Beekman
Meerdere artikelen over Fischer
Hieronder artikelen die eerder in de Partij van de Week verschenen zijn en die over Bobby Fischer gaan.
Een fout komt nooit alleen
Robert Beekman
Het algemene overheersende gevoel is vaak: één foutje en het is afgelopen. Resteert mij te hopen dat de tegenstander onnauwkeurig speelt. Misschien is dat in sommige gevallen ook wel zo. Maar lees wat Euwe hierover te melden heeft:
"Vroeger, als iemand de eerste fase van de partij verloren heeft, deed men nog meer zwakke zetten en ging men roemloos ten onder. Dat is niet langer het geval. Over het algemeen is één fout onvoldoende om een partij te verliezen. Er zijn twee fouten nodig om het pleit te beslechten. Daarom verliezen sterke spelers zelden hun partij. Uiteraard vergissen ook zij zich van tijd tot tijd, maar zij beperken hun fout tot één per partij. Men weet dat men niet hoeft te wanhopen na de eerste fout - mits de fout natuurlijk niet te ernstig is. Hij kan nog steeds vechten en zijn tegenstander moet de zaken zo gecompliceerd maken dat er een tweede fout gemaakt wordt. Schaken is twee keer zo moeilijk geworden; om één punt te scoren moet je twee keer winnen.
Een citaat anno 1966. En een leerzame les. Door de teleurstelling gaat de schaker bij de pakken neerzitten en volgt al snel de tweede fout.

Links Fischer - Tal, 1961. Al zes keer eerder hebben ze tegen elkaar gespeeld. Naast twee remises won Tal er vier. Niet dat Fischer geen kansen had; Tal was nét iets slagvaardiger. Het spreekt voor zich dat een speler als Fischer hierdoor dubbel zo gemotiveerd is om te winnen.
Dan volgt een vingerfout van Tal. Hij was 6... a6 7.Lg2 Pf6 van plan, had dat ook opgeschreven, maar speelde 6... Pf6. "Eén keer per jaar overkomt het me dat ik de eerste zet van een variant opschrijf en de tweede zet speel." Tal loopt rond door de zaal en ziet dan op het demonstratiebord dat Fischer 7.Pdb5 gespeeld heeft. Maar dat kan toch helemaal niet? Waarom offert Fischer een paard? Hij gaat terug naar zijn bord en ontdekt tot zijn afgrijzen dat hij geen 6... a6 gespeeld heeft, maar 6... Pf6. Terneergeslagen neemt hij achter het bord plaats.

Er volgt 6... Pf6 7.Pdb5 Db8 8.Lf4 en de linkerdiagram ontstaat. Probably the losing move! zegt Fischer over 6... Pf6. Vanuit dezelfde veronderstelling dat één onnauwkeurigheidje de partij zou moeten kosten. Maar dat is niet zo. Zwart kan hier nog 8... e5 spelen, terwijl Tal 8... Pe5 speelt. Nu wordt het inderdaad een stuk moeilijker. De partij gaat verder met 8... Pe5 9.Le2. Fischer: "Perhaps Tal underestimated this simple move. It prepares Qd4 and keeps an eye on the b5-square."

Maar pas in deze stelling doet Tal de beslissende fout: 9... Lc5. Nog altijd was 9... Pg8 mogelijk, leidend tot een licht beter eindspel voor wit - maar win dat nog maar eens. Er zijn voldoende grootmeesters een licht beter eindspel ingegaan dat niet gewonnen werd.
Drie fouten maakt Tal. Direct achter elkaar. Uit het veld geslagen door de eerste fata morgana. En pas de derde fout was doorslaggevend. Ik geef toe dat zwart wel gelijk héél nauwkeurig moet spelen. Maar het ging mij om het paradigma van Euwe: de schaker hoeft na één fout nog niet te wanhopen.
"Finally he has not escaped me!" riep Fischer achteraf uit, verwijzend naar de gewonnen posities die hij al eerder bereikt had, wat niet af te lezen was aan de onderlinge -4 = 2 + 0 score. "It is difficult to play against Einstein's theory" verzuchtte Tal en ik vraag me af of hij niet de Wet van Murphy bedoelde. Evengoed won Tal het toernooi van Bled afgetekend door naast deze enige nederlaag elf overwinningen te boeken. Met slechts zeven remises erbij is dat een monsterscore. Hieronder de partij; wordt tevens duidelijk wat Tal wél had moeten spelen. Naast het feit dat Fischer even later met een prachtig dameoffer komt.
Fischer tegen Tal, 1961.
Lachen met Fischer en Tal
Zo vlak voor het slapen gaan heb ik de laatste week mezelf geamuseerd met een biografie over Fischer. Eén illusie ben ik in elk geval armer geworden. Ik meende namelijk dat bij Fischer pas de stoppen waren doorgeslagen op latere leeftijd. Zijn idiote geraas over de Joden, Amerikanen en alles dat in zijn ogen verdorven is, is inderdaad pas op latere leeftijd naar boven komen drijven. Echter, misschien is zijn taalgebruik wat extremer geworden, in essentie is hetzelfde patroon door zijn hele leven zichtbaar.
En dat is het patroon van iemand die onverkort zichzelf op de bovenste ladder plaatst en onvoorstelbaar slecht zich kan verplaatsen in gevoelens van een ander of rekening kan houden met een ander. Als hij tot uitspraken komt als "In schaken gaat het erom de persoonlijkheid van een ander te breken, te vermalen en in mootjes te hakken, net alsof je de mensheid van een stinkende pestbuil bevrijdt", is het nog de vraag of hij beseft wat hij zegt. Het is de keerzijde van een andere uitspraak: "In schaken heb je zelfvertrouwen nodig. Véél zelfvertrouwen. Maar het moet wel op feiten gebaseerd zijn." Wás het dan op feiten gebaseerd? Voorafgaand aan de match tegen Spassky beweerde hij dat er helemaal niets van zijn tegenstander zou overblijven, terwijl er slechts vijf partijen waren gespeeld tussen hen, waarvan Spassky er drie gewonnen had, en twee in remise geëindigd waren. Toch hóéfde de match niet gespeeld te worden, volgens Fischer. Het was toch hartstikke duidelijk wie er veel sterker was?
Ja, bij hem wás het ook op feiten gebaseerd, concluderen we dan achteraf. Echter, stel nu dat dit niet het geval was geweest? Dan hadden we zijn uitspraken niet gezien als toonbeeld van groot zelfinzicht, maar als getuigenis van een absurd arrogant kwalletje. Of als grapje. Een paar anekdotes een rijtje gezet:
Fischer loopt met een bedenkelijk gezicht door de speelzaal. Lombardy vraagt hem: "Wat is er aan de hand?" "Ik sta slecht", antwoordt Fischer. Lombardy: "Bied dan remise aan." Fischer: "Zo slecht sta ik nu ook weer niet!"
Op de Schaakolympiade te Varna, 1962, kijkt Fischer naar het bord, en zegt met stellige stem tegen zijn tegenstander (Uhlmann): "Remise!" Uhlmann kijkt hem verbaasd aan, en sputtert tegen: "Ja, maar ... dan moeten we dan toch overeenkomen, of dan moet er toch drie maal zetherhaling geweest zijn?" Fischer: "Jij neemt die remise aan, precies zoals ik dat zeg! En anders spelen we door en ga ik je alsnog pletten!" Uhlmann haalde vervolgens laconiek zijn schouders op en nam het 'remise-aanbod' maar aan.
Op diezelfde Olympiade vraagt iemand om zijn handtekening. Beestachtig groot schrijft hij zijn naam over het hele kladblok. Als de vrouw vraagt waar andere grootmeesters nu hun handtekening moeten plaatsen, antwoordt Fischer: "Die anderen zijn onzin!"
Fischer, reflecterend op de waarheid van de werkelijkheid, herhaalt het paradigma van Bogoljubow: "Als ik wit heb, win ik omdat ik wit heb. Als ik zwart heb, win ik omdat ik Fischer ben."
Een collega grootmeester vroeg Fischer, toen hij met 6-0 van Taimanov gewonnen had: "Wat vond je van Taimanovs spel?" Fischer antwoordde: "Ik geloof dat hij heel goed piano speelt!" (Verwijzend naar de andere carrière van Taimanov: die van wereldberoemd concertpianist.)
Maar dat laatste zei hij op een boosaardige toon. Ik kon ook niet echt ontdekken of Fischer nu wel of niet wist dat hij een grapje maakte. Wás het wel een grapje? Toen een taxichauffeur met hem en Tal door New York reed, zei de taxichauffeur "Als we een ongeluk krijgen, staat er morgen in de krant: 'Sielecki sterft met twee onbekende passagiers!' Tal moest lachen, maar Fischer begon aan uitgebreid uitleggen. 'Nee, Sielecki, hier in Amerika ben ik bekender dan jij. Kijk ...'
Hierboven Tal en Fischer in opperbest humeur. Het schijnt dat Fischer ooit bij Tal zijn hand ging lezen: "Ik zie dat je binnenkort je titel van wereldkampioen gaat verliezen van een jonge Amerikaan..." Tal draaide zich gelijk om naar Lombardy, die naast hem stond, en zei: "Gefeliciteerd, Bill!"
Van Tal was wel bekend dat hij een groot gevoel voor humor had.
Tot het bittere einde toe
Robert Beekman
Legendarisch zijn die partijen die tot het bittere einde uitgespeeld worden. De twee verbitterde kemphanen kónden elkaar al niet luchten of zien, bieden dus ook niet voortijdig remise aan en pas als er alleen maar twee koningen op het bord staan, is het onvermijdelijke echt onvermijdelijk: ze schudden zwijgzaam elkaars hand. En anders grijpt de wedstrijdleider in met de mededeling dat het toch echt niet meer mogelijk is om te winnen. Of loopt één van beiden naar de wedstrijdleider om remise te claimen.
Nimzowitsch en Tarrasch, bijvoorbeeld. Tarrasch vond zijn tegenstander niets meer of minder dan een onbeschaamde vlegel die het lef had om hem volstrekt antipositionele zetten voor te schotelen. Eén keer stond hij dan ook direct na de opening op (er was helemaal niet zoveel aan de hand), wierp hij zijn handen ten hemel en riep uit: "Nog nooit in mijn hele leven heb ik zo gewonnen gestaan!" De partij werd na lange strijd op leven en dood beëindigd met twee koningen op het bord. Nimzowitsch zou hem die uitspraak nooit meer vergeven. Tot zijn laatste levensdagen zou hij Tarrasch als voorbeeld van de verouderde schaakstijl nemen. Zichzelf benoemde hij tot modern.

