Drie legendarische wereldkampioenen

Robert Beekman

Eén van de legendarische partijen van de moderne geschiedenis is die tussen Mikhail Botwinnik en Bobby Fischer, gespeeld in de Olympiade te Varna (Bulgarije) in 1962. De enige keer dat ze elkaar achter het bord zouden ontmoeten. Fischer was toen 18 jaar oud; Botwinnik 51 en het jaar ervoor voor de derde keer wereldkampioen geworden door de rematch tegen Tal te winnen.

Een foto van die enige keer dat Fischer en Botwinnik de strijd tussen Rusland en Amerika vorm gaven.

Tevoren was er al een heleboel stennis ontstaan. Fischer had namelijk tegen de pers gezegd: "Ik denk dat ik Botwinnik kan verslaan." Hij zei niet: "Ik ga hem verslaan." Of: "Hij wordt door mij geplet en als ik met hem klaar ben is hij zo plat als een dubbeltje." Nee, Fischer zei: "Ik kan hem verslaan, ik zou hem kunnen verslaan, ik geloof dat ik dat zou kunnen doen en misschien doe ik dat ook wel!"

Maar het kwaad was al geschied. De partij was bijzonder beladen, de pers was van heinde en verre aangestroomd en alles draaide om de vraag: wat gaat er gebeuren aan het eerste bord in de ontmoeting tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten?

Het was midden in de Koude Oorlog. Chroetsjov sloeg in de vergaderzaal van de Verenigde naties met zijn schoen op de tafel. John F. Kennedy had een jaar tevoren opdracht gegeven Cuba binnen te vallen. Deze invasie in de Varkensbaai mislukte. Chroetsjov liet zomer 1962 middenlange afstandsraketten op Cuba plaatsen. De spanningen liepen hoog op. En dan ontdekt de CIA de raketten op Cuba (zie de foto rechts in beeld). Twee weken lang, van 16 oktober tot 1 november, balanceerde de wereld op de rand van een alles vernietigende atoomoorlog. Dean Rusk (toenmalige minister van Defensie) zei later: "We were eyeball to eyeball, and I think the other fellow blinked." Midden in die tijd, op 7 oktober 1962, werd Botwinnik - Fischer gespeeld!

In de partij komt Botwinnik met een positioneel pionoffer, waarvoor hij zeker voldoende compensatie had. Een rekenfout leidde echter tot een stelling met simpele pluspion voor Fischer. Normaliter zou hij dat probleemloos gewonnen hebben, maar hij was nog maar 18 jaar oud! Hij geeft een kansrijke zet af, maar dan blijkt het verschil tussen de Amerikanen en Russen, bijna metaforisch voor het verschil tussen kapitalisme en communisme. De Amerikaanse wereldkampioen werkte grotendeels alleen en werd een beetje gesteund door de gebroeders Byrne. Redelijke spelers, maar niet van wereldformaat.

De Russen werkten in ploegendienst. In de ene kamer zaten Botwinnik, Geller, Keres, Petrosian en Furman. In een andere kamer werkte een subgroepje, namelijk Spassky, Tal en Boleslavsky, die af en toe hun ervaringen met de eerste groep uitwisselden. Als we al die elo's van wereldkampioenen en bijna- of ex-wereldkampioenen op gaan tellen slaat de rekenmachine op tilt. Ze analyseerden de hele avond door en aan het einde van de nacht was het Geller die de remiserende manoeuvre ontdekte: wit moest, paradoxaal genoeg, twee verbonden vrijpionnen toelaten om op de andere vleugel tegenspel te vinden.

Vervolgens ontstaat een bijzonder lange postmortem discussie via de literatuur. Op zet 51 maakt Fischer een rekenfout en Botwinnik kan gelijk naar een remise stand afwikkelen. Was het betere 51... Kd4 nu voldoende voor de winst of niet? Botwinnik claimde een remisevariant gevonden te hebben, maar Fischer betwistte dit en kwam in zijn My 60 Most Memorable Games met één van de langste analyse uit dat boek (en daar zitten me toch wat lange analyses in) om dit te ondersteunen. Botwinnik vindt vervolgens daar weer twee weerleggingen tegen.

Botwinnik nam toen Fischer op de hak door te zeggen dat één van deze twee weerleggingen gevonden was door een dertienjarige pupil van hem. Net alsof hij daarmee wilde zeggen: zo goed is die Fischer dus niet, één of ander kind kan zijn analyses zelfs weerleggen. De sukkel! Op dat moment realiseerde Botwinnik zich echter niet wat hij zei. Later kregen zijn woorden een hele andere betekenis. Dat dertienjarige schooljochie was namelijk niemand anders dan ... Gary Kasparov!

Dichter dan een match of reële vergelijking tussen beide giganten (Fischer en Kasparov) zullen we nooit meer komen!


