelmatig werden in Nazi-Duitsland schaaktoernooien georganiseerd, onder andere door Hans Frank, de bekende Nazi die de heerschappij had over Polen en daar 40 procent van de Polen uitmoordde, oftewel 5 miljoen, waarvan 3 miljoen joden.
Een paar jaar geleden duikelde ineens een schaakspel uit de vergetelheid tevoorschijn. Zie foto hierboven. Het stond (en staat?) bij het Max Euwe Centrum. Lien Heyting, vrouw van Hans Ree, zocht een en ander nader uit en schreef er een artikel over in het NRC. Het zou wellicht uit de achtergebleven inventaris van Anton Mussert komen. Die zou het van Himmler gekregen hebben in 1941, om Mussert te overtuigen op te gaan in de Duitse SS.
Het meest bijzondere van dit spel is de stukken die ze voorstellen. De witte stukken zijn groter dan de bruine stukken en stellen het Duitse leger voor. De witte toren is afweergeschut, het paard is een ordonnans op een motor, de loper een duikbommenwerper, de dame is een bom en de koning is een vliegtuigbom van 500 pond. De pionnen zijn soldaten, die klaar lijken om in de aanval te gaan. De bruine toren lijkt op een Houwitzer, het bruine paard is een verkenner te paard. De loper is een Hurricane, de dame wederom een bom en de koning een tank. Ook de bruine pionnen zijn soldaten, van wie er twee met een verrekijker naar de vijand kijken en zes de vijand opwachten met een geweer.
Het meest opvallende van dit spel is dat de koning onderdeel is van het oorlogsgeweld - geen strateeg die achter de linies beschermd moet worden.
Hierboven twee afbeeldingen van Tak-Tik, een in Nazi-Duitsland ontworpen spel dat lijkt op schaken. Het had een bord van 11 bij 11 vakjes, een rivier en twee diagonalen die een snelweg vormden. Dit spel kwam in 1938 op de Duitse markt en was bedoeld om de kinderen de strategie achter de oorlog eigen te maken. Wit en zwart hebben allebei 18 stukken, waaronder jachtvliegtuigen, bommenwerpers, artillerie, tanks en infanteristen. Het spel heette Wehrschach en op de onderste foto van hierboven is rechts een tijdschrift over dit spel zichtbaar. Remise kende dit spel overigens niet. Het was erop of eronder.
Schaken als Nazi-propaganda. Het moge duidelijk zijn dat de allergrootste megalomanen steevast schakers zijn. Napoleon was dat, Stalin en Lenin evenzeer, en ook Hitler mogen we aan dit rijtje toevoegen. Of niet? Dat Hans Frank een fervent schaker was, wisten we al. Mussert schaakte kennelijk ook en dat Himmler schaakte, zou uit zijn memoirs blijken, waarin staat dat hij in 1915 met een zekere Falk schaakte en verloor. Schaakte Hitler nu wel of niet? Het is heel lastig hierover iets te vinden en ook de grote historicus Winter waagt zich niet aan deze vraag.
Minimaal moet Hitler toestemming gegeven hebben voor al die schaaktoernooien en andere schaakactiviteiten. Dat schaken als bewijs werd gezien van Duitse superioriteit, is anno 1940 niet vreemd. Pas na de Tweede Wereldoorlog domineerden de Russen het schaakspel. Vóór 1940 en ná 1850 domineerden de Duitsers. Adolf Anderssen, Wilhelm Steinitz, Siegbert Tarrasch, Efim Bogoljubow, Emanuel Lasker waren wereldkampioenen of streden om het wereldkampioenschap, naast nog vele andere sterke Duitse schakers. Alexander Aljechin was daarbij nagenoeg een aangenomen zoon van Nazi-Duitsland en Max Euwe was een Nederlander, dus volgens de Duitsers eigenlijk een Duitser.
Tim Krabbé schreef dat Cor Jansen hem een citaat stuurde uit een onbekend boek van Herbert Grasemann (Schach ohne Partner für Könner, 1982):
"When [Hitler] had not yet decided to devote himself to politics, and, as a twenty-year old without any plans for the future, was a drifter in Vienna, he frequented the chess cafes of that city, sitting there for entire nights. The game fascinated him so much that he feared it could, as it had so many others, totally absorb him, and take over his life. Therefore, he decided to break with it overnight."
In de voetnoot staat dat Hitler dit verteld heeft aan zijn vertrouweling Hans Frank, die we inmiddels al kennen, en dat Hans Frank het heeft verteld aan de Duitse schaakliefhebber Ado Kraemer en dat die het weer verteld heeft aan Grasemann. Het mocht volgens Hans Frank nooit bekend worden, omdat Hitler dacht dat het beeld van een schaakfanaat niet paste in het beeld van wereldheerser.
In 2009 werd zomaar ineens een tekening ter veiling aangeboden. Lenin schaakt daarop tegen Hitler. Hierboven een foto met onderschrift ter toelichting. Toegevoegd aan deze veiling was het schaakspel waarmee ze speelden en een document van 300 pagina's dat de historische correctheid van deze tekening zou bewijzen. Emma Lowenstramm, een joodse schilderes, zou echt bestaan hebben en volgens het citaat van Krabbé zou Hitler inderdaad in Wenen rondgezworven en zelfs fanatiek geschaakt hebben. Hitler was in die tijd schilder en Emma Lowenstramm zijn lerares.
Is de man links de jonge Hitler van 20 jaar oud? Misschien, er zijn geen foto's van Hitler op twintigjarige leeftijd bekend. Is de man rechts Lenin? Nou, die vraag moet hoogstwaarschijnlijk ontkennend beantwoord worden. Hij lijkt er niet echt op en Lenin was in het jaar 1909 40 jaar oud en vanaf 1894 al kaal. Volgens de verkoper zou Lenin hier een pruik als vermomming op hebben. Niet echt overtuigend, want Lenin had ook al dik en breed een sik. Die zou hij voor dit schilderij snel afgeschoren moeten hebben om vervolgens weer te laten groeien. Historici die Lenin helemaal nageplozen hebben, beweren bovendien dat Lenin in 1909 niet in Wenen was. Wel het jaar ervoor en ook het jaar erna.
Het zou wel een andere socialist kunnen zijn - voor de goedgelovigen onder ons.
Rechts speelt Lenin tegen Bogdanov in 1908. De man op het schilderij boven ziet er jonger uit en heeft voller haar.