Net zo legendarisch is de partij Barcza - Fischer, uit 1959. Gedeon Barcza was een Hongaarse grootmeester. Rechts ziet u een foto van hem. Fischer aan de andere kant was nog maar 16 jaar oud. Zo jong al. En zo jong al een onverzadigbare honger naar de winst. Drie keer werd de partij afgebroken, en telkens weer ging Fischer op zoek naar de winst. Langdurig werd zijn tegenstander van middelbare leeftijd uitgeknepen en telkens weer vond Barcza de juiste weg naar remise.
Op een gegeven moment ontstaat het eindspel
Zou Fischer dat gewonnen hebben tegen Barcza? Geen idee, maar ongetwijfeld vond Fischer van wel. Ongetwijfeld vond hij het aan zijn stand verplicht dat tegen deze patzer gewonnen moest worden. "Barcza? Wie is dat eigenlijk? Nooit van gehoord!"
Maar hoe krijg je dat eindspel met volle pion meer? Barcza bleef gewoon aan de a-pion hangen en dan resteert zwart weinig anders dan zelf een keer met de dame op a4 te slaan. Er ontstaat dan een koningseindspel met randpion en wit hoeft alleen maar veld c1 te bereiken. En dat gebeurt dus altijd. Simpel remise. Barcza loopt met zijn koning naar c1 en zegt: "Ik weet niet hoe het staat, maar ik bied remise aan." Het antwoord van Fischer: "Ik weet ook niet hoe het staat, maar ik sta wel een pion voor."
De partij gaat verder en om niet in drie keer dezelfde stelling te komen dan wel een patstelling te bereiken, moet zwart dus de pion geven. De diagram links is nu ontstaan. Barcza denkt zoiets als "ja, ik heb net al remise aangeboden waarop ik vreselijk op mijn nummer gezet ben, dus laat hem maar iets zeggen. Bovendien is twee keer achter elkaar remise aanbieden ronduit onfatsoenlijk."
Hij kijkt nu vragend zijn tegenstander aan.
Maar Fischer kijkt onverstoorbaar naar het bord en doet hier nog twee zetten. Barcza is helemaal van slag. Dus zelfs een eindspel met twee koningen moet nog uitgespeeld worden!! Fischer kijkt nog een keer naar de stelling en laat de verschillende mogelijkheden nog eens op zich inwerken. De witte koning is al vastgezet aan de rand - het zwarte voordeel is dus onmiskenbaar. Maar hoe gaat de zwarte koning hem matzetten?!? Schoorvoetend biedt Fischer remise aan.
Het is al zet 105.
Dan stelt Fischer luchtigjes voor om tot postmortem analyse over te gaan. "Volgens mij heb ik ergens de winst gemist!" Maar Barcza is inmiddels de zenuwinzinking nabij en bedankt er beleefd voor. Volgens Tal, die erbij was, zou hij gezegd hebben: "Look, I have a wife and children. Who's going to support them in the event of my untimely death!"
Links een jonge Fischer. En we blijven lachen.
Toch was er wel degelijk een moment dat Fischer de winst gemist had. Wilt u net als Fischer weten wanneer dat moment was? Zie hieronder.
Eindconclusie: niemand kan het zich permitteren om zo passief te spelen. Ook Barcza niet.
De Hongaarse meester Gedeon Barcza.
Het Fischer eindspel
Robert Beekman
Een algemeen gedachtengoed in de schaakwereld is het principe dat een toren plus loper in het eindspel beter is dan toren plus paard. De theorie luidt dat bij een eindspel van loper tegen paard de eerstgenoemde weliswaar een breder bereik heeft, maar slechts de helft van het aantal velden kan bestrijken. Met een toren erbij is dat nadeel gecompenseerd, en dan brengt het voordeel van de loper een groter gewicht in de schaal.
Dat principe is deelgenoot van ons geworden sinds de Fischer - Taimanov match van 1971, die deel is van Fischers triomftocht naar de wereldtitel. Fischer zou heel goed begrepen hebben hoe gunstig het eindspel toren/loper tegen toren/paard is. Hij hoefde alleen maar dat eindspel op het bord te zetten en het puntje kwam vanzelf binnenrollen. Met dank aan Fischers lessen noemt Leonard Barden deze materiaalverhouding zelfs 'Het Fischer Eindspel'. Steve Mayer roemt ook Fischer en spreekt van 'the grinding ending', wat zoveel betekent als een eindspel waarin je lang moet lijden, helemaal vastgezet en gemangeld wordt.
Toch eens aanleiding om die eindspelen eens nader onder de loep te nemen. Het eerste eindspel dateert van 1962. Fischer speelt echter niet tegen Taimanov, maar heeft toren/loper tegen toren/paard bij Tal. Hij staat zelfs een pion achter, maar wint evengoed.
Zo! Dat is duidelijke taal. Zelfs met pion achterstand winnen toren en loper. Maar als je de stelling nauwkeuriger onder de loep neemt valt op dat de witte koning een stuk actiever is, en dat hij in de buurt van zeer kwetsbare pionnen op de koningsvleugel staat. Zet de zwarte pionnen op f7 en h7, en zwart is de enige die over winst kan praten. Bovendien is het centrum geheel open en blijkt telkens dat we uitkomen op een eindspel met vrijpionnen op twee vleugels van het bord. Die omstandigheid is inderdaad zeer gunstig voor de loper, maar dat is zij ook zónder torens op het bord.
Tot slot nog een kleine opmerking in de marge: Tal speelt overduidelijk niet al te best. Maar goed, het ging in die periode zeer slecht met zijn gezondheid en hij lag meer in het ziekenhuis dan achter het bord. Zijn score in dat toernooi was desastreus.
Fischer op bezoek bij Tal in het ziekenhuis. Curacao, 1962
Maar die eindspelen tegen Taimanov dan? Dat was toch wel duidelijke taal? Oké, laten we dáár dan eens naar kijken. Het eerste eindspel dateert uit 1970, een jaar voor die beroemde kandidatenmatch.
Echter, ook hier is een nadere voorbeschouwing relevant. Het eerste dat opvalt is dat er een open centrum is: gunstig voor de loper. Ook spel op twee vleugels, eveneens gunstig voor de loper. Maar nog belangrijker: potentiële vrijpionnen op beide vleugels. Nóg gunstiger voor de loper. En tot slot kunnen we ook nog opmerken dat de witte stukken een stuk actiever staan dan de zwarte, waarbij niet alleen de zwarte torens passief staan maar ook het paard géén voorpost heeft. Allemaal voldoende voor Fischer om de winst binnen te halen.

Dan die eerste partij in de kandidatenmatch. Op een gegeven moment komt de stelling links op het bord. Wit staat een gezonde pion voor en heeft bovendien dezelfde voordelen als hierboven genoemd. Simpel een kwestie van techniek. Haal pion b4 nu eens van het bord. Hoeveel beter staat wit dan? Nog steeds tellen de genoemde voordelen voor de witte loper, maar ik vraag me af of dit nog gewonnen is.
Wat zegt u? Of ik die tweede partij dan nooit nagespeeld heb? Dat briljante eindspel waarbij Taimanov langzaamaan uitgemanoeuvreerd wordt?
Nagespeeld? Stel uzelf dan de volgende vraag: was er nu werkelijk zoveel aan de hand? Oké, spel over twee vleugels, een centrum dat een beetje open is, maar wat dan nog? Zwart moet echter wel begrijpen dat die gaten op de damevleugel heel irritant kunnen zijn als de koning daar binnen komt vallen. Maar met het zwarte paard op d6 kan dat niet. In plaats van Kd6 was Pe8-d6 veel handiger. Op d6 staat het paard werkelijk ideaal en kan zwart weinig gebeuren. Immers, ook pion f7 wordt gedekt en het lastig om met de koning binnen te vallen op de koningsvleugel. Helaas, de komende 30 zetten, weigert zwart halsstarrig het paard naar d6 te verhuizen. Wat doet dat paard de hele tijd op c6? Velden dekken die de pionnen al afdekken? Voeg eraan toe die enorme positionele concessie van ... h5 en we beginnen al te begrijpen waarom Taimanov verloor.
Blijft u twijfelen? Maar mag ik u dan vragen of u ook de derde en laatste witpartij van Fischer tegen Taimanov nagespeeld heeft? Want daarin heeft Taimanov de loper met toren! Ongetwijfeld was het kwartje inmiddels al bij hem gevallen en dacht hij: AHA!! Mijn tegenstander valt daar in zijn eigen valkuil! Nu mag ikzelf dan wel een ezel zijn die al drie keer tegen dezelfde steen gestoten heeft, maar dat is mijn tegenstander dus ook!!
Helaas voor hem. Hij ging er kansloos af.
Ik geef het toe: toren en paard hadden een pion meer. Maar kennelijk vormden de toren en loper daar onvoldoende compensatie voor. Toch wel een beetje, in elk geval. Wat dat betreft kunnen we ook stellen dat Fischer gewoon een betere eindspeltechniek had. Welke conclusie kunnen we trekken als halfgod X Jan-modaal Y verslaat? Dat X beter speelt dan Y. Meer niet.
Links Fischer en helemaal rechts Taimanov.
Drie legendarische wereldkampioenen
Robert Beekman
Eén van de legendarische partijen van de moderne geschiedenis is die tussen Mikhail Botwinnik en Bobby Fischer, gespeeld in de Olympiade te Varna (Bulgarije) in 1962. De enige keer dat ze elkaar achter het bord zouden ontmoeten. Fischer was toen 18 jaar oud; Botwinnik 51 en het jaar ervoor voor de derde keer wereldkampioen geworden door de rematch tegen Tal te winnen.
Een foto van die enige keer dat Fischer en Botwinnik de strijd tussen Rusland en Amerika vorm gaven.
Tevoren was er al een heleboel stennis ontstaan. Fischer had namelijk tegen de pers gezegd: "Ik denk dat ik Botwinnik kan verslaan." Hij zei niet: "Ik ga hem verslaan." Of: "Hij wordt door mij geplet en als ik met hem klaar ben is hij zo plat als een dubbeltje." Nee, Fischer zei: "Ik kan hem verslaan, ik zou hem kunnen verslaan, ik geloof dat ik dat zou kunnen doen en misschien doe ik dat ook wel!"
Maar het kwaad was al geschied. De partij was bijzonder beladen, de pers was van heinde en verre aangestroomd en alles draaide om de vraag: wat gaat er gebeuren aan het eerste bord in de ontmoeting tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten?