Overigens kon de uitspraak van Fischer ("Ik kan hem verslaan") in deze anekdote wellicht mild opgevat worden, bij andere gelegenheden was dit niet het geval. "Botwinnik is an old man", had hij al eerder gezegd, eraan toevoegend dat Botwinnik geen schijn van kans tegen hem heeft. In 1963 wilde Fischer ook een boek uitgeven, met de titel Hoe ik wereldkampioen word. Zozeer was hij er van overtuigd dat hij beter was dan Botwinnik.

Rechts Bobby Fischer.

Mens en computer

Robert Beekman

In het 46ste kampioenschap van de oude Sovjet-Unie, speelde de toen vijftienjarige Kasparov tegen Bagirov. Met wit kreeg Kasparov de Caro-Kann voorgeschoteld en koerste hij op een offer op e6 af. Hij bereidde het keurig netjes voor, maar toen het er op aankwam, deed-ie het toch niet. Hij twijfelde. Maar waarom toch? Alles was naar dit ene hoogtepunt toe geleid. De Grote Kasparov twijfelde en wikkelde af naar een eindspel. De partij eindigde daarop snel in remise.

Maar dan komt de post-mortem analyse. Al gauw krijgt de partij flink wat belangstelling van collega grootmeesters. Kasparov legde uit dat hij Pxe6 wilde spelen, maar dat hij het toch niet aandurfde. Samen met de collega grootmeesters gaat hij op nader onderzoek uit. Nu iedereen wat door elkaar roept blijkt het stukoffer kansrijk uit te pakken, en uiteindelijk ontstaat er het algemene gevoel van: waarom heb je het eigenlijk niet gedaan?! Kasparov voelt zich in het nauw gedreven, en roept dan op een gegeven moment uit: "Ik heb niet alles tot het einde kunnen doorrekenen!!" Waarop Tal droog opmerkt: "Wen er maar aan, Gary: eerst offeren, dan rekenen!"

En ik weet niet of Kasparov zich dat advies ter harte genomen heeft, maar ik weet wel dat ook Kasparov zich er in zijn latere carrière bewust van was dat niet al zijn offers correct waren. Soms probeerde hij het gewoon, in de hoop dat de tegenstander de draad kwijt zou raken.

Links is die stelling. Kasparov - Bagirov, 1978. Hoe goed is Pxe6? In de praktijk speelde Kasparov Lb3 b5 c4 bxc4 Dxc4 Dxc4 Lxc4, en dit eindspel werd remise, hoewel wit wel licht beter staat. Maar had hij Pxe6 moeten spelen?

Een mens kan misschien wel hoopvol zijn op de goede afloop, maar de computer snapt er niets van. Om dit diagram namelijk te maken, moet ik het schaakprogramma gebruiken, en loop ik gelijk een aantal mogelijkheden langs. Wat ik ook doe, wit heeft geen enkele kans op remise. Het probleem is namelijk dat de zwarte stukken ook mooi gecentraliseerd staan. Nog vervelender is dat torens snel afgeruild kunnen worden. Ook Lxf3 slaat een potentiële aanvaller van het bord. En de manoeuvre Ph4-g6 blijkt weinig op te leveren. De aanval slaat gewoon niet door. Na Pxe6 staat zwart gewonnen.

Links Gary Kasparov.

Kennelijk bedroog zijn schaakgevoel hem dus toch niet.

Had hij tegen Bagirov, een doorgewinterde grootmeester, met dat offer gewonnen? Ik waag dat echt te betwijfelen.

Karpov - Kasparov (2010)

Robert Beekman

Een paar weken terug speelden Karpov en Kasparov twee matches tegen elkaar. Eén rapid en één blitz. Beide overtuigend gewonnen door Kasparov omdat deze beter met tijd omging dan zijn tegenstander. Op zich niet zo interessant, wel dat ze sinds 1990 voor het eerst tegen elkaar speelden. De twee kemphanen vochten in de tachtiger jaren grootse en politiek geladen tweekampen uit. Karpov als representant van het Sovjet-imperium; Kasparov als rebel die ertegen fulmineerde. Het einde van die tweekampen markeerde het einde van een era vol politieke spanningen op het schaakbord. Een tijdperk dat begon met Spasski - Fischer, verder ging met Kortsjnoi - Karpov en de voltooiing kreeg met Karpov - Kasparov. Schaken kreeg jaarlijks veel aandacht in de media, omdat op dat bord de strijd tegen de communistische repressie werd uitgevochten. Met de val van de Berlijnse muur en het Sovjet-imperium werd schaken weer die doodgewone sport die niemand begreep.

