Beekman
Najdorf
Robert Beekman
Omdat hij een gewaagde Siciliaanse verdediging populair maakte, zal hij eeuwig onsterfelijk blijven. Miguel Najdorf, rechts in beeld, die steevast 5… a6 speelde. Najdorf zelf noemde 5… a6 een wachtende zet, die als belangrijkste intentie had eerst te zien wat wit van plan is.
Een Pools schaker, geboren in 1910. Vóór de Tweede Wereldoorlog maakte hij reeds furore. Zowel in positieve als negatieve zin. Najdorf kende zo z'n eigenaardigheden. Een echte schaker, wat dat betreft. Maar Miguel maakte het toch nog net even té bont. Hij stond er namelijk om bekend met anderen over zijn partij te praten. "Hoe sta ik?" vroeg hij aan willekeurig welke voorbijganger. En dan bij voorkeur aan zijn secondant in zijn moedertaal, zodat anderen niet begrepen wat er gezegd werd. Werd hij hierop door de wedstrijdleider aangesproken, reageerde hij diep geschokt. Ooit liep hij argeloos door de wandelgangen en stelde hij deze vraag aan iemand die prompt antwoordde: "Slecht. Ik denk niet dat je het gaat redden." "Nee", zei Najdorf, "dat denk ik ook niet." En hij verloor. En had nog steeds niet in de gaten dat hij de bewuste vraag ongemerkt had gesteld aan zijn tegenstander: Boleslavsky.
Miguel Najdorf was een geboren pessimist. In het wereldschaaktoernooi van 1950 (te Amsterdam) kondigde hij eerst aan dat Stahlberg het toernooi zou winnen. De volgende dag was het Reshevsky. Maar aan het eind moest hij alle voorspellingen wederom intrekken, omdat hijzelf met de overwinning aan de haal ging. Want zoals elke pessimist haalde ook hij zijn kracht uit de positie van underdog.
Najdorf: Ik sta slecht tegen Pirc
Euwe: Zo?
Najdorf: Ik sta zeer slecht. Echt heel slecht.
Euwe: Maar Pirc is er toch niet de man naar iemand af te maken. U kunt hem toch remise aanbieden. Dat accepteert hij wel.
Najdorf: Wat remise!? Ik wil helemaal geen remise. Ik sta beter!
En Najdorf beent weg. Evengoed wordt de partij toch remise.
Links Najdorf, rechts Euwe. Een foto uit 1947.
Hier een foto uit de Olympiade te Leipzig van 1960.
Najdorf stond altijd "slecht", en als hij het tij wist te keren beweerde hij zich er op geniale wijze uit gered te hebben. Want diep in zijn hart vond hij zichzelf uiteindelijk toch geniaal; daar hoefde niemand aan te twijfelen.
In 1929 speelde hij de "onsterfelijke Poolse partij". In de hoofdstad van zijn vaderland: Warschau. Tegen Glucksberg. Een leuk gewelddadig kort potje, waarbij hij al zijn lichte stukken offert en zijn tegenstander in 22 zetten mat zet.
De "onsterfelijke Poolse partij"? Ja, want Najdorf was in oorsprong geen Argentijn maar een Pool. Zijn voornaam was niet Miguel maar Mieczyslaw. In 1939 reist hij naar Argentinië, voor een schaaktoernooi. Twee weken later valt Duitsland Polen binnen. Hij kan niet meer terugkeren. Als jood al helemaal niet. Vijf lange jaren wacht hij, levend in schrijnende onzekerheid over wat er met zijn familie gebeurd is. In 1946 geeft hij een blindsimultaan aan 45 spelers. Het wordt registreerd als een wereldrecord dat ruim gebroken wordt en de publiciteit hierover gaat de hele wereld over. Najdorf hoopte dat iemand van zijn familie erover zou lezen en met hem contact op zou nemen. Maar niemand reageerde. En zou ook ooit reageren. Vrouw, kind, vader, moeder, vier broers en vele andere familieleden: allemaal doodgegaan in concentratiekampen.
Het taktisch remiseaanbod
Met uitzondering van echte potremise stellingen, heeft doorsnee remiseaanbod door de loop van de tijd altijd een onethisch aureool behouden. Zoals bij de twee grootmeesters die elkaar ontzien met een vroegtijdige remise. En anders is het onethisch omdat de tegenstander 'gestoord' wordt. En soms is dat ook zo, zoals bij Najdorf – Boleslawsky, 1953:
Najdorf: Remise?
Boleslawsky: Nee!
Najdorf denkt even na en zegt dan: Speelt u op winst?
Boleslawsky: Nee!
Najdorf: Aha! Dus toch remise?
Boleslawsky: Nee!
Najdorf: Speelt u dan op verlies?
Boleslawsky: Nee!
Najdorf, in verwarring: Ja, maar wat wilt u dan?
Boleslawsky: Spelen!