Het was midden in de Koude Oorlog. Chroetsjov sloeg in de vergaderzaal van de Verenigde naties met zijn schoen op de tafel. John F. Kennedy had een jaar tevoren opdracht gegeven Cuba binnen te vallen. Deze invasie in de Varkensbaai mislukte. Chroetsjov liet zomer 1962 middenlange afstandsraketten op Cuba plaatsen. De spanningen liepen hoog op. En dan ontdekt de CIA de raketten op Cuba (zie de foto rechts in beeld). Twee weken lang, van 16 oktober tot 1 november, balanceerde de wereld op de rand van een alles vernietigende atoomoorlog. Dean Rusk (toenmalige minister van Defensie) zei later: "We were eyeball to eyeball, and I think the other fellow blinked." Midden in die tijd, op 7 oktober 1962, werd Botwinnik - Fischer gespeeld!
In de partij komt Botwinnik met een positioneel pionoffer, waarvoor hij zeker voldoende compensatie had. Een rekenfout leidde echter tot een stelling met simpele pluspion voor Fischer. Normaliter zou hij dat probleemloos gewonnen hebben, maar hij was nog maar 18 jaar oud! Hij geeft een kansrijke zet af, maar dan blijkt het verschil tussen de Amerikanen en Russen, bijna metaforisch voor het verschil tussen kapitalisme en communisme. De Amerikaanse wereldkampioen werkte grotendeels alleen en werd een beetje gesteund door de gebroeders Byrne. Redelijke spelers, maar niet van wereldformaat.
De Russen werkten in ploegendienst. In de ene kamer zaten Botwinnik, Geller, Keres, Petrosian en Furman. In een andere kamer werkte een subgroepje, namelijk Spassky, Tal en Boleslavsky, die af en toe hun ervaringen met de eerste groep uitwisselden. Als we al die elo's van wereldkampioenen en bijna- of ex-wereldkampioenen op gaan tellen slaat de rekenmachine op tilt. Ze analyseerden de hele avond door en aan het einde van de nacht was het Geller die de remiserende manoeuvre ontdekte: wit moest, paradoxaal genoeg, twee verbonden vrijpionnen toelaten om op de andere vleugel tegenspel te vinden.
Vervolgens ontstaat een bijzonder lange postmortem discussie via de literatuur. Op zet 51 maakt Fischer een rekenfout en Botwinnik kan gelijk naar een remise stand afwikkelen. Was het betere 51... Kd4 nu voldoende voor de winst of niet? Botwinnik claimde een remisevariant gevonden te hebben, maar Fischer betwistte dit en kwam in zijn My 60 Most Memorable Games met één van de langste analyse uit dat boek (en daar zitten me toch wat lange analyses in) om dit te ondersteunen. Botwinnik vindt vervolgens daar weer twee weerleggingen tegen.
Botwinnik nam toen Fischer op de hak door te zeggen dat één van deze twee weerleggingen gevonden was door een dertienjarige pupil van hem. Net alsof hij daarmee wilde zeggen: zo goed is die Fischer dus niet, één of ander kind kan zijn analyses zelfs weerleggen. De sukkel! Op dat moment realiseerde Botwinnik zich echter niet wat hij zei. Later kregen zijn woorden een hele andere betekenis. Dat dertienjarige schooljochie was namelijk niemand anders dan ... Gary Kasparov!
Dichter dan een match of reële vergelijking tussen beide giganten (Fischer en Kasparov) zullen we nooit meer komen!
Overigens kon de uitspraak van Fischer ("Ik kan hem verslaan") in deze anekdote wellicht mild opgevat worden, bij andere gelegenheden was dit niet het geval. "Botwinnik is an old man", had hij al eerder gezegd, eraan toevoegend dat Botwinnik geen schijn van kans tegen hem heeft. In 1963 wilde Fischer ook een boek uitgeven, met de titel Hoe ik wereldkampioen word. Zozeer was hij er van overtuigd dat hij beter was dan Botwinnik.
Rechts Bobby Fischer.
Menschliches, alzu menschliches
1975. De match Fischer - Karpov kwam er aan. Maandenlang, jarenlang verkeerde de schaakwereld in onzekerheid. De onderhandelingen begonnen al in 1973 en betroffen het zogeheten "9-9 proposal". September 1973 stelde de (Amerikaanse) vice-president van de FIDE een match voor die zou gaan om 10 overwinningen, met als toevoeging dat bij 9-9 het geld verdeeld zou worden, maar de wereldkampioen de titel zou behouden. Fischer steunde vervolgens dit voorstel.
De Russen protesteerden. Zij stelden dat dit impliceerde dat de uitdager dus met twee punten verschil zou moeten winnen. Minimaal 10 tegen 8, immers. Vervolgens ontspon zich een langdurig proces van lobby en onderhandeling over dat "9-9 proposal". De tien overwinningen waren al vastgesteld; daar kon iedereen zich wel in vinden. Maar het "9-9 proposal" bleef onderwerp van felle discussie.
Fischer in Chess Life november 1974:
The whole idea is to make sure the players draw blood by winning games, and the spectators get their money's worth. (...) Steinitz, Tchigorin, Lasker (too), Gunsberg, Zukertort, etc. all played under the ten win system I proposed (and some matches with the 9-9 tie clause). Yet the Russians pretend that I'm asking for an UNPRECEDENTED advantage. Incidentally, Larry, the Capa-Alekhine match DID have a draw clause at 5-5. Yes, Alekhine had to win by 6-4 to take the title just the same as my match proposal.
De geschiedenis is niet helemaal duidelijk, overigens. Historici discussiëren nog over de vraag of dit waar is. Edward Winter, deskundige bij uitstek, concludeert dat Capa van plan was bij 5-5 voor te stellen de match af te breken in gelijk spel, en daarna gelijk een nieuwe match uitschrijven van een beperkt aantal partijen. Een ingewikkelde "overtime" constructie, dus. Het WK wordt afgebroken en later voortgezet. Euwe probeerde begin 1975 nog te bemiddelen en haalde deze constructie nog op tafel. Bij 9 - 9 tussenstand, wordt de match afgebroken en volgt er een verkorte match van tien partijen. Karpov zou dan met minimaal 5,5 - 4,5 moeten winnen om wereldkampioen te worden. Dit voorstel zou het gehaald hebben, maar is afgewezen door Fischer.
Maart 1975 volgde een speciale FIDE-conferentie en is het "9-9 proposal" in stemming gebracht. 32 stemden voor. 35 stemden tegen. Opvallend was dat, naast Noord-Amerika natuurlijk, ook de rest van Amerika, Afrika en Azië pro Fischer stemden. De communistische landen en West-Europa stemden tegen.
Verworpen.
Fischer weigerde te spelen.
Op 3 april 1975 werd Karpov tot wereldkampioen uitgeroepen.
Heel onwezenlijk allemaal. Opeens verdween er een topschaker van het wereldtoneel. Veel schakers konden gewoon niet geloven wat er gebeurd was. Andere schakers stelden dat de match toch niets voor Fischer was geworden, omdat hij de drie jaar na het WK geen enkele schaakpartij gespeeld had. Dat laatste was geheel in strijd met de belofte die Fischer direct na het behalen van de wereldtitel had gedaan. Hij zou veel spelen, heel veel spelen. Hij zou elk jaar zijn titel op het spel zetten. Hij zou andere schakers een kans geven om hem te verslaan.
Reeds in 1962 gaf Fischer het volgende antwoord op de vraag wat gaat hij doen als hij wereldkampioen wordt:
First of all, I'll make a tour of the whole world, giving exhibitions. I'll charge unprecedented prices. I'll set new standards. I'll make them pay thousands. Then I'll come home on a luxury liner. First-class. I'll have a tuxedo made for me in England to wear to dinner. When I come home I'll write a couple chess books and start to reorganize the whole game. I'll have my own club. The Bobby Fischer ... uh, the Robert J. Fischer Chess Club. It'll be class. Tournaments in full dress. No bums in there. You're gonna have to be over eighteen to get in, unless like you have special permission because you have like special talent. It'll be in a part of the city that's still decent, like the Upper East Side. And I'll hold big international tournaments in my club with big cash prizes. And I'm going to kick all the millionaires out of chess unless they kick in more money. Then I'll buy a car so I don't have to take the subway any more. That subway makes me sick. It'll be a Mercedes-Benz. Better, a Rolls Royce, one of those fifty-thousand-dollar custom jobs, made to my own measure. Maybe I'll buy one of those jets they advertise for businessmen. And a yacht. Flynn had a yacht. Then I'll have some more suits made. I'd like to be one of the Ten Best-dressed Men. That would really be something. I read that Duke Snyder made the list. Then I'll build me a house. I don't know where but it won't be in Greenwich Village. They're all dirty, filthy animals down there - lower than cats and dogs. Maybe I'll build it in Hong Kong. Everybody who's been there says it's great. Art Linkletter said so on the radio. And they've got suits there, beauties, for only twenty dollars. Or maybe I'll build it in Beverly Hills. The people there are sort of square, but like the climate is nice and it's close to Vegas, Mexico, Hawaii, and those places. I got strong ideas about my house. I'm going to hire the best architect and have him build it in the shape of a rook. Yeah, that's for me. Class. Spiral staircases, parapets, everything. I want to live the rest of my life in a house built exactly like a rook.
Voorafgaand aan de match tegen Spassky beweerde hij het voordeel van de wereldkampioen (tegenstander moet met een punt verschil winnen) gelijk van tafel te vegen. Een strijd om 10 overwinningen doet dat overigens ook. Wereldkampioen en uitdager hebben dan gelijke kansen. Maar na de match wilde Fischer toch weer een voordeel (groter dan ooit) voor de wereldkampioen instellen. Menschliches, alzu menschliches, zou Nietsche zeggen. Vóór de match protesteerden vroeger alle uitdagers dat het voordeel van de wereldkampioen (tegenwoordig verdwenen) onterecht is. Ná de match hield de nieuwbakken wereldkampioen om principiële redenen vast aan ditzelfde voordeel.
Bobby Fischer
Het notatieboekje van Fischer
Robert Beekman
Recentelijk heeft een belangrijke veiling plaatsgevonden, namelijk alle schaakspullen van Fischer. Honderden boeken en schaaknotities zijn opgekocht door een Amerikaanse schaakmaecenas voor 61.000 dollar. En daar zitten onder andere Fischers aantekeningen bij ter voorbereiding op de matches tegen Taimanov, Petrosian en Spassky. Kortom, een ongelooflijke schat aan informatie.
Met name al zijn aantekening ter voorbereiding op de "Match van de eeuw" zijn natuurlijk hoogst interessant. Fischer had één zwakte: hij had een tamelijk beperkt openingsrepertoire. De Russen zijn uitgebreid bezig geweest met het kraken van dat repertoire (en tegen de Poisoned Pawn lukte dat ook), maar Fischer verraste de Russen door de hele match door allemaal openingen te spelen die hij nog nooit eerder gespeeld had. Achteraf bleek dit een briljante ingeving te zijn: eerst zijn hele carrière telkens weer hetzelfde spelen en dan - op het belangrijkste moment - allemaal andere varianten die de tegenpartij onmogelijk bestudeerd kon hebben.
Eén aantekening blijkt een memo van een onbekende schaker te zijn: "Spassky seems to adopt defences for Black after prolonged experience with the white pieces against a particular defence. I had a conversation with Korchnoi after Hastings (January) – he had not been informed that I was preparing files for you – in which he made some remark that a possible weakness of yours was the Bc4 lines as White against the Sicilian."
Het bleek dat Fischer al deze spullen had opgeslagen in Pasadena, waar het noodgedwongen moest blijven omdat het geconfisceerd werd nadat Fischer het embargo tegen Servië doorbroken had in zijn revanche match tegen Spassky in 1992.
Een foto van een deel der onbetaalbare schatten: alle aantekeningen van Bobby Fischer.
Op www.chessbase.com, waar ik deze informatie vind, is ook nog een dolkomische video te zien: een jong meisje van het veilighuis legt aan een journaliste uit wat er allemaal geveild wordt. Ze pakt dan het notitieboekje van Fischer waarin hij al zijn partijen tegen Reshevsky (de match van 1963) opgeschreven had - inclusief schaaktechnische aantekeningen.
"And this, this eueuhm, this is a little eueuehm Yugoslavian printed eueuhm, actually a chessbook.
A chessbook?
Yes, you can see this is a chessbook. In other words: it's a little book .... designed for chessplayers. Designed for chessplayers ... to record their moves. In other words, this is a book in which a chessplayer can write down the moves. In other words, they can write down their chessmoves.
Aaaah! Interesting!
Yes. See? Here you can see someone wrote down Pawn to ... Pawn to ....
Is that from Bobby Fischer?
Bobby Fischer, yeah.
Aaah! I knew there was something about it!
Yes, this is from 1959 and eueueh ... there is Bobby Fischer written down on the front ... and he actually RECORDED several of his own games, it seems.
REALLY??
Yeah, yeah, this is a game against Reshevsky in nineteen, nineteen sixty three ... eueuehm. Yeah.
Do chessplayers actually RECORD THEIR OWN MOVES??
Yeah, eueueuhm, if you have actually watched a chessgame ... which is obviously not very exciting ...
Ha ha ha ha ha!
... usually they have their notes of chess with them, and they are trying to ... eueuehm ... record their strategy, so they can see what was succesful in that match. INTERESTING! Yeah, you can see that here. Look, on the right side he writes down the moves and on the left side he writes a story about it. This eueuehm is about .... he says it is about the Sicilian, something about the Sicilian. See?
YEAH!! About the Sicilian!!
Fischer bezig met "recording his strategy and writing a story about it".
Fischer en de loperdiagonaal
De loperdiagonaal is lastiger om te zien dan de torenlijn. Voor de schaker kan het handig zijn zich daarvan bewust te zijn. Tc8xc1 ziet iedereen in een flits, maar La2xg8 wordt minder snel gezien. Soms moet de schaker de diagonaal zelf volgen, wat bij Tc8xc1 niet hoeft. De toren maakt in de hersens van de schaker automatisch een sprong.
Nu zijn de schakers die wel gewend en als de loper bijvoorbeeld gericht is op de koningsvleugel waar een aanval ingezet wordt, zijn alle schakers zich de hele tijd bewust van de aanwezigheid en macht van de loper. Maar onverwachtse diagonalen worden nog wel eens gemist. Dat komt omdat het pad van de loper die van a2 naar b3 gaat, geblokkeerd wordt door de zwarte velden op b2 en a3. Die twee zwarte velden zorgen dat de witte verbinding tussen a2 en b3 precies nul is. De schaker moet zich de diagonaal dus visualiseren. Daarentegen kan hij de rechte lijn tussen a1 en a8 gewoon zien. Letterlijk zien.
![]() | ![]() |
Vooral bij lange diagonalen speelt dat. Hierboven kan zwart met Lh7-g8 de witte koning schaak geven. De mens loopt met zijn ogen de diagonaal vanaf g8 naar a2 langs en o ja, dat is schaak. Dat is een halve seconde trager dat de toren op a8 die de witte koning op a2 schaak geeft. Niet alleen de verbondenheid van de velden (telkens verbindt een lijn het veld, bijvoorbeeld tussen a8 en a7), maar ook de feitelijke afstand. De afstand tussen a1 en h8 is ongeveer anderhalf zo lang als tussen a1 en a8.
Soms - niet iedereen heeft daar last van - wordt het lastiger als er stukken langs die diagonaal staan. De rechterdiagram laat twee poortjes zien. Sommige schakers hebben meer moeite met het visualiseren van de diagonaal door de pionnen op b2 en a3.
![]() | ![]() |
Komen we uit bij één van de grootste blunders in de schaakgeschiedenis. Minstens tien grootmeesters slaagden er onafhankelijk van elkaar een diagonaal niet te zien. Links Fischer - Bolbochan uit 1962. Fischer heeft de partij opgenomen in My 60 memorable games. De partij gaat verder met 35.Db3 Txf4 36.Te5 Kf8 37.Txe8 en zwart geeft op, want 37... Kxe8 38.De6 Kf8 39.Dc8 is mat.
Fischer geeft in zijn boek de volgende analyse als zwart in plaats van 35... Txf4 de zet 35... Kh8 doet: 35.Db3 Kh8 36.Pxg6 Dxg6 37.Txg5 Dxg5 38.Dh3 Kg8 (en we hebben nu de diagram rechtsboven) 39.Dxf1. Fischer eindigt met het volgende commentaar: leads to a win.
Aldus de analyse van Fischer zelf. Maar andere grootmeesters zetten deze stelling op het bord, rekenden mee en meenden dat het allemaal veel simpeler en mooier kon. Vanuit de rechterdiagram: 39.Dh7 Kf8 40.Dh8 Dg8 41.Dh6 Dg7 42.Dxg7 mat! Hartstikke mooi en als schaakpatroon een herkenbare combinatie, maar de hele combinatie is onmogelijk omdat de dame op g8 de witte koning op a2 schaak geeft, wat tot ruil van de dames leidt waarna zwart een volle toren voor staat. Helemaal gemist! Door tientallen grootmeesters!
Keer na keer werd de linkerstelling gepubliceerd, niet alleen in de verslaglegging van de hele partij, maar ook in boekjes waarin de linkerdiagram als oefenstelling werd gepubliceerd. De auteur van de analyse was dan regelmatig een vooraanstaande grootmeester. Fischer liet het al die tijd langs zich heengaan, maar toen in 1996 zijn eigen boek herdrukt werd, pasten de vijf grootmeesters die de regie over het boek hadden (Nunn, Burgess, Dvoretsky, Speelman, Keene) het commentaar van Fischer aan. Alsof hijzelf gezegd had dat deze zijvariant tot mat leidde! Terwijl Fischer het wel degelijk bij het juiste eind had!
Hadden de vijf grootmeesters dan niet het commentaar van Fischer gelezen? Jazeker wel, meldde Nunn namens het collectief, maar ze meenden dat Fischer een snellere winst gemist had en hebben toen maar net gedaan alsof Fischer die "snellere winst" wel gezien had. Uiteraard leidde dit tot een woedeuitbarsting van formaat. Fischer beklaagde zich uitgebreid over de herdruk van zijn boek en dit punt was één van de onderdelen van zijn aanklacht. Een heel sterk punt, mogen we wel zeggen.
Fischer tegen Kortsjnoi in 1961
En dit is de Argentijn Bolbochan.
Welhaast ondoorgrondelijk
Robert Beekman
Er zijn van die partijen die later nog veel discussie opleveren. Objectief gesproken is elke schaakstelling nog wel uit te analyseren, maar wat er achter het bord zelf gebeurde, is welhaast ondoorgrondelijk. Links is zo'n voorbeeld daarvan. Zwart is hier aan zet, en wat zou u zelf gespeeld hebben?
Om deze stelling te begrijpen, zullen we terug moeten keren naar 1970. Fischer rules the world. Hij wint zowat alles in de aanloop naar de strijd om de wereldtitel tegen Spassky. Zijn overmacht was zelfs zo sterk dat Kasparov hem later tot grootste speler aller tijden zou uitroepen. Tenminste, als we het verschil tussen een speler en de rest van zijn generatie als norm nemen, voegt Kasparov eraan toe.
Maar dan gebeurt er iets vreemds. In Zagreb, 1970, verliest Fischer, hierboven in beeld, van Kovacevic. Een IM. Niemand kende hem. Voor de virtuele overmacht van Fischer maakte het niets uit, want evengoed won hij datzelfde toernooi met twee punten voorsprong op nummer twee. Maar waarom verloor hij die partij van Kovacevic? Maakte hij soms een blunder in gewonnen stelling? Nee, een grote fout maakte hij niet. Dat blijkt wel als we de analyses van verschillende mensen naast elkaar leggen. Iedereen wijst een andere zet van Fischer als boosdoener aan. Nee, Kovacevic speelde zo onwaarschijnlijk goed dat zelfs Fischer in toptijd geen schijn van kans had.