Eén van de grootste wetmatigheden in de politiek: met de val van een dictatuur denkt iedereen dat het land eindelijk vrij is, maar de bevrijding blijkt even later een illusie zijn. Een andere (vorm van) dictatuur komt ervoor in de plaats. Democratie is iets dat moet groeien. Dat ontdekte Europa ook na de democratiseringsgolf direct na de Eerste Wereldoorlog. Overal kregen vrouwen en arbeiders stemrecht, maar in de 15 jaar die volgden kozen vele landen voor dictators. Met als dieptepunt Adolf Hitler.

Dat ontdekte ook Afrika na het vertrek van de Europese landen rond 1950. En dat ontdekte ook Rusland. Corruptie en dictatoriale neigingen vieren hoogtij. Kasparov protesteerde met zijn politieke partij Another Russia, maar werd gevangen gezet.

 

 

 

Kasparov gevangen gezet.

Vijf dagen hongerstaking volgden.

En toen gebeurde er iets bijzonders. Anatoli Karpov kwam op bezoek. Gewoon voor de gezelligheid. Gewoon uit medemenselijkheid. Hij had een schaakblaadje meegenomen - dan had Kasparov nog eens wat te lezen. Karpov: "Generally speaking, I don't share his political views, but that's something different. I didn't come here to support him politically."

Het was een gebaar. En het feit dat het gebaar niet eens gemaakt mocht worden (Karpov werd de toegang tot Kasparov ontzegd), maakte het gebaar alleen maar grootser. Zichtbaar ontroerd verklaarde Kasparov later: "Tussen mij en Karpov is alles weer oké."

Het gebaar deed denken aan de brief die Spasski stuurde aan president Bush, toen deze Fischer gevangen had gezet. In die brief schreef Spassky: "Arrest me. And put me in the same cell with Bobby Fischer. And give us a chess set." Hoe verbeten de politieke schaakstrijd ook was geweest, er was ondertussen ongemerkt toch iets bijzonders gebeurd. Er was vriendschap ontstaan.

Een reden te meer om een paar weken geleden die vriendschap toch weer eens op te pakken. Net zoals Fischer na zijn terugtrekken uit de schaakwereld alleen nog tegen Spasski gespeeld heeft.

Kasparov en Karpov: in 1985 begon hun vriendschap al.

De dag der schande

De eerste keer dat Kasparov en Karpov tegen elkaar speelden: een simultaan 1975. Karpov is wereldkampioen en Kasparov 12 jaar oud. Karpov won, maar Kasparov stond op een gegeven moment heel goed.

In 1984 werd een wereldkampioenschap gespeeld waar vele schakers halsreikend naar uitkeken. Karpov - Kasparov. De eerste was onbetwist wereldkampioen van het afgelopen decennium en de laatste was een onwaarschijnlijk jong talent van 22 jaar die met wervelend combinatiespel de toeschouwers op de banken kreeg. Dat moest nog eens wat worden!

Hoe anders was de werkelijkheid.

Karpov had na negen partijen een voorsprong verkregen van 4-0. Met dank aan zijn positioneel talent. Vervolgens groef Kasparov zich in met wit. Elf witpartijen deed hij hoegenaamd geen winstpoging. Met uitzondering van de zestiende partij die nog bijna verkeerd voor hem afliep ook. Karpov probeerde het met wit uiteraard wel, maar als Kasparov zijn focus op gelijkspel zet, blijkt hij een lastige speler te zijn om te verslaan. Ook Karpovs witpartijen werden korter en korter naarmate de tijd verder verstreek. Het publiek betaalde grof geld om toeschouwer te mogen zijn en beantwoordde de bloedeloze remises met gejoel en gejouw.

Kasparov en Karpov.

Dergelijk antischaak van Kasparov bleek echter ook voor hem niet zonder risico te zijn en de 27ste partij werd door Karpov gewonnen. 5-0 voorsprong inmiddels! En dat in een match die om 6 gewonnen partijen ging!

De match gaat verder en verder en de langste match tot dat moment (in 1927 duurde Aljechin - Capablanca 34 partijen) zou overschreden worden. In de 31ste partij gebeurt er dan iets. Kasparov zag het als een signaal. Zijn Tarrasch werd wederom gekraakt en links ziet u hoe Karpov, met wit spelend, net met Dxd4 een gezonde pion gewonnen heeft. Maar in plaats van zijn genadeloze techniek toe te passen, begon Karpov te haperen. De winst van de match met 6-0 (een echte Fischer-uitslag) lag voor het grijpen maar Karpov had niet de mentale kracht om de buit binnen te halen. Kasparov slaagde er in zijn stukken te laten samenwerken en rechts ziet u de eindstelling van diezelfde partij na de 34ste zet van zwart. Nog altijd staat Karpov een pion voor maar zwart gaat veld f2 aanvallen en ondertussen staan de witte paarden op c4 en b6 elkaar in de weg. Kasparov bood remise aan en Karpov nam het aan. Zijn handen bibberden zichtbaar en Karpov zat trillend achter het bord.