Keren we weer terug naar de stelling. Dit is dus Fischer - Kovacevic, 1970. Zwart is aan zet. Maar hij zit nog niet achter het bord. Fischer is overigens ook opgestaan om rond te wandelen. De partij wordt gespeeld op een vrije dag en op afstand, vanuit het aangrenzende café, kijken Petrosian en Kortsjnoi naar het grote demonstratiebord. "Wat interessant!", zegt Kortsjnoi hardop, "Fischer heeft een truc in de stelling geweven. Hij stelt Kovacevic in staat om een dame te winnen, maar als hij dat doet, zal hij waarschijnlijk verliezen!" Kortsjnoi en Petrosian rekenen vervolgens samen wat varianten door, en komen tot de conclusie dat 18... e3! de beste zet is.
Maar dan gebeurt er iets verschrikkelijks. De vrouw van Petrosian zit er namelijk ook bij, en zij staat op, loopt naar Kovacevic en vertelt hem de oplossing! Kovacevic speelt dan inderdaad 18... e3 en wint de partij. Kortsjnoi is verbijsterd, en zeker in het licht van Curacao, het kandidatentoernooi uit 1962 waarin een paar Russische grootmeesters afspraken tegen elkaar korte remises te spelen om elkaar te sparen, terwijl tegen Fischer voluit gespeeld werd, zal deze anekdote er mede hebben bijgedragen aan de paranoia van Fischer. Saillant detail: in 1962 was de vrouw van Petrosian ook al berispt door de wedstrijdleiders, omdat zij aan haar man de mening van de pers over diens stelling op het bord had gegeven.
We baseren deze anekdote op Kortsjnoi's boek Chess is my life uit 1977. Is het waar? Waarom niet, zou je zeggen. Een aantal critici hebben echter hier toch aan getwijfeld, en plaatsen de anekdote in het licht van de verstandhouding tussen Petrosian en Kortsjnoi, die hun gehele leven lang zeer slecht zou zijn geweest. Kortsjnoi zelf voegt overigens toe dat Kovacevic de partij heel goed speelde en ongetwijfeld alles zelf wel zou hebben uitgedokterd. Anderen beweren dat 18... e3 helemaal niet moeilijk te vinden is en voor een doorsnee (groot)meester gesneden koek is.

De truc is overigens dat zwart in de linkerdiagram 18... Ph4 kan spelen. Als de witte dame weggaat, volgt exf3 en het gaat helemaal mis met wit. Maar wit vervolgt dan met 19.fxe4 Txg5 20.Lxg5 Pf5 21.Ph5. Er ontstaat dan een onduidelijke stelling waarin wits kansen niet slecht zijn. In de partij ging het verder met 18... e3 19.Lxe3 Pf8! 20.Db5 Pd5. De dame is afgesloten van de koningsvleugel en daar zou Kovacevic de toekomstig wereldkampioen snel verpletteren.
Wits laatste zet was 18.f3, maar Fischer had ook 18.c4 kunnen spelen. Veld d5 is dan niet meer beschikbaar voor het zwarte paard, en in een aantal varianten is het belangrijk dat de loperlijn met d5 onderbroken kan worden. Het spel is dan onduidelijk. Kennelijk onderschatte Fischer Kovacevic, wat niet onbegrijpelijk is vanwege het verschil in speelsterkte. Hoewel? Onderschatten?? Fischer wist natuurlijk niet dat hij feitelijk tegen de verzamelde denkkracht van Petrosian en Kortsjnoi speelde! Misschien schatte hij de situatie wel degelijk goed in, en had Kovacevic wel degelijk 18... e3 niet gevonden.
Ondanks zijn mooie partij mag Kovacevic evengoed van geluk spreken dat hij gewonnen heeft. Nog afgezien van het voorzeggen van de vrouw van Petrosian, maakt hij in zijn analyses een aantal lelijke fouten.
Links Fischer, direct achter hem Petrosian, mee-analyserend in de postmortem analyse.
Geller - Fischer
Efim Geller is een speler met zeer diepzinnige en mooie stijl, die als enige een positieve score tegen Fischer heeft. + 2 om precies te zijn. Van Geller is gemeend dat hij het enigma Fischer ontcijferd had. In 1967 wint Geller twee keer van Fischer. Met zwart. In respectievelijk 23 en 25 zetten! Naar aanleiding hiervan schrijft: It was clear to me that the vulnerable point of the American grandmaster was in double-edged, irrational positions. When play was of this nature, Fischer often failed to find a win even in a winning position. It was this that led me to the decision to challenge Fischer to a very sharp game, and, what is more, in his favourite variation. Players who are devoted to certain opening systems know how unpleasant it can be to "play against oneself" in the purely psychological sense.
Niet voor niets is Geller secondant van Spassky geweest bij de wereldberoemde WK-match van 1972.
Rechts het koningskoppel Geller en Spassky. Ook Spassky heeft overigens (voorafgaand aan de bewuste WK-match) een positief resultaat tegen Fischer. Fischer heeft zelfs nog nooit van hem gewonnen. Het laatste boek dat nu in 2011 nog over het leven van Fischer verschenen is (The Endgame), memoreert een gesprek tussen Fischer en Sam Sloan en Bernard Zuckerman. De laatste twee waren in die tijd vertrouwelingen van Fischer. Fischer blijkt met enige zorgen vooruit te blikken op de match tegen Spassky. ''Spassky is better'' zegt Bobby. ''Not much better, but better.'' In die WK-match kan Spassky, gesteund door secundant Geller, het evengoed niet bolwerken tegen Fischer. Spassky bezwijkt, zo lijkt het wel, onder de psychologische druk van het gedrag van Fischer in combinatie met de druk vanuit de Sovjettop.
Maar Spassky heeft toch het Geller-adagium in handen? Geller heeft in 1967 toch twee keer van Fischer gewonnen? Met zwart? In 23 respectievelijk 25 zetten?

Eerst Fischer - Geller, 1967. Gellers derde overwinning op Fischer. Fischer komt goed uit de opening, Geller speelt onnauwkeurig en staat verloren. Maar dan vindt Geller toch nog een onwaarschijnlijke uitweg. Helemaal gemist door Fischer. Zo diepzinnig dat Fischer pas aan het eind begrijpt hoe goed het offer van drie zetten terug was. Deze partij wordt gezien als één van Gellers beste prestaties. Misschien wel de beste. Links een sleutelstelling. Er is zonet gespeeld: 20.a2-a3 Db4-b7 21.Df1-f4. Achteraf, zo concludeert Fischer, had wit met direct 20.Df1-f4 gewonnen. Er volgen lange analyses in My 60 memorable games om dat aan te tonen. Maakt het invoegen van a2-a3 wat uit? Zo op het eerste gezicht niet, maar het blijkt de verliezende zet te zijn. Geller doet nu 21... Lc6-a4. Twee uitroeptekens van Bobby Fischer. "I didn't see it! Moreover, the strength of this resource didn't become fully apparent to me for another two moves." 22.Dg4 Lf6 23.Txf6 Lxb3 Een ongelooflijke en onwaarschijnlijke verdediging. Na cxb3 volgt Pxf6 en de cruciale pion op f7 is niet meer gedekt. Op Tf4 volgt La2 en mat op b2. In alle varianten blijft zwart minimaal een toren voor. Wit geeft op. Fischer: "It is not enough to be a good player, observed Dr. Tarrasch; you must also play well."
Fischer mist hier een diepe truc van Geller. Maar als hij direct 20.Df1-f4 gespeeld had (wat voegt a2-a3 eigenlijk toe?), had hij gewonnen.

De vierde overwinning van Geller nu. Ook uit 1967. Dit keer in 25 zetten, wederom met zwart. Fischer doet vanuit de linkerdiagram 20.Lg4, de enige onnauwkeurigheid in de partij. Geller wint nu met 20... dxc4 21.Lxe6 Dd3 22.De1 Le4 23.Lg4 Tb8 24.Ld1 Kd7 25.Tf7 Ke6 en wit geeft op.
Opvallend: Geller speelt hier met zwart Poisoned Pawn, de door Fischer zo geliefde speelwijze. Denk wederom terug aan die uitspraak van Geller: 'It was this that led me to the decision to challenge Fischer to a very sharp game, and, what is more, in his favourite variation. Players who are devoted to certain opening systems know how unpleasant it can be to "play against oneself" in the purely psychological sense.' Het is inderdaad opvallend. Juist in de Vergiftigde Pion variant van de Najdorf, waar Fischer patent op heeft, wordt Fischer verslagen in een partij die hij met zwart zelf gespeeld zou kunnen hebben.
Mooi bedacht, maar feit is wel dat wit in de diagram linksboven met 20.Lg4 een fout maakt. Diverse alternatieven winnen voor wit, onder andere 20.Ld1. Na bijvoorbeeld 20... dxc4 wint wit met 21.Dc2, dreigend Da4 en Dxh7. In andere varianten gaat de dame naar c3, e2 of f2. Het binnenvallen van die dame is vervolgens beslissend, want de loper op g5 en de toren op f1 houden de koning in de tang.
Deze partij is inderdaad minder beroemd dan de vorige, maar dus wel de directe aanleiding tot het doen van bovengenoemde uitspraak.
Tot die twee bewuste overwinningen van Geller is het + 1 voor Geller. In 1961 is hun eerste partij. Efim Geller wordt verpletterend verslagen. In het boek My 60 Most Memorable Games schrijft Fischer na de zevende zet: "En terwijl Geller dit nieuwtje speelde keek hij erg gelukkig." En na zet 11: "Geller keek nog steeds gelukkig." En bij de veertiende zet: "Geller dacht hier een half uur over na en keek niet gelukkig meer." Op zet 22 geeft Geller op. Fischer is op dat moment 18 jaar oud. Geller 36.

In 1962 spelen ze voor de Kandidatenmatches in Curacao vier keer tegen elkaar. Geller wint er twee, Fischer één.
Daaronder die bekende partij waarbij Fischer het aflegt tegen Gellers diepe inzicht. Links doet Geller 15.Tc1. Er volgt 15... Pc5 16.Pxc5 dxc5 17.b4. Fischer slaat niet op b4 maar probeert stand te houden op c5, maar Geller doet Db3 en hermanoeuvreert met Tc1-a1-a4-b4. Na druk op b7 zal op een gegeven moment pion a5 tegen b7 geruild worden en winnen de verbonden pionnen van c4 en d5.
Links Geller, rechts Fischer, in het toernooi van Curacao 1962.
Het staat na 1962 dus gelijk. Zes partijen gespeeld, twee remises, twee overwinningen voor allebei. Vijf van deze partijen zijn overigens open Sicilianen, waarbij ze elkaar met open vizier tegemoet treden. In 1965 besluit Geller van strategie te veranderen. Hij maakt er Koningsindisch van, wellicht met als doel om complicaties te vermijden. Die ontstaan er evengoed toch. En wat schetst de verbazing? Geller blijkt die complicaties beter meester dan Fischer.
In zijn beroemde uitspraak suggereert Geller dat hij de schaker Fischer briljant analyseert, tot de conclusie komt dat Fischer minder goed is in scherpe stellingen en vervolgens zijn plan trekt. Maar hoe komt hij tot deze conclusie? Niet in de gewonnen partij van 1965, want het is Fischer die de complicaties zoekt. Net als in de twee Sicilianen van 1967 die door Geller gewonnen zijn. Telkens zoekt Fischer tegen Geller de complicaties op, gedreven door zijn enorme wil om te winnen. Het is dus geen analyse vooraf, maar een conclusie achteraf die Geller trekt.
Fischer speelde in Havana overigens vanuit New York over de telex, omdat de Amerikaanse regering hem geen visum wilde geven vanwege de gespannen relaties met Cuba. Ondanks deze ongunstige omstandigheid werd Fischer toch gedeeld tweede met Geller, een half punt achter Petrosian.
Maar dan volgt hun laatste partij in Palma de Mallorca, 1970. Geller maakt er een uitzonderlijk saaie partij van. Hij heeft wit en begint met Pf3. Na wederzijdse fianchetto volgt er ruilvariant Slavisch. Geller speelt dus ruilvariant Slavisch met g3! Daar zullen weinigen mee gewonnen hebben. Waarom speelt hij niet messcherp? Hij heeft Fischer toch ontraadseld?
Waarschijnlijk speelt mee dat hij de koppositie heeft in een interzonaal toernooi waarin de beste spelers zich plaatsen. De topspelers sparen in zo'n toernooi hun energie tegen elkaar om tegen de zwakkere broeders toe te slaan en zich gezamenlijk te plaatsen. Maar ja, Fischer heeft schijt aan dat soort mores! Zeker na Curacao, naar aanleiding waarvan Fischer de Russen zou verwijten elkaar te sparen met korte remises om voluit te gaan tegen de anderen.
Op zet 7 biedt Geller Fischer dus remise aan. Hij heeft wit en op het bord is verder weinig aan de hand. Op dat moment begint Fischer luidkeels door de zaal te lachen. De andere schakers kijken verschrikt op. Dan buigt Fischer zich voorover naar Geller en geeft op vervaarlijke toon zijn antwoord. Wat hij zegt weten we niet, want Geller verstaat hem niet en Fischer heeft het nooit herhaald. Gelet op het feit dat Fischer bekend is van uitspraken zoals I like the moment when I break a man's ego, zal het vermoedelijk geen aardige opmerking geweest zijn. In elk geval wordt Geller rood en zichtbaar zenuwachtig na die opmerking.

Later in de partij ontstaat de linkerdiagram. Geller, met wit spelend, ziet dat Kg3 eenvoudig remise is. Maar dan ziet hij een nog betere zet. Gewoon Td2 Kh4 Kxf5 spelen, g3 kan dan niet vanwege fxg3 Kxg3 (want de zwarte koning staat schaak!), en dan de witte koning op f5 maal zwarte toren op f1! Een dergelijke schaakblindheid komt vaker voor bij Geller. Na 66.Td2 Kh4 67.Kxf5 g3 heeft hij inmiddels zijn vergissing ontdekt en gaat de partij verder met 68.f4 Kh3 69.Td3 Kh4 70.Td2 Ta1 71.Ke5 Nog altijd stond het remise, die heel eenvoudig te bereiken was: 71.Td8 g2 72.Th8 Kg3 73.Tg8 Kf3 74.Ke6. 71... Kg4 72.f5 Ta5 en wit geeft het op.
Is Geller hier overduidelijk zichzelf niet? Heeft Fischer de vicieuze cirkel omgedraaid? Men zou denken dat deze partij het Geller-adagium bevestigt. Geller speelt niet scherp en verliest. Maar in de match Spassky-Fischer speelt Boris ook niet op z'n scherpst. De eerste partij alleen al. Spassky heeft wit en maakt er een slappe hap van. Ik vermoed dus dat Geller zijn visie bijgesteld heeft en dat zijn beroemde uitspraak in de euforie van zijn twee overwinningen in 1967 gedaan is. Het is ook wel een beetje toeval, want eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Fischer hem in beide partijen overspeeld heeft. Meer geluk dan wijsheid.
Petrosian, Fischer en Geller. Vriendschap op het schaakbord. Curacao 1962. Hetzelfde toernooi waarover Fischer achteraf zich zou beklagen over de combine van de Russen.
Het verraad van de gezichtsuitdrukking
Wil je de wereldtop bereiken? Dan wordt de pokerface als belangrijk wapen gezien. Neem nu Boris Spassky. Spassky was beroemd om zijn pokerface. Fischer zei over hem: "Of jij hém mat nu zet of hij jóú mat zet: aan Spassky's gezicht kun je geen verschil zien." Neem dan Efim Geller. Van Gellers gezicht kon je elk klein tegenslagje of voorspoed aflezen. Daarom zou Geller geen wereldkampioen zijn geworden. En Spassky wel. Zo wordt beweerd.
Hierboven: Bobby Fischer in de eerste partij om het WK van 1972. Hij begint zich te realiseren dat zijn wilde loperoffer op h2 verkeerd uitpakt. Tegenover hem zit Boris Spassky nog steeds even stoïcijns naar het bord te kijken. Menigeen zou na Fischers Lxh2 verschrikt opkijken. "Heb ik me dan toch vergist?!?" Spassky keek met hetzelfde afgemeten gezicht als dat Fischer met 1.e4 zou openen.
"O my God!" Fischer beseft dat hij de partij gaat verliezen. De goden worden op de foto rechts aangesproken. Maar het helpt niet meer. Al vanaf zijn veertiende is hij vastbesloten wereldkampioen schaken te worden. Na Curacao 1962 heeft hij zelf de weg naar het wereldkampioenschap geblokkeerd met een boycot van acht jaar en nu is het na vijftien jaar queeste eindelijk zover. Voor het eerst in zijn leven speelt hij om de wereldtitel. En dan verknalt hij de eerste partij op zo'n ongelooflijke manier. Nog steeds heeft hij nog nooit van Spassky gewonnen. En Spassky staat inmiddels op plus 3 tegen hem. De stelling zelf is iedereen gevoeglijk bekend. Fischer sloeg in een saai lopereindspel met de loper op h2, waarna g3 de terugweg van de loper blokkeert en de loper veroverd wordt. Ook is bekend dat Fischer wel degelijk remise kon maken. Bijvoorbeeld met de manoeuvre h5-h4-h3 in combinatie met g5-g4. Was Fischer zo stom om zowel g3 te missen als die remisewending? Zelfs grootmeesters als Donner beweerden dat. Pas in 1992 zou dit mysterie ontsluierd worden. Twintig jaar later speelt hij opnieuw tegen Spassky en is er een journalist die een vraag stelt over die eerste partij van 1972. Zijn antwoord maakte impliciet duidelijk wat er werkelijk aan de hand was: Fischer wilde compliceren. Hij speelde op winst!
Maar dat viel dus tegen. En op de foto rechtsboven beseft hij dat.
Net als Kasparov, van wie ook alles af te lezen was, zette Fischer zich over de tegenslag heen om vervolgens toch wereldkampioen te worden. Maar in tegenstelling tot Kasparov zag Fischer de gezichtsuitdrukkingen van zijn tegenstander als bruikbare informatie. Toen hij tegen Tal speelde, schreef hij op een gegeven moment de sterkste zet op zijn notatiebiljet. Een paar minuten later streept hij het door en speelt een andere zet. En verliest. "Waarom deed jij die ene zet niet?", vraagt Tal na de partij. "Omdat jij spottend lachte toen ik de zet opschreef", antwoordde Fischer. Tal schrijft echter dat hij glimlachte omdat hij besefte dat zijn tegenstander de beste zet gevonden had.
Tal stond bekend om zijn doordringende blik achter het bord. Tegenstanders waren gelijk al geïntimideerd. Fischer kennelijk ook. Hierboven zie je het verschil. Links de hooghartige dominatie in de blik van Tal; rechts de ogenschijnlijk nederige verlegenheid van Fischer. Fischer is echter nog jong.
Terug naar Geller nu. In de eerste partij tussen Fischer en Geller wordt Efim Geller verpletterend verslagen. In het boek My 60 Most Memorable Games schrijft Fischer na de zevende zet: "En terwijl Geller dit nieuwtje speelde keek hij erg gelukkig." En na zet 11: "Geller keek nog steeds gelukkig." En bij de veertiende zet: "Geller dacht hier een half uur over na en keek niet gelukkig meer."
Kennelijk hield Fischer de gemoedsgesteldheid van zijn tegenstander nauwlettend in de gaten.
En hij was ook zelf in staat die van zijn tegenstander te beïnvloeden. Bekend is de intimidatie in de laatste partij tussen Geller en Fischer. Geller biedt remise aan en Fischer maakt een weinig vleiende opmerking. Geller is zichtbaar van slag. Prompt geeft Geller een paar zetten later zomaar een pion weg.
Het laat onverlet dat Geller één van de weinigen is die een positieve score heeft tegen Fischer. Plus twee over ruim tien partijen. Een uitzonderlijke prestatie. Ondanks het verschrikkelijke verlies in de eerste partij. Ondanks de intimidatie van Fischer.
Links Geller, rechts Fischer. Curacao 1962.
In het schaken hebben we bijvoorbeeld Fischer. Omdat wij hem kennen als één van de beste schakers aller tijden, blijft hij voor ons een legendarische status behouden. Recentelijk hebben we nog de vijftigste verjaardag van de partij van de eeuw gevierd. Wat was het toch ongelooflijk wat hij daar aan spektakel op het bord neerzette! En dat als dertienjarige!
Maar iemand die niet schaakt denkt gewoon: "Wat is dat voor een malloot die daar de meest rabiate uitspraken doet?" Fischer is zeer gevoelig voor onrecht, met name hemzelf aangedaan. Dan raast er een furie van woede door hem heen.
In 1981 meende de politie dat hij voldeed aan het signalement van een bankrover. Hij werd opgepakt en zou er later een boekje over schrijven. Veertien pagina's met één lange tirade. Ter illustratie alleen maar enkele tussenkoppen (van elkaar gescheiden door een streepje): Brutally handcuffed – False arrest – Insulted – Choked –Stark naked – No phone call – Horror cell – Isolation and torture – Mental hospital – Starving and freezing – No water – Sick cop – Police indecency – Threats, enzovoorts, enzovoorts. De titel van het pamflet: "I was tortured in the Pasadena jailhouse!"
Misschien is deze ervaring wel sleutel in zijn antipathie jegens de Verenigde Staten. En het typische is dat hij natuurlijk aan alle kanten gelijk heeft. Wie het leest krijgt de indruk van een redelijk mens, die zich terecht beklaagt over het onrecht dat hem aangedaan wordt. En ik geef het grif toe: het is niet eenvoudig om de juiste toon aan te slaan indien geconfronteerd met onredelijkheid. Maar dat was wel de opgave waar hij op dat moment voor stond. En? Zou hij rustig en begripvol zijn gebleven? Wat denkt u?!?
Eenzaam, daarboven op die heuvel, staat hij dan. Robert James Fischer slaakt daar zijn woedende oerschreeuw.
Hoe het nu met hem gaat? Ach, hij zit ergens in IJsland. De mensen zijn daar aardig en hebben respect voor hem. Naar het buitenland gaat-ie maar niet meer, bang als hij is om (opnieuw) door het gezag ontvoerd te worden. Schaken doet hem niet meer zoveel. In een radio interview op IJsland zei hij recentelijk: "Memorisation is enormously powerful. Some kids of fourteen today, or even younger, could get an opening advantage against Capablanca, and especially against the players of the previous century, like Morphy and Steinitz. Maybe they would still be able to outplay the young kid of today. Or maybe not, because nowadays, when you get the opening advantage, not only do you get the opening advantage, you know how to play, they have so many examples of what to do from this position. It is really deadly, and that is why I don't like chess any more. (…) Chess is completely dead. It is all just memorisation and prearrangement. It's a terrible game now. Very uncreative."
Andere tijden, andere werkelijkheid. Want het leuke is dat steeds meer mensen wel met een partij kunnen meedenken. En met openingsvoorbereiding een ander inpakken: dat kon Fischer zelf als de beste. Juist om dat te vermijden hebben bijna alle topgrootmeesters een repertoire dat zo breed is dat zelfs Kasparov regelmatig merkte dat hij maar beter op eigen kracht kon denken. Het gekrioel van voorbereide varianten was 'm dan teveel.
Fischer aan het trainen, ter voorbereiding op de match tegen Spassky, 1972.
De partij van de eeuw
De offers begonnen met 11... Pb6-a4, gespeeld in de partij van de eeuw: Donald Byrne - Bobby Fischer.

Links dat onsterfelijke moment. Zwart speelt nu 11... Pb6-a4. Later zou hij nog een dame offeren - voor ruim voldoende materiaal overigens. Rueben Fine gaf 11... Pb6-a4 drie uitroeptekens en noemt het een briljante zet. Botwinnik en Flohr noemden het een schokkende en verbijsterende zet. Botwinnik, wereldkampioen op het moment van deze partij (1956): "We zullen nog meer van deze jongen horen."