De volgende partij ging Kasparov voor het eerst sinds maanden voluit op de winst en boekte hij zijn eerste overwinning op Karpov ooit.

Kasparov en Karpov.

Nu waren het de witpartijen van Kasparov die lang duurden en werden de witpartijen van Karpov regelmatig snel remise gegeven. Het publiek en de media voelden dat er iets in de lucht hing, ook al stond Karpov nog steeds 5-1 voor. Eén fout van Kasparov en het was afgelopen.

Tot de 47ste partij arriveerde. Links bood Kasparov na 15 zetten remise aan. Hij verwachtte dat Karpov het wederom gezapig zou aannemen; met wit ondernam deze immers toch geen winstpogingen meer. Maar Karpov wees het af! Objectief gezien was daar geen enkele reden toe, maar het ging hier om de mentale stap! Karpov had zijn laatste restjes energie bij elkaar geschraapt en zijn wil om te winnen weer hervonden! Ondertussen was Karpov gedurende de match wel 10 kilo afgevallen; hij was al een iel mannetje, maar nu helemaal fysiek verzwakt.

Vijftien zetten later hadden we de rechterdiagram bereikt. Karpov stond inmiddels een stuk slechter, ook na de beste zet in deze stelling, namelijk Ta1. Karpov beging nu de blunder 31.Pb1 en gaf na 31... d3 32.Kb2 d2 op.

En toen hadden we de poppen aan het dansen! De gebeurtenissen volgden elkaar in hoog tempo op. Wat er nu precies gebeurde, is niet meer te achterhalen. Dáárover is iedereen het met elkaar eens! Het probleem is dat Karpov in zijn autobiografie tot grote verbazing van iedereen hier niets over gezegd heeft, dat Gligoric (toen hoofdscheidsrechter) er niet over wil praten omdat het volgens hem alleen maar tot moddergooien leidt, dat we dus feitelijk alleen maar een boek van Kasparov hebben die er uitgebreid over vertelt (maar overduidelijk vanuit een subjectief perspectief), en dat de FIDE alleen maar zegt gedaan te hebben waar Kasparov om vroeg. Sic!

Laten we de gebeurtenissen eens op een rij zetten:

  1. De Russische schaakbond besloot de toernooilocatie te verplaatsen naar een ander gebouw. Dat leverde een week vertraging op. Zal Karpov blij mee geweest zijn.
  2. De Russische schaakbond stuurde tegelijkertijd een brief naar de FIDE waarin zij voorstelde de match met een pauze te onderbreken. Zij verwezen hierbij naar afspraken gemaakt in de onderhandelingen tussen Karpov en Fischer in 1974! De match die niet door zou gaan! In die afspraken was opgenomen dat er na vier maanden (mocht de match nog steeds gaande zijn) een rustpauze zou komen in de partijen zodat de spelers zouden kunnen bijkomen. En dan te bedenken dat Karpov - Kasparov al vijf maanden bezig was ...
  3. Allemaal leuk en aardig, maar die clausule was niet in de match tussen Karpov en Kasparov opgenomen. Kasparov wees het dan ook van de hand. Wel liet hij zich ontvallen dat er alleen opnieuw begonnen kan worden bij een 0-0 stand (wat de Campomanes later tegen hem zou gebruiken).
  4. Voor Karpov was het laatste voorstel onacceptabel; hij stond immers drie punten voor.
  5. De 48ste partij werd gespeeld en strak gewonnen door Kasparov. Het stond nu 5-3.
  6. Gligoric belde Campomanes en zei tegen hem: "Karpov kan niet meer".
  7. Campomanes vloog naar Moskou en belegde een persconferentie waarin hij de match beëindigde en tot 'onbeslist' verklaarde.
  8. Zowel Kasparov als Karpov gaven op die persconferentie aan dóór te willen spelen, en tòch beëindigde Campomanes de match.
  9. Karpov zei in die persconferentie tegen Campomanes: "U heeft het niet goed begrepen." Wellicht verwees hij naar de brief van de Russische schaakbond die om een pauze vroeg, niet om het afbreken van de match. Campomanes antwoordde hem ten overstaan van de draaiende camera's van de wereldpers: "I just told them exactly what you told me to."

Eén feit werd wel duidelijk voor de wereldopinie. De Russische schaakbond stond helemaal achter Karpov. Voor Kasparov was dit al langer duidelijk. Het naar buitenlandse toernooien deelnemen werd hem bijna onmogelijk gemaakt. Toen Kasparov op de man af aan de Russische topofficial Krogius vroeg waarom, antwoordde deze: "We hebben al een wereldkampioen." En toen Kasparov tegen Kortsjnoi moest spelen, blokkeerde de Russische schaakbond de Amerikaanse locatie Pasadena, waarna de FIDE Kortsjnoi tot winnaar van de halve finale uitriep (wat tot een volgende match tussen Karpov en Kortsjnoi zou hebben geleid). Als Kasparov niet al zijn diplomatieke inspanningen ingezet had, was hij in 1984 überhaupt niet tegen Karpov aangetreden.