De partij werd breed uitgemeten in de pers. Rechts een foto van Chess review, december van het bewuste jaar. Lees de tekst in de linkerkantlijn. Op dat moment werd de partij dus al uitgeroepen tot 'game of the century'. Hoe kon een jongen van dertien jaar zo'n partij uit de hoge hoed toveren? Niemand kende hem. "Impossible", fluisterde één van de toeschouwers tijdens de partij. "Byrne is losing to a 13-year old nobody."
Inderdaad. Voor Fischer was het zijn eerste toernooi tussen titelhouders. En niet klaargestoomd door een grootmeester die hem al vanaf z'n zevende bijvoorbeeld speciale begeleiding gaf. Als self-made man kwam hij, als self-made man ging hij. Maar toch ook een kind. Want dat is een jongen van dertien jaar nog. Byrne liet zich op de 41ste zet matzetten. Hij dacht dat 'de jongen dat wel leuk zou vinden.'
Wel leuk zou vinden?!? Rond diezelfde tijd is er een anekdote bekend dat hij op zijn schaakclub vluggerde tegen een andere sterke jeugdspeler. Twee oudere heren kibitzen op de achtergrond. Bobby werpt geïrriteerd zijn hoofd omhoog. Please! This is a chess game!! Uiteraard. Maar natuurlijk: er is niets belangrijker dan schaken. Dat vinden we allemaal. Evengoed is dat voor zo'n jong iemand een opmerkelijke hartekreet. Kennelijk sluimerde toen al de veeleisende professional in hem.
![]() | ![]() |
Hoe onschuldig de jeugdfoto's er ook uit moge zien, later zou Fischer aan het gemis van een vader in zijn jeugd een funeste invloed toekennen. Zijn vader heeft hij nooit gekend. Die verliet zijn moeder toen hij nog maar twee jaar oud was. Fischer: "(...) I have never seen him. My mother has only told me that his name was Gerhardt and that he was of German descent. Children who grow up without a parent become wolves..."
Touché!
Recentelijk overleed Wolfgang Unzicker, en bij zijn necrologie werd telkens het moment van zijn partij tegen Fischer aangehaald, waarin Fischer 'per ongeluk' zijn randpion aanraakt.
Wolfgang Unzicker, hierboven in beeld tegen Boris Spassky en hieronder tegen Max Euwe. Unzicker speelde met name in de vijftiger en zestiger jaren op het hoogste niveau.
Toch dat moment eens opgezocht. Links hebben we die stelling dan. We leven in het jaar 1960. Unzicker heeft wit, Fischer heeft zwart. Fischer aan zet. Hij wil h6 spelen, pakt de h-pion, schuift hem naar voren toe, maar ziet dan dat Lxh6 mogelijk is. Getuigen melden ons dat Fischer vol afgrijzen naar het bord kijkt. Helemaal geschokt. Hij haalt de h-pion van het bord en friemelt er linksboven het bord mee in de lucht, twijfelend over wat hij zal doen. En dan speelt hij h5. Geeft tenminste geen pion weg. Er volgde nog 12... h5 13.e5 dxe5 14.dxe5 Pg4 Toch nog nuttig die pionzet! 15.Lxe7 Dxe7 16.Pe4 Dc7 17.h3 Pxe5 18.Pf6 Kh8 19.Dg5 Pxd3 20.Txd3 gxf6 21.Dxh5 Kg8 22.Dg4 en zwart gaf op. Op de volgende zet volgt Tg3 en zwart gaat mat. De zet h5 is immers een dodelijke verzwakking.
Over dezelfde vingerfout zijn vervolgens allerlei verhalen ontstaan. Fischer zou 'per ongeluk' met zijn randpion hebben zitten friemelen en toen ontdekt hebben dat hij er ook nog een zet mee moest doen. Aanraken is zetten, immers.
Maar zo ging het niet. Op afstand keek Unzicker overigens toe. Hij zag dat Fischer de h-pion aanraakte, zag dat Fischer twijfelde, en ook dat Fischer er alsnog een zet mee deed. Unzicker: If Fischer had moved another piece I was determined not to protest. But ever since this moment I have known that Fischer is a gentleman at the chessboard.
Na afloop van zijn gewonnen match om het wereldkampioenschap tegen Spassky trok Fischer zich uit de schaakwereld terug. Een wereldkampioen mocht volgens hem geen fouten meer maken. Perfectionist als hij was. Wetende ook hoe onverdraaglijk het maken van fouten is.
Alleen in de eerste partij tussen Fischer en Spassky zijn foto's gemaakt. Daarna legde Fischer er een veto op. Omdat hij in diezelfde eerste matchpartij de beroemde zet Lxh2 speelde, zijn dat prachtige foto's geworden. Links realiseert Fischer zich dat hij ergens een verschrikkelijke rekenfout gemaakt heeft.
Best by test
Hierboven een scan uit een tijdschrift van 1963 (Chess Life, waarbij het artikel "Fischer talks chess" heet). Fischer zegt direct na 1.e4: Best by test. Lees maar in het plaatje hierboven. In My 60 Most Memorable Games herhaalt hij deze uitspraak.
Dan volgt in 1964 een bespreking van Fischer van een partij tussen Dubois and Steinitz (London, 1862). Fischer begint zijn commentaar met: 'The players of 1862 knew something very valuable that the players of today would do well to make note of: 1 P-Q4 leads to nothing!'
1.d4 leidt tot niets!
Zo! Is dat ook maar weer gezegd!
Laat onverlet dat Fischer de enige wereldkampioen is die bijna altijd met 1.e4 opende. Af en toe 1.c4, als verrassingswapen, en dat is niet zo vreemd, omdat hij dan regelmatig een soort van Siciliaans in de voorhand speelde. Maar nooit 1.d4. Nooit? Helemaal nooit? Net zo nooit als heel Gallië bezet was door Caesar terwijl dat ene kleine dorpje in Normandië toch nog weerstand bood? Echt helemaal nooit?
Dat zoeken we op!
En inderdaad. Precies zoals ik verwacht had. Fischer heeft wel degelijk een keer 1.d4 gespeeld! Dat was in 1970, tegen Hort. Zo rond 1970 kunnen we spreken van de "onoverwinnelijke periode" van Fischer. Hij won alles en van iedereen. Toernooien werden met 2 punten voorsprong op zijn naam geboekt en matches met 6-0 gewonnen.
Ach ja, zo zal Fischer gedacht hebben, als ik toch alles win kan ik net zo goed met 1.d4 openen. Hort zal ongetwijfeld im tiefem Schock geraakt zijn. 1.d4!! Daar had hij zich niet op voorbereid. Hort kromde zijn rug en probeerde er toch nog iets van te maken. 1.d4 was de opening, Slavisch was de verdediging.
Maar wat doet Fischer?? Hij zet de ruilvariant op het bord!! Geen wonder dat hij 1.d4 helemaal tot niets vindt leiden!
Nu weet ik dat er spelers zijn die deze variant toch nog enige hoop toedichten, maar op hoog niveau is dit echt de 'welterusten'-variant. Fischer ruilt vervolgens de dames, alle lichte stukken en tot slot nog alle torens. Nog even afgezien van het feit dat de ruilvariant an sich al weinig ambitieus is, leidt alle stukken afruilen al helemaal nergens toe, Alleen maar koningen en wat pionnen op het bord! Hort houdt probleemloos remise. Uiteraard!
Het was de laatste keer dat Fischer zich bezondigde aan 1.d4. Leidt nergens toe! Hij heeft het zelf ervaren!
Fischer en de zelftwijfel
Hierboven Bobby Fischer, spelend tegen Paul Keres in het roemruchte toernooi van 1962, waarbij Fischer de Russen ervan beschuldigde elkaar te sparen met korte remises terwijl ze tegen hem voluit gingen. Later, met name toen de Berlijnse muur viel, bevestigden de Russen zijn complottheorie. Zijn enige complottheorie die op waarheid berust, zo meen ik nu te mogen begrijpen.
Maar ik ga even terug naar 1975, toen Fischer weigerde zijn titel te verdedigen, waardoor Karpov automatisch wereldkampioen werd. Toen Karpov recentelijk terugblikte op dat moment, viel hem in die tijd met name een uitspraak van Fischer in de media op. Fischer zei toen dat "een wereldkampioen eigenlijk geen fouten zou mogen maken". Tsja, merkte Karpov toen laconiek glimlachend op, "Dat kan gewoon niet. Als je er zo tegen aan kijkt, is schaken inderdaad een frustrerende aangelegenheid."

Petrosian, hierboven spelend tegen Geller in datzelfde roemruchte toernooi van 1962, was ook een speler die last had van dergelijke frustraties. Hij was een geniaal speler, maar kon zijn angst om te verliezen verbloemen met soms wel heel erg prophylactisch spel. Evengoed won ook deze oud-wereldkampioen menig potje.

Misschien komt de angst van Petrosian wel voort uit ervaringen die je liever niet nog een keer wilt meemaken. Links een diagram die Jan Hein Donner meerdere keren in zijn schaakrubrieken in beeld gebracht heeft. Als speler roemde hij Petrosian volop, maar wat bezielde dit genie om, met wit spelend tegen Bronstein in de kandidatenmatch van 1956 te Amsterdam (en Donner was daar toen getuige van), Pe4-g5 te spelen?? Huizenhoog gewonnen stond hij; zijn tegenstander had hij met briljant spel volledig overspeeld. Na ... Pxd6 gaf Petrosian gelijk maar op.
En toch kun je maar beter strijdend ten onder gaan, dan te leven in angst.
De dood van Bobby Fischer
Robert Beekman
Bobby Fischer. Dood. Aan nierfalen, zo lees ik. Nierfalen is geen ziekte op zichzelf. Het is een gevolg, bijvoorbeeld van diabetes. Heden ten dage is een ongezonde leefstijl een belangrijke oorzaak: te veel ongezonde vetten, te weinig groente en fruit, te weinig lichaamsbeweging. Ook Tal stierf aan nierfalen, en bij hem ging het wel om een nierziekte - van jongs af aan had hij er al last van. Voeg er zijn ongezonde levenstijl (teveel drank en sigaretten) aan toe, en dan krijgen we een aardig plaatje. Ik weet niet wat het bij Fischer was, maar afgaand op wat ik gezien en gehoord heb, dronk en rookte hij niet, en deed hij ook regelmatig aan lichaamsbeweging.
Fischer in voorbereiding op de match tegen Spassky.
Maar hij zag er wel verschrikkelijk slecht uit voor zijn leeftijd. Met name op de foto's na zijn gevangenschap in Japan. En ook op de foto's die daarna genomen zijn.
Nieren regulieren de bloeddruk en omgekeerd leidt een te hoge bloeddruk tot schade aan de nieren. Niet te veel zout eten, dus. Maar ook niet te veel opwinden. En als er iets is dat Fischer permanent te veel deed, dan was het wel leven in een permanente staat van furieuze opwinding over van alles en nog wat. Raging Bull. Telkens weer opnieuw beleefde Fischer onvoorstelbare onrechtvaardigheid en telkens weer opnieuw moest daar fel tegen geageerd worden. Als eenling tegen de Russen was hij een ikoon, een boegbeeld die streed tegen het Sovjet-imperialisme. In de kilte van de koude oorlog was hij de laatste frontier van de Vrijheid en bereikte hij daarmee een ongekend hoogtepunt. Maar Fischer wás geen anti-communist. Hij was gewoon simpelweg anti. Want later bleek dat hij net zo woest tegen de Amerikanen kon schreeuwen. En later bleek zijn onbeschrijflijk antisemitisme een schier onpeilbaar dieptepunt.
Zoekend naar de oorzaken van zijn exorbitante uitspraken heb ik veel theorieën de revue zien passeren. Als eerste is genoemd dat hij zijn vader na zijn tweede levensjaar niet meer teruggezien heeft. "Als je zijn vader noemde, sprak hij twee dagen niet tegen je." Hij zou daar een onherstelbaar trauma aan hebben overgehouden. Fischer zei dat trouwens zelf ook: "Children without a father grow up to be wolves."
En dan wordt genoemd dat zijn wantrouwen vaak ook terecht was. Hield de CIA hem per slot niet in de gaten? Werd hij dan niet afgeluisterd door de FBI? Spraken de Russen dan niet een paar remises af in Curacao 1962? Maakten die kinderen dan niet te veel herrie op de gang? Konden de toeschouwers dan niet schandalig dicht bij de borden komen?
Weer een andere reden werd aangedragen door Seirawan, die in 1992 uitgebreid met Fischer gesproken had. Seirawan beweerde dat Fischer er in zijn jeugd achter kwam dat hij geld kreeg voor simultaans, maar dat tussenpersonen het meeste geld in hun zak hielden. Joodse tussenpersonen, wel te verstaan.
Het viel me op dat Seirawan dit zonder blikken of blozen voor de camera mededeelde. Alsof het heel normaal is voor iemand die zoals Fischer zelf halfjoods is, om hierin de rechtvaardiging te vinden voor de meest schokkende antisemitische uitspraken. Ontkenning van de holocaust was dan nog een halfzacht statement.
Maar het meest schokkend was nog zijn reactie op 9-11, toen vliegtuigen de twee torens van de World Trade Centre doorboorden en dood en verderf zaaiden. Fischer: "Death to president Bush! Death to the United States! This is a wonderful day! Fuck the United States! Cry, you, cry, babies! Wine, you bastards! Now your time is coming!" En dan met een gierend gillende stem vol haat, razernij en furie.
Van een rustige, verlegen jongen is Fischer geleidelijk aan steeds extremistischer geworden, steeds feller in zijn woorden. En hoe vervelend het ook is wat hem overkomen is, niet iedereen reageert naar aanleiding van deze "trauma's" hetzelfde als hij. Fischer is niet mishandeld in zijn jeugd of dergelijke. Zijn moeder hielp hem; regelde schaakvriendjes en schaakclub. Zijn zusje hielp hem; kocht schaakbord en leerde hem schaken. De schaakclub hielp hem; gaf training en regelde toernooien. De joden van de schaakclub hielpen hem. De FIDE hielp hem door regels aan te passen. Wedstrijdleiders waren hem gunstig gezind en bezweken onder zijn psychologische druk. Buitenstaander hielpen hem; met geld, veel geld. En los daarvan waren er nog vele andere mensen die graag zijn vriend wilden zijn en hem bij van alles en nog wat ten dienste waren.
Het missen van een vader hoeft van mensen geen wolven te maken.
En dat brengt ons bij de enige redelijke verklaring die over blijft. En die zit 'm in Fischer karakter. In zijn persoonlijkheid. Die heeft hem wereldkampioen gemaakt. Die heeft de behoefte anderen te kwetsen en kapot te maken. Die heeft hem vereenzaamd. Die heeft hem de dood ingedreven.
Hierboven en hieronder: twee opvallende foto's van Fischer. Op IJsland genomen.
Hoewel menigeen beweert dat hij de beste schaker aller tijden is, komt hij in alle rijtjes waarbij berekening aan de pas komt voorbij de vijfde plaats. Eigenlijk is er maar één periode die zijn legende als schaker bekrachtigt, namelijk tussen 1970 en 1972. Toen was hij werkelijk onoverwinnelijk. Uiteraard, hij speelde vreselijk sterk. Maar dat hebben anderen ook gedaan. Het is meer de metafoor van de eenling die in z'n eentje een heel imperium verslaat wat hem zo beroemd heeft gemaakt. En het feit dat hij Amerikaan was. Legende is voor 50 % waarheid, 50 % mythevorming.
Dat geldt ook voor 'The game of the century'. Toegegeven, een mooie partij, zeker voor iemand die dertien jaar oud is, maar het spijt mij te moeten zeggen dat ik toch mooiere partijen gezien heb in de twintigste eeuw. Shirov was twee jaar jonger toen hij onder andere drie stukken liet instaan en op fabelachtige wijze zijn tegenstander wegofferde. Deze partij is nooit bekend geworden.
Druk op de eclips en u kunt 'The game of the century' naspelen. Er zitten inderdaad hele goede zetten in. Maar de commentators hebben er meer van gemaakt dan reëel is. N.B.: let op het moment dat er vier uitroeptekens gegeven worden.
De anti-psychiatrie
Ooit zei Bobby Fischer over Euwe: "Met die man is iets vreemds aan de hand. Die man is veel te gewoon. Dat kan niet normaal zijn."
Deze uitspraak wordt door Euwe's bibliografen graag aangehaald om vooral Euwe te typeren. Een mooi startpunt, inderdaad. Kunnen we gelijk meer over Euwe vertellen. Maar het is natuurlijk veel interessanter om naar Fischer zelf te kijken. Echter, in de biografieën over Fischer heb ik deze uitspraak nog niet gevonden.
Fischer groeide op in de tijd van de antipsychiatrie. Begin zestiger jaren kwam er een nieuwe stroming opzetten waarbij psychiatrische patiënten als slachtoffers gezien werden van een maatschappij die zichzelf verstikt door krampachtig normen overeind te houden over wat normaal is. Iedereen die afwijkt van de burgerlijke normen wordt door de samenleving verstoten en wordt daardoor vanzelf gek.
Wie is nu normaal? Dat was de aanklacht. Door 'gek' te heretiketteren als 'anders' werd de bal teruggespeeld naar zij die zichzelf als normaal beschouwden en anderen als gek bestempelden. Thomas Szasz publiceerde zijn beroemde boek The myth of mental illness en maakte daarin duidelijk dat psychiatrie een middel is van de Westerse samenleving om mensen te modelleren zoals zij zelf wil. Een wereldberoemde uitspraak van Szasz:
Als jij tegen God praat, dan bid je. Als God tegen jou praat, dan ben je gek. Als de doden tegen je praten, dan ben je een spiritist. Als jij tegen de doden praat, dan ben je schizofreen.
Onder maatschappijcritici werd het mode om normaal en niet-normaal om te keren en dat is precies wat Fischer doet. Hij deed de uitspraak in een tijd dat hij - achteraf bezien - nog redelijk normaal was. Later, in de negentiger jaren, zouden de remmen bij Fischer pas echt los gaan. Toen was de antipsychiatrie inmiddels weer achterhaald. Binnen negentiger jaren werd ontdekt dat schizofrenie wel degelijk een ziekte was. Een ziekte die fysieke oorzaken had en die niet met therapie behandeld kón worden, maar die medicatie behoefde. Had Szasz dus toch ongelijk. En ook weer gelijk, want de psychotherapie van de zestiger jaren was dus grote flauwekul.
Desalniettemin: de boodschap van de antipsychiatrie heeft tot op de dag van vandaag sterke weerklank gevonden in de samenleving. Iedere tiener kent tegenwoordig de retorische vraag "wie is hier eigenlijk normaal"? Met dank aan de antipsychiatrie.
De uitspraak van Fischer laat zien dat hij zich al jong realiseerde dat hij afweek van de norm. En hij maakte van zichzelf een rebel. Nog een keer Thomas Szasz:
"Het gevecht om de definitie van wie gek is en wie normaal is, is onmiskenbaar een gevecht om het leven zelf. In een gezin kunnen bijvoorbeeld man en vrouw, moeder en kind niet met elkaar opschieten. Wie wordt gedefinieerd als lastig of geestelijk gestoord? Degene die als eerste het woord te pakken krijgt, legt de werkelijkheid op aan de ander. Degene die definieert is dus de sterkste en leeft. Degene die wordt gedefinieerd wordt onderworpen en kan er aan onderdoorgaan."
Fischer heeft die strijd verloren. Maar een strijder bleef hij - tot het eind van zijn leven.
![]() | ![]() |
Twee keer hebben Fischer en Euwe tegen elkaar gespeeld. Links een partij uit 1957, toen Fischer nog veertien jaar oud was. Euwe heeft wit en heeft net Pf4 gedaan. Een doortrapte stelling. Ogenschijnlijk is er niets aan de hand. Maar de stelling is heel gevaarlijk. Achteloos speelde Fischer 13... Db6. De actiefste zet. En de verliezende zet. Er volgde: 14.Lxf6 Lxf6 15.Dd3 Tfd8 16.Tae1 Pb4 17.Dh7 Kf8 18.a3 Pxc2 19.Pcxd5 Txd5 20.Pfxd5 en zwart geeft op. Helemaal geforceerd en niets tegen te doen.
Rechts een stelling van drie jaar later, tijdens de Olympiade van Leipzig. Fischer heeft wit en Euwe is aan zet. Hij slaat eerst op c3 met zijn paard en doet daarna Dd7. Wit kan nu Tb1 spelen, staat actief en zal ook winnen. Als zwart direct Dd7 had gedaan was er niet zoveel aan de hand geweest.
Fischer als hij 17 jaar is en een schaaksimultaan geeft in een gevangenis.
Menschliches, alzu menschliches
1975. De match Fischer - Karpov kwam er aan. Maandenlang, jarenlang verkeerde de schaakwereld in onzekerheid. De onderhandelingen begonnen al in 1973 en betroffen het zogeheten "9-9 proposal". September 1973 stelde de (Amerikaanse) vice-president van de FIDE een match voor die zou gaan om 10 overwinningen, met als toevoeging dat bij 9-9 het geld verdeeld zou worden, maar de wereldkampioen de titel zou behouden. Fischer steunde vervolgens dit voorstel.
De Russen protesteerden. Zij stelden dat dit impliceerde dat de uitdager dus met twee punten verschil zou moeten winnen. Minimaal 10 tegen 8, immers. Vervolgens ontspon zich een langdurig proces van lobby en onderhandeling over dat "9-9 proposal". De tien overwinningen waren al vastgesteld; daar kon iedereen zich wel in vinden. Maar het "9-9 proposal" bleef onderwerp van felle discussie.
Fischer in Chess Life november 1974:
The whole idea is to make sure the players draw blood by winning games, and the spectators get their money's worth. (...) Steinitz, Tchigorin, Lasker (too), Gunsberg, Zukertort, etc. all played under the ten win system I proposed (and some matches with the 9-9 tie clause). Yet the Russians pretend that I'm asking for an UNPRECEDENTED advantage. Incidentally, Larry, the Capa-Alekhine match DID have a draw clause at 5-5. Yes, Alekhine had to win by 6-4 to take the title just the same as my match proposal.
De geschiedenis is niet helemaal duidelijk, overigens. Historici discussiëren nog over de vraag of dit waar is. Edward Winter, deskundige bij uitstek, concludeert dat Capa van plan was bij 5-5 voor te stellen de match af te breken in gelijk spel, en daarna gelijk een nieuwe match uitschrijven van een beperkt aantal partijen. Een ingewikkelde "overtime" constructie, dus. Het WK wordt afgebroken en later voortgezet. Euwe probeerde begin 1975 nog te bemiddelen en haalde deze constructie nog op tafel. Bij 9 - 9 tussenstand, wordt de match afgebroken en volgt er een verkorte match van tien partijen. Karpov zou dan met minimaal 5,5 - 4,5 moeten winnen om wereldkampioen te worden. Dit voorstel zou het gehaald hebben, maar is afgewezen door Fischer.
Maart 1975 volgde een speciale FIDE-conferentie en is het "9-9 proposal" in stemming gebracht. 32 stemden voor. 35 stemden tegen. Opvallend was dat, naast Noord-Amerika natuurlijk, ook de rest van Amerika, Afrika en Azië pro Fischer stemden. De communistische landen en West-Europa stemden tegen.
Verworpen.
Fischer weigerde te spelen.
Op 3 april 1975 werd Karpov tot wereldkampioen uitgeroepen.
Heel onwezenlijk allemaal. Opeens verdween er een topschaker van het wereldtoneel. Veel schakers konden gewoon niet geloven wat er gebeurd was. Andere schakers stelden dat de match toch niets voor Fischer was geworden, omdat hij de drie jaar na het WK geen enkele schaakpartij gespeeld had. Dat laatste was geheel in strijd met de belofte die Fischer direct na het behalen van de wereldtitel had gedaan. Hij zou veel spelen, heel veel spelen. Hij zou elk jaar zijn titel op het spel zetten. Hij zou andere schakers een kans geven om hem te verslaan.
Reeds in 1962 gaf Fischer het volgende antwoord op de vraag wat gaat hij doen als hij wereldkampioen wordt:
First of all, I'll make a tour of the whole world, giving exhibitions. I'll charge unprecedented prices. I'll set new standards. I'll make them pay thousands. Then I'll come home on a luxury liner. First-class. I'll have a tuxedo made for me in England to wear to dinner. When I come home I'll write a couple chess books and start to reorganize the whole game. I'll have my own club. The Bobby Fischer ... uh, the Robert J. Fischer Chess Club. It'll be class. Tournaments in full dress. No bums in there. You're gonna have to be over eighteen to get in, unless like you have special permission because you have like special talent. It'll be in a part of the city that's still decent, like the Upper East Side. And I'll hold big international tournaments in my club with big cash prizes. And I'm going to kick all the millionaires out of chess unless they kick in more money. Then I'll buy a car so I don't have to take the subway any more. That subway makes me sick. It'll be a Mercedes-Benz. Better, a Rolls Royce, one of those fifty-thousand-dollar custom jobs, made to my own measure. Maybe I'll buy one of those jets they advertise for businessmen. And a yacht. Flynn had a yacht. Then I'll have some more suits made. I'd like to be one of the Ten Best-dressed Men. That would really be something. I read that Duke Snyder made the list. Then I'll build me a house. I don't know where but it won't be in Greenwich Village. They're all dirty, filthy animals down there - lower than cats and dogs. Maybe I'll build it in Hong Kong. Everybody who's been there says it's great. Art Linkletter said so on the radio. And they've got suits there, beauties, for only twenty dollars. Or maybe I'll build it in Beverly Hills. The people there are sort of square, but like the climate is nice and it's close to Vegas, Mexico, Hawaii, and those places. I got strong ideas about my house. I'm going to hire the best architect and have him build it in the shape of a rook. Yeah, that's for me. Class. Spiral staircases, parapets, everything. I want to live the rest of my life in a house built exactly like a rook.
Voorafgaand aan de match tegen Spassky beweerde hij het voordeel van de wereldkampioen (tegenstander moet met een punt verschil winnen) gelijk van tafel te vegen. Een strijd om 10 overwinningen doet dat overigens ook. Wereldkampioen en uitdager hebben dan gelijke kansen. Maar na de match wilde Fischer toch weer een voordeel (groter dan ooit) voor de wereldkampioen instellen. Menschliches, alzu menschliches, zou Nietsche zeggen. Vóór de match protesteerden vroeger alle uitdagers dat het voordeel van de wereldkampioen (tegenwoordig verdwenen) onterecht is. Ná de match hield de nieuwbakken wereldkampioen om principiële redenen vast aan ditzelfde voordeel.
Bobby Fischer
Tijdnood
Robert Beekman
Eén van de lastigste onderdelen in schaken is het omgaan met tijd. Telkens weer taxeren of het nog zin heeft om een bepaalde variant wel of niet goed door te rekenen. Het middenspel is bij uitstek de fase waar de meeste tijd aan gespendeerd wordt bij schaken. Het eindspel moet dan maar wat sneller gespeeld worden.
Reshevsky was één van die notoire tijdnoodschakers. En hij was daar tamelijk optimistisch over. Volgens Sammy was het helemaal niet zo ongunstig dat hij altijd in tijdnood zat. Hij had de stelling dan juist bijzonder goed doorgrond en wist precies wat hij in de laatste fase voor de tijdcontrole moest spelen. Bovendien werden zijn tegenstanders juist heel erg nerveus. Het was dus zelfs een psychologisch voordeel!

Links Reshevsky - Fischer, 1961. Gespeeld in een onderlinge match. Vorige week las u al dat Reshevsky niet naar de Olympiade van Leipzig (1960) wilde komen, omdat hij per se achter het eerste bord wilde plaatsnemen. Fischer was toen nog maar zeventien jaar oud, en uiteraard was Reshevsky het dik en breed vergeten dat hij zelf ook ooit wonderkind geweest was. Een paar maanden later (januari 1961) wint Fischer het kampioenschap van de Verenigde Staten met 9 uit 11. Reshevsky verklaart vervolgens publiekelijk dat Fischer 'toevallig' wel het nationale kampioenschap gewonnen mocht hebben, maar dat hij in een onderlinge match absoluut de betere papieren zou hebben. Fischer, minimaal zo principieel als Reshevsky, laat dit uiteraad niet over zijn kant gaan en neemt de impliciete uitnodiging aan.
Niet eerder was de spanning zo om te snijden in een match! Op een gegeven moment weigerden de beide kemphanen nog langer met elkaar te praten. Reshevsky vond het te warm en wilde dat de airconditioning aangezet werd. Uiteraard had Fischer het juist weer te koud; van hem moest de verwarming áán.
Uiteindelijk zou de match bij 5,5 tegen 5,5 gestaakt worden. Reshevsky was orthodox joods en wilde de twaalfde partij op zaterdag graag vroeg spelen, vóór zonsondergang. Fischer weigerde op zo'n vroeg tijdstip te spelen en bleef weg, waarop de partij reglementair aan Reshevsky toegekend werd. Fischer dreigde daarop uit de match te stappen. De voorzitter van de American Chess Federation greep in en zei dat voortaan op het afgesproken tijdstip gespeeld moest worden. Maar toen ontstond het volgende dilemma: is de volgende partij nu de dertiende of de twaalfde? Volgens de toernooiorganisatie had Fischer zonet de twaalfde partij reglementair verloren, maar Fischer claimde - net als Kramnik tegen Topalov - dat hij ten principale gelijk had gekregen en dat dus de twaalfde partij overnieuw gespeeld moest worden. En net als bij Kramnik tegen Topalov werd dat geweigerd. Reglementair verliezen is reglementair verliezen, ook al heb je gelijk!
Maar Fischer was op achttienjarige leeftijd reeds principiëler dan Kramnik: hij stapte uit de match. De organisatie gaf hem 35 % van het prijzengeld - het geld van de verliezer. Fischer kondigde vervolgens aan juridisch te procederen - en deed dat ook. Hij verloor, evenwel.