Dat Karpov wèl wilde doorspelen, had niet alleen te maken met zijn 5-3 voorsprong op dat moment. Zijn carrière was al besmet door de overwinning by default doordat Fischer weigerde te spelen. Altijd zou aan zijn naam de twijfel knagen of hij wel een terechte wereldkampioen was. Als zijn kostje nu opnieuw gered zou worden door een deus ex machina terwijl hij net twee partijen op rij verloren had, zou dat opnieuw een smet op zijn naam zijn. Wat dus overigens ook gebeurd is.

Kasparov was objectief gezien waarschijnlijk terecht diep verontwaardigd. De dag der schande noemde hij het. Een heel boek schreef hij erover om die verontwaardiging uit te spreken. Op dat boek kwamen veel kritische opmerkingen die betrekking hadden op de weergave van de feiten. Kasparov schreef daarop een twééde boek, dat wat hem betreft nu het laatste woord is. Het probleem is alleen dat hij zichzelf regelmatig tegenspreekt. Op het ene moment zegt hij per se te willen doorspelen, op het andere moment zegt hij dat het hem eigenlijk wel goed uitkwam, want 0-0 is beter dan 5-3 achter staan.

Tussen Kasparov en Campomanes zou het nooit meer goedkomen, wat er uiteindelijk toe leidde dat Kasparov zich in 1993 met een eigen bond afsplitste van de FIDE. Maar was werkelijk sprake van "Karpomanes", zoals Kasparov beweert? Waren Karpov en Campomanes twee handen op één buik? Volgens mij niet. Campomanes had inderdaad een goed contact met de Russische schaakbond en Karpov, maar als ik alle verslagen zo doorlees, krijg ik eerder de indruk van een impulsief en ongeleid projectiel.

Ondertussen verbaasde de Westerse pers zich uitgebreid over het feit dat een Rus (Kasparov) zich zo kritisch kon uitlaten over de Russische schaakbond zonder dat er disciplinaire maatregelen volgden, zoals immers al decennia gebruikelijk was. Toentertijd meende ik zelf dat dit kwam door het trauma Kortsjnoi. Als de Russische schaakbond Kasparov zou buitensluiten of disciplinaire maatregelen zou treffen en als Kasparov vervolgens zou overlopen, dan zou er een wederom een niet-Russische wereldkampioen schaken zijn. En dat angstbeeld was sterker dan hun wil te willen disciplineren.

Maar waarschijnlijk lag dat anders! Al had de Russische schaakbond en de Communistische partij dat gewild, dan hadden ze nooit dekking gehad van de politieke top! Ten tijde van de match Karpov-Kasparov was partijleider Tsjernenko doodziek. Feitelijk was er nu een ander persoon in leiding van de Russische partij. Iemand die niet veel later zou pleiten voor openheid en verandering. Iemand die op 11 maart 1985 (een maand na het beëindigen van de match) zou aantreden, maar gedurende de match dus al aan de touwtjes van de Communistische partij trok. Zijn naam? Michael Gorbatsjov!

Michael Gorbatsjov.

Tactiek

Botwinnik sprak op strenge toon tegen zijn leerlingen. Beroemde uitspraken van hem zijn: "Je moet alles gezien hebben!" Of: "Eerst denken en dan pas een zet doen!" Vooral Kasparov, zijn beroemdste en beste leerling, moest het ontgelden. Regelmatig kreeg deze te horen: "Gary, als je niet oppast wordt je een nieuwe Larsen of Taimanov"(!!) Ja! Dit verschrikkelijke vooruitzicht heeft op de jonge Gary een heilzame werking gehad. Kei- en keihard werken. Allemaal om te verhinderen dat hij zou afglijden naar een Larsen of Taimanov. Kasparov zou in zijn jonge jaren namelijk te impulsief zijn geweest - volgens Botwinnik.

Meester Botwinnik en leerling Kasparov.

De noodzaak om alles te moeten zien is alleen weggelegd voor de allergrootsten der aarde. Zelfs Karpov zei dat het onvermijdelijk was dat hij fouten in een schaakpartij maakte.

De eenvoud van het leven

Och, was schaken maar even simpel als het leven! Als we naar buiten kijken, zien we gewoon de sneeuw naar beneden dwarrelen.

Zo is het bijvoorbeeld algemeen bekend dat je eenvoudig van de hik kunt afkomen door drie keer keihard een rondje om je huis te rennen en ondertussen vooral niet aan een rode zebra te denken.

Zo herinneren wij ons uiteraard ook hoe een jonge leerling bij zijn grote Zen-meester kwam om te vragen: "Kunt u mij vertellen waar de Weg is?" "Voor je neus", was het antwoord. "Maar waarom zie ik hem dan niet?" "Maar waarom doe je je ogen dan niet open?"

Nee, dan is schaken toch een stuk moeilijker.

Ooit dacht een jonge meester, zijn naam kan ik niet meer uit mijn herinneringen terughalen, na over hoe hij Kasparov, zijn tegenstander van de volgende dag, tegemoet moest treden. Na enige overpeinzingen nam hij het volgende besluit: iemand als Kasparov moet je met zijn eigen middelen bestrijden! Zo gedacht, zo gedaan. De volgende dag kwam er al snel een messcherpe variant op het bord. De jonge meester offerde een pion. In de demonstratiezaal verschoof de aandacht naar de partij waar Kasparov achter de zwarte stukken zat. Is dit pionoffer speelbaar? Het ziet er anders gevaarlijk genoeg uit. De jonge meester offerde een tweede pion! Het rumoer in de zaal was daar niet meer te houden. Het fundament van de zwarte stelling werd daar aan flarden geslagen! De handen vlogen daar over het bord en er waren al heel wat winstvarianten voor wit gevonden. En toen offerde de jonge meester een paard!! De witte stukken zouden binnenkort de vijandelijke linies binnendringen! En toen …, toen … , toen …, stond de jonge meester verloren. Twee zetten later gaf hij op.

De magie van stress

Robert Beekman

Waarom schaken schakers? Hans Ree heeft er meerdere bespiegelingen aan gewijd. Volgens hem komt het omdat schakers verslaafd zijn aan de spanning en de stress die samenhangt met het efficiënt omgaan met tijd. Volgens hem zijn er zelfs onderzoeken die aangetoond hebben dat in tijdnood opiumachtige stoffen in de hersenen vrijkomen.

Of het waar is zou ik niet weten. Wel kan ik beamen dat de stress van het schaken inderdaad verslavend is. Tevens ben ik van mening dat het goed omgaan met de stress een belangrijke factor is van succes in schaken. Ree haalde onder andere Samuel Reshevsky aan. Eén van de schakers die regelmatig in vliegende tijdnood kwamen. Reshevsky zelf had daar geen last van. Hij had lekker lang nagedacht en de stelling inmiddels goed onder de knie. Bovendien werden zijn tegenstanders vaak zenuwachtiger van de tijdnood dan hij, waardoor zij in plaats van hij fouten maakten, ondanks het surplus aan tijd.

Een ander voorbeeld zagen we in Linares 2005. Nu weten we dat dit het laatste toernooi was van Kasparov. Maar gedurende dat toernooi wisten we dat nog niet. Op een gegeven moment heeft hij een punt voorsprong genomen. En dan wordt hem gevraagd waarom hij zo geweldig op dreef is. "Omdat het me niets meer kan schelen. Daarom." Kasparov lacht er dan vrolijk bij. "Omdat ik me nergens meer druk om maak. Ik wil alleen nog schaken en lol hebben."

Garry Kasparov.

Linares 2005. Nu weten we dat dit het laatste toernooi was van Kasparov. Maar gedurende dat toernooi wisten we dat nog niet. Op een gegeven moment heeft hij een punt voorsprong genomen. En dan wordt hem gevraagd waarom hij zo geweldig op dreef is. "Omdat het me niets meer kan schelen. Daarom." Kasparov lacht er dan vrolijk bij. "Omdat ik me nergens meer druk om maak. Ik wil alleen nog schaken en lol hebben."

Toch een frappante opmerking, juist van de man die zo opmerkelijk goed met stress kan omgaan. Antwoordde hij niet in de match tegen Karpov, toen hem gevraagd werd waarom hij en Karpov altijd in tijdnood kwamen: "Omdat we van spanning houden!"

Maar dan komt die laatste ronde. Hij heeft een punt voorsprong op nummer twee: Topalov. Maar moet wel tegen Topalov in die laatste ronde spelen. Met zwart, maar dat kan voor hem geen probleem zijn: Kasparovs Siciliaan is bijna niet te kraken.

En ineens speelt hij als een beginneling zo zwak. Voor zijn doen, uiteraard. Kasparov wist dat het zijn laatste partij was. Voorafgaand aan het toernooi had hij besloten dat Linares 2005 zijn laatste toernooi was. En dan is de druk die daarmee samenhangt toch te veel. Een paar uur nadat hij opgegeven heeft, kondigt hij in de persconferentie aan te stoppen met schaken. En benoemt hij de spanning die samenhing met de wetenschap de laatste partij te spelen. Leko was aanwezig bij die emotionele persconferentie, en zei achteraf: Ineens begreep ik wat er die laatste partij gebeurd was.