Terug nu naar die ene stelling. Reshevsky heeft nu, in de vijfde matchpartij, winnend voordeel. We weten inmiddels dat de inzet het allerhoogst denkbare is: de Eer van de Schaker! Beide spelers zitten verbeten achter het bord. Beiden willen winnen.
Het handigste is nu 33.Txb6. Wint simpel. Zwart komt met zijn pionnen op de koningsvleugel opzetten, en daarom moet wit zo snel mogelijk promoveren. Maar wit zit in hoge tijdnood! Om deze gewonnen stelling te bereiken had hij zijn tijd goed besteed, maar nu nog in vliegende tijdnood acht zetten afraffelen! Reshevsky speelde 33.Tc2. Niets aan de hand. Wit staat nog steeds gewonnen. Er volgde 33.Tc2 Td3 34.Txb6 Txe3 35 a5 f4.

Op dit moment is 36.Tb4 opnieuw winnend. Wit gaat aan het paard hangen waardoor de zwarte toren niet meer flexibel is. Op het moment dat zwart matdreigingen opstart, kan wit alsnog de kwaliteit offeren en met de eigen pion promoveren. Reshevsky speelde echter - met de vlag op vallen - 36.Tf2. Hij dacht dat zwart de witte pion nu al niet meer kon tegenhouden. Maar dat was niet zo. 36.Tf2 Pxf2 37.Kxf2 Te5 38.b4 Te3! 39.a6 Ta3.

De laatste zet voor tijdcontrole! Wit speelt 40.Tc6 - de verliezende zet. 40.b5 had nog remise gehouden. En Fischer geeft zijn winstpositie niet meer uit handen. Allicht niet. Hij zat de hele partij ook niet in tijdnood. Hij kwam überhaupt zelden in tijdnood.
Tijdnood! In een paar zetten tijd verdwijnt het winnende voordeel als sneeuw voor de zon. Totaal gewonnen - gewonnen - remise - verloren. Had Reshevsky maar net iets langer kunnen nadenken!
Overigens zou Fischer in 1967 opnieuw van Reshevsky winnen. Reshevsky kwam toen keurig op tijd opdagen en bracht met een harde dreun de klok van zijn tegenstander in werking. En toen wachtte hij. En wachtte hij. En wachtte hij. Dit duurt wel heel erg lang voordat Fischer komt opdagen. Zou er iets gebeurd zijn? Twee en en half uur voor veertig zetten had je toen nog. Twee uur en vijfentwintig minuten tikten genadeloos voorbij. Met nog vijf minuten op de klok kwam Fischer ineens binnenstormen (het FIDE-uurtje bestond kennelijk nog niet). Vijf minuten nog maar! En hij timmerde Reshevsky gewoon van het bord af.
Of hij het er om deed, weet ik niet. Maar ik stel me zo voor dat Fischer onmiskenbaar een punt wilde maken: ik zal jou wel eens laten zien hoe je in tijdnood moet spelen!
Links Reshevsky, rechts Fischer, in hun beladen match van 1961.
Opnieuw: links Reshevsky, rechts Fischer.
Het spektakel
Wie spektakel op het bord wil krijgen, is daarbij voor een groot deel afhankelijk van de eigen openingskeuzes. In sommige openingen / verdedigingen is de kans op offers aanzienlijk groter dan bij andere.
Je hebt daarbij wel de juiste mentaliteit nodig. Een paar citaten van twee beroemde grootmeesters:
Tal: "Een oud Russische spreekwoord luidt: de vader sloeg zijn zoon, niet omdat hij gokte, maar omdat hij het verloren materiaal probeerde terug te winnen."
Fischer: "Als je materiaal kunt pakken, doe dat dan. Tenzij je een goede reden ziet om dat niet te doen."

Eén van de mooiste schaakfoto's die ik ken: Tal geeft Fischer een bloem, terwijl ze gebroederlijk samen opwandelen.
Inderdaad, Fischer en Tal hadden een goede verstandhouding. Fischer zocht als enige schaakcollege Tal ook in het ziekenhuis op. Hij had met veel meer Russen een goede verstandhouding. De keerzijde van iemand die tegelijkertijd over de Russen kon razen en tieren en uitspraken deed als: "I like the moment when I break a man's ego."
Fischer offerde ook regelmatig, maar niet zo speculatief als Tal. De twee citaten boven de foto geven aan dat er twee spelers nodig zijn om spektakel op het bord te krijgen: één die aan het offeren slaat, en de ander die het toestaat of misschien zelfs uitlokt en aanneemt.
Wie was Bobby Fischer eigenlijk?
Dit voorjaar verscheen een nieuw boek over Fischer. Eindspel. Het zoveelste boek, maar we kunnen er natuurlijk niet genoeg van krijgen. Schrijver Brady kende Fischer al van kinds af aan, toen Bobby nog maar zeven jaar oud was en hijzelf een paar jaar ouder. Al zestig jaar is Brady de volgende vraag gesteld: wat voor iemand was dit Bobby Fischer eigenlijk? Met dit boek wilde Brady een antwoord geven op deze vraag en hoewel het een mooi en goed boek is, maakt hij die ene belofte niet echt waar.
Of het zou de eerste alinea van het boek moeten zijn, namelijk dat Fischer een man vol tegenstellingen is. Citaat:
Omdat ik Bobby Fischer al van heel jonge leeftijd heb gekend, is mij honderden keren de vraag gesteld: "Hoe was Bobby Fischer nou ècht?" Dit boek is een poging die vraag te beantwoorden. Maar ik waarschuw degenen die dit boek lezen: aan paradoxen geen gebrek. Bobby was gesloten, maar ook openhartig; royaal, maar ook gierig; naïef, maar ook goed ingelicht; wreed, maar ook vriendelijk; religieus, maar ook een ketter.
We kunnen ons hier alles bij voorstellen.
Wat Brady wel doet is een heleboel anekdotes verzamelen, inclusief beschrijvingen van zijn gedrag en uitspraken. Hij laat het aan de lezer zelf over om conclusies te trekken – wat natuurlijk prima is. Ook ik heb zo mijn eigen gedachten na het lezen van dit boek. Volgens mij zijn er twee sleutelmomenten geweest in Fischers leven.
Het eerste moment is de winst op Donald Byrne. Hij is dan 13 jaar oud en de kranten schrijven dat Fischer 'The Game of the Century' speelt. Iedereen voorspelt hem een grootse schaaktoekomst. Vóór dat moment was Bobby een rustige, verlegen, bescheiden jongen. Ná dat moment is hij een zelfbewuste jongeman die niet over zich heen laat lopen.
Het tweede moment is het binnenhalen van de wereldtitel. Die wereldtitel valt hem als 29-jarige later toe dan verwacht, maar hij heeft dan wel twee jaar lang een ravage achtergelaten in de schaakwereld en haalt overtuigend de wereldtitel binnen. Daarvóór was Bobby veeleisend, maar niet per se onredelijk. Hans Bouwmeester vertelde me ooit over de schaakolympiade van Lugano, 1968. Fischer loopt de speelzaal binnen en zegt tegen de organisatoren dat de belichting heel slecht is, de geluidsisolatie beroerd en de toeschouwers kunnen over de schaakborden meekijken. Knap waardeloos! Hij stelt vervolgens zijn eisen. De organisatoren antwoorden hem: "Ja, maar mijnheer Fischer… Botwinnik doet mee, Tal doet mee, Petrosian doet mee, Spassky doet mee. Dat zijn wereldkampioenen! Waarom zouden we u bevoorrechten?" "Dat klopt," zei Fischer, "maar ik ben Bobby Fischer en voor mij komen ze." Vervolgens pakt hij het eerste vliegtuig retour. "Dit kost hem 20.000 dollar", vertelde Robert Byrne, teamcaptain van het Amerikaanse team. In die tijd een enorm bedrag.
Maar zijn collega schakers waren het helemaal met Fischer eens. Ze schikten zich zwijgend, maar waren het wel met hem eens. Zoals ik al zei: vóór het binnenhalen van de wereldtitel was hij veeleisend, maar niet per se onredelijk. Daarná is onredelijkheid troef. Direct na het wereldkampioenschap van 1972 begint het rabiate complotdenken al en vertelt hij absurde verhalen over de Joodse wereldsamenzwering. Zijn hele leven lang is hij dat niet meer kwijtgeraakt.
Ontluisterend is het bezoek bij zijn zuster. Na drie dagen stilzwijgend aanhoren van zijn razernij en tirades over de joodse wereldsamenzwering , vraagt zij hem te vertrekken. Ze snapt er niets van, want broer en zus zijn allebei halfjoods. Bobby was zelfs waarschijnlijk geheel joods. De vader van Fischer was niet de Duitser Hans-Gerhardt Fischer, maar de joodse Hongaar Paul Felix Nemenyi. Moeder Fischer koos voor Hans-Gerhardt Fischer, waarschijnlijk om de oudere zus van Fischer dezelfde vader te geven als Bobby – in die tijd handig. Maar in 1942 was moeder Regina al in de Verenigde Staten en vader Hans-Gerhardt in Chili. Er is lang gezocht naar bewijs dat ze bij elkaar in de buurt geweest zijn, maar niet gevonden. Overigens, Bobby Fischer heeft ooit tegen een vriend gezegd dat hij en zijn zus Joan niet dezelfde vader hadden. Als dit impliceert dat hij wist dat hij zelf geheel joods was, wordt het verhaal alleen maar vreemder.
Maar het ging me om die twee sleutelmomenten. Het bereiken van de ultieme roem heeft bij Fischer twee keer een verandering in zijn persoonlijkheid teweeg gebracht. Het eerste moment maakte hem uitzonderlijk assertief. Het tweede moment tilde hem over de grens van redelijkheid heen – in de richting van complete ontsporing.
Bobby Fischer als kind...
... als jongeman ...
... op middelbare leeftijd ...
... en als hij oud is.
Double bind
Robert Beekman
Van de zomer kreeg ik de nieuwe Matten in huis. Een hommage aan Fischer. Toen hij overleed werd er op het Corus toernooi een minuut stilte in acht genomen. Op televisie verscheen Hans Böhm, die geëmotioneerd probeerde uit te leggen waarom Fischer zo bijzonder was. Witteman en Pauw konden maar moeilijk begrijpen wat hij bedoelde. Vele schakers over de wereld, waaronder Kasparov, eerden zijn schaakprestaties. Zo moeten we ons hem maar herinneren - als een groot schaker. En niet als de schaker die het schaken meer kwaad heeft gedaan dan wenselijk is. Hoe kan dat ook anders; wie durft er kwaad te spreken over de doden?
Het graf van Fischer op IJsland. Let op de tekst van het bord: rest in peace. Ongetwijfeld welgemeend.
Het meest wreed is het proces van psychologiseren. Geconfronteerd met de double bind gaat de schaker op zoek naar een verklaring. Garry Kasparov verwijst naar innerlijke conflicten. Jan Timman verwijst naar naïviteit (Fischer kon hem niet uitleggen waar al die zes miljoen joden gebleven waren). Hans Ree zegt dat Fischer het niet zo bedoeld heeft (hoe kan dat ook anders, hij was zelf half-joods, deelde Fischer hem in vertrouwen mede). In de weblogs op internet valt het op dat gezocht wordt naar terechte redenen waar Fischer een beroep op kan doen. Voorbeelden van onrecht dat hem aangedaan is.
Waarom wreed? Omdat dit het laatste is wat Fischer gewild zou hebben. Als er iets was waar hij naar verlangde dan was het wel serieus genomen worden. De wreedheid ten top vond ik op een website waar geschreven werd dat Fischer gek is. Gewoon gek. Letterlijk gek. De man had gewoon haldol voorgeschreven moeten worden en was alles weer goed gekomen. Hij kan dus ook niet verantwoordelijk gehouden worden voor wat hij gezegd heeft. Want is het niet zo dat gekken altijd de meest vreemde beweringen uitkramen?
Bobby Fischer.
De geschiedenis herhaalt zich. Want een halve eeuw geleden overleed Alexander Aljechin. Ook hij stond bekend om rabiaat racistische en antisemitische uitspraken. Ook over hem zijn de meest zoetsappige verklaringen en goedmakertjes geschreven, vergelijkbaar met Fischer. Sommigen verwijzen naar zijn jeugd, anderen menen dat hij het niet zo bedoeld had. Want ook Aljechin had een dubbele relatie tot het jodendom. Zijn vierde vrouw was joods en hij had een goede relatie met vele joodse schakers.
Hans Ree schreef over Aljechin het volgende: Zat het antisemitisme diep? Het was vrij gewoon voor de oorlog om hatelijk over andere volksgroepen te spreken, veel mensen deden het zonder er veel bij te denken. Nimzowitsch hield niet van Russen. Dat zou je tenminste kunnen afleiden uit de volgende woordenwisseling, die in de schaakliteratuur is overgeleverd. Nimzowitsch: "Wie Slavisch zegt, zegt slaaf." Aljechin: "En wie jood zegt, hoeft daar verder niets aan toe te voegen." Heel slecht van Aljechin. Maar je zou kunnen zeggen dat Nimzowitsch begonnen was. En dat schakers elkaar nu eenmaal graag beledigen. Aljechin had in 1935 Nimzowitsch als secondant gewild, als we Landau mogen geloven. Zo diep zat zijn antisemitisme dus nu ook weer niet.
Na de Tweede Wereldoorlog waren er geluiden binnen de FIDE dat Aljechin de wereldtitel afgenomen zou moeten worden. Maar toen hij stierf, was het toch de FIDE zelf die zijn graf op de beroemde begraafplaats Pere Lachaise betaalde. Een mooier voorbeeld van double bind is er niet.