Rechts Kasparov bij de aankondiging van zijn afscheid.

Carl-Gustav Jung zei het al: "Voorbij je veertigste bereid je je voor op de dood." Dat bedoelde hij natuurlijk niet letterlijk. Hij bedoelde dat het zingeving een hele andere betekenis krijgt vanuit het besef dat we sterfelijk zijn, en dat dit besef geboren wordt voorbij de helft van het menselijk leven. Vandaar die magische grens van 40. Ik moest daaraan denken toen Kasparov zijn afscheid van het schaken aankondigde. En nee, Kasparov is geen Heintje Davids; dit is definitief. Ik moet bekennen dat ik schrok bij het lezen van zijn aankondiging. We schelen niet veel in leeftijd, en ik heb zijn hele carrière op de voet gevolgd. Maar toen ik zijn leeftijd zag, 41, keek ik toch anders tegen zijn besluit aan. Hij is niet de eerste schaker die dat besluit rond die leeftijd neemt.

De navolgers

Nu Van der Galie gesloten is, had ik al twee jaar geen nieuw theorieboek meer gekocht. De gelegenheid dat ik deze kerstvakantie in Amsterdam was, heb ik maar aangegrepen om Schaak en Go te bezoeken. Bladerend door wat nieuwe exemplaren liet ik de aanbevelingen stoïcijns over mij heengaan. Eén handelsmerk viel mij onmiskenbaar op: dat grootmeester X of Y een specifieke opening, verdediging, variant of zet gespeeld heeft, wordt klaarblijkelijk als de grootst denkbare aanbeveling beschouwd.

This move has been given a special nod of approval by no one less than Worldchampion Gary Kasparov. En dan blijkt dat Kasparov die zet een keertje gespeeld heeft.

Gary Kasparov.

Hoeveel is zo'n aanbeveling waard? Het fenomeen kennen we, dat zeker. Als Kasparov ooit een bepaalde zet deed, werd deze vanzelf door een grote schare navolgers gekopieerd. Als Kasparov, één van de grootste theoretici aller tijden, die zet speelt, zal en moet deze ongetwijfeld heel sterk zijn. Echter, toen ik zelf overschakelde op de Najdorf, moest ik allereerst keuzes maken. Ik meende dat het handig was om eens te bekijken welke keuzes door Kasparov gemaakt zijn. En werd al snel teleurgesteld. Stel dat in een bepaalde variant vier speelwijzen zijn, dan bleek regelmatig dat hij ze alle vier (en vaak ook evenveel) gespeeld heeft. Kasparov deed wat zoveel grootmeesters doen: hij bereidde zich voor op zijn tegenstander. En maakt naar aanleiding daarvan zijn eigen keuzes.

Tegenwoordig heeft de hele wereldtop een breed repertoire, ten einde vooral niet voorspelbaar te zijn. Een aantal hebben wel een eigen handelsmerk. Zoals Van Wely. Als je tegen hem Koningsindisch speelt, kiest hij geheid voor de Bayonetaanval. Uit principe!

Maar Kasparov is in staat om doelbewust dubieuze zetten te doen, als dit volgens hem verantwoord is. Links een stelling uit de wereldberoemde partij tegen Topalov. Die met dat dubbele torenoffer. Kasparov speelde Pge2, en geeft het volgende commentaar: "Een vreemde zet. Eigenlijk slaat Pge2 nergens op. De reden is puur psychologisch. Voor de partij merkte mijn trainer Dokhoian op, toen we de partijen van Topalov doornamen: 'Weet je, Garry, hij houdt er niet van als de tegenstander zetten doet die hij niet kan voorspellen. Dat heeft een vreemde invloed op hem.' Daarom speelde ik 7.Pge2 en dit verraste Topalov. 7.Lh6 is beter, en laat de mogelijkheid Ld3 nog open, en ook veld e2 voor het paard op c3. Het paard op g1 kan misschien ooit naar h3."

Na Pge2 heeft zwart geen enkel probleem meer. Hij had zelfs in voordeel kunnen komen. En Kasparov wist dat. Tóch speelde hij 'm. In de mooiste partij die hij ooit gespeeld heeft! Voor navolging vatbaar? Nee. Ook al won Kasparov die partij nog zo mooi. Wie de partij met Kasparovs eigen analyses wil naspelen, kan dit overigens doen door op de rode knop te drukken.

Uit 1999 dateert Kasparov zijn meest beroemde partij. Topalov heeft na zijn afscheid het stokje van hem overgenomen.


We like to think!

Wie herinnert zich het antwoord van Kasparov niet, toen hem gevraagd gedurende de strijd om het wereldkampioenschap gevraagd werd waarom hij en Karpov het telkens op tijdnood lieten aankomen? "We like to think!", was zijn antwoord. Hier rechts een foto van de man die van nadenken houdt ...! En van Hans Ree kan ik me enige filosofische overpeinzingen herinneren, waarin hij zich retorisch afvroeg waarom schakers dan niet hun vinger in het stopcontact steken, als ze zo van spanning houden?

Kasparov - Deep Fritz

Maar het is ook een kwestie van smaak. Iemand als Kortsjnoi vond het vroeger leuk om de meest riskante pionoffers aan te nemen, waarna hij een stelling met hangen en wurgen nog wist te verdedigen. En als het zijn tegenstander dan niet lukte de compensatie te converteren was het snel einde verhaal: puntje binnen voor Kortsjnoi. Iemand als Kasparov, rechts ziet u hem gedurende zijn match tegen Fritz van afgelopen week, houdt er meer van om zelf het initiatief in eigen handen te houden. Komen we gelijk bij één van de grootste frustraties van deze tijd: de computer. De computer pakt namelijk simpelweg wat ie kan pakken, verdedigt vervolgens nauwkeurig, en de mens ziet het pionnetje nooit meer terug.

Kasparov verloor onnodig de tweede partij; het was ook niet zo verstandig om met die 3D bril te gaan schaken. Schaken tegen een computer is al inspannend genoeg.

Links ziet u een table die op Chessbase geplaatst werd. De x-as staat voor de mate waarin spelers offeren. Hoe meer naar rechts, hoe meer mensen in hun schaakpartij een offer plaatsen. De y-as staat voor de mate waarin de schakers tegen computers onder of boven hun niveau spelen. Hoe meer naar boven, des te beter schaken deze personen tegen een computer. De tabel laat een groffe lijn van linksboven naar rechtsonder zien. Helemaal rechtsonder, hier buiten beeld gevallen, staat Shabalov. Die offert nog meer dan Kasparov, en speelt nog slechter tegen computers. De moraal van het verhaal: behoudende schakers zijn succesvoller tegen computers dan iemand met de speelstijl van Kasparov.

Who is afraid of the silicon monster? De mens wel. De mens is altijd al heel goed geweest in het creëren van angst voor iets dat ie zelf geschapen heeft.

Het positionele pionoffer

De kracht van het loperpaar is bijna spreekwoordelijk, hoewel niet iedereen de juiste techniek laat zien om het netjes tot de winst te voeren.

Soms is het loperpaar zelfs een volle pion waard, wordt nog wel eens beweerd. Misschien is dat wel zo, maar nauwkeuriger lijkt de formulering dat het bezit van het loperpaar een prima basis isvoor een positioneel pionoffer.

Ooit las ik ergens een definitie van een positioneel offer dat mij nog altijd aanspreekt: bij een positioneel offer is de ene speler wel in staat zijn / haar stelling te versterken en de ander niet.

Het mooiste voorbeeld hiervan is en blijft de Wolga. Zwart heeft een ontwikkelingsachterstand en offert daar zomaar een pion. Dat kan toch niet? Zwarts compensatie bestaat er echter uit dat hij geleidelijk aan de druk op de witte damevleugel kan opvoeren. Wits plan daarentegen is minder duidelijk. Het enige dat reëel is, is e5 doorzetten, maar dat is vaak net niet mogelijk of te optimisch.

Welnu, het loperpaar bezit dezelfde veerkracht. Geleidelijk aan wordt de druk opgevoerd, de stelling versterkt en de tegenstander uitgemanoeuvreerd. Het vermogen van het loperpaar om de stelling systematisch te versterken en de tegenstander terug te drijven, is een op het eerste gezicht grotendeels verborgen dynamiek.

Links Svidler - Kasparov, 1999. Zwart heeft hiervoor d5 en na e5 Pe4 gespeeld. Wit sloeg met z'n paard op c3 het paard op e4, ruilde de dames op d8, en speelde Pf3-d4. Zwarts laatste zet was nu Lc6-d8. Wit gaat nu pion e4 winnen. Althans: zwart heeft een pion geofferd.

Op het eerste gezicht staat wit helemaal niet zo slecht. Of het te winnen is, is nog een tweede. Echter, de werkelijkheid leert anders. De enige die kan winnen is zwart. In deze partij tussen twee grootmeesters van wereldklasse heeft wit zelfs geen schijn van kans. Zwarts lopers, torens en pionnen staan op de achterste rijen, maar wit wordt onwaarschijnlijk snel hij opgerold.


De onsterfelijke jeugdpartij van Kasparov

Fischer heeft zijn beroemde partij gespeeld tegen Byrne, die hem in één klap wereldfaam geeft. Kasparov heeft ook zo'n partij gespeeld, namelijk op dertienjarige leeftijd tegen Lputian.