Beekman
De mysterieuze torenzet
Robert Beekman
Ook de mysterieuze torenzet is een concept van Aron Nimzowitsch. De toren wordt dan achter de eigen pion gezet, wat op zichzelf hoogst inefficiënt is. Een toren hoort immers op een (half)open lijn thuis. Maar staande achter zijn eigen pion, en wellicht een beetje verveeld, wacht de toren tot de tegenstander het enige of belangrijkste plan uitvoert door een bepaalde pion op te spelen, waarna de toren alsnog de ruimte krijgt die het nodig heeft.
De mysterieuze torenzet is daarmee onderdeel van de prophylaxe, die net als het blokkerende paard en de Uberdeckung bij het door Nimzowitsch ontwikkelde "Systeem" horen. Een onvoorstelbare indruk heeft hij gemaakt met zijn boek Mein System. Vele grootmeesters hebben hem geroemd voor de immense invloed die hij op hun spel gehad heeft.
Hij stierf vroegtijdig aan kanker, in 1935 op 49-jarige leeftijd, en heeft daarmee niet de verschrikkingen hoeven mee te maken die hem wellicht als in Duitsland woonachtige jood te wachten stond.
Zittend, derde van rechts: Nimzowitsch. Zittend tussen de spelers van Carlsbad 1929, waarin hij overwinnaar werd boven alle sterke schakers uit die tijd: zijn grootste wapenfeit. Bovenste rij van links naar rechts: Yates, Tartakower, Marshall, Treybal, Canal, Becker, Colle. Middelste rij van links naar rechts: Johner, Grünfeld, Euwe, Mattison, Sir George Thomas, Brinckmann, Sämisch, Gilg. Zittend van links naar rechts: Miss Menchik, Spielmann, Vidmar, Capablanca, Tietz, Bogoljubow, Nimzowitsch, Rubinstein, Maroczy.

Op alle foto's zien we een vriendelijke en sympathieke man, zo ook rechts.
Er wordt beweerd dat Nimzowitsch eigenlijk tegen Aljechin om de wereldtitel had moeten spelen, maar dat was vermoedelijk niet zo succesvol geweest, gelet op de uiterst negatieve score tegen Aljechin. Ondanks, of misschien wel vanwege zijn "Systeem". Want hoe geniaal het ook is, die 'mysterieuze toren' doet daar nog altijd niet veel. Nimzowitsch heeft veel eigenzinnige zetten gespeeld, en Aljechin was wat dat betreft een stuk actiever in zijn schaakspel.
Of zou het komen doordat hij aan een andere kwaal leed, waaraan wel meer grote schakers uit die tijd leden - met uitzondering van bijvoorbeeld ons eigen Max Euwe -: de Ziekte der Eigendunk? Speurend op internet zie ik dat zijn gedrag nog altijd het meest indruk gemaakt heeft. Zo had hij bijvoorbeeld een visitekaartje met hierop: "Aron Nimzowitsch - Kandidaat voor het Wereldkampioenschap en Kroonprins van de Schaakwereld"!
Soms kwam hij binnen in de toernooizaal en ging eerst in een hoek op zijn kop staan, wachtend tot zijn partij begon. Hij heeft ook een keer zijn been gebroken, toen zijn eigen been verstrikt raakte in de stoelpoot van de stoel waar hij op zat. Uiteraard ging hij gewoon verder met schaken. Verder is een voorbeeld bekend van Hamburg, 1910, waarin hij een kwartier te laat kwam, eerst naar de zet van zijn tegenstander Köhnlein keek (1.e4), vervolgens uitgebreid naar zijn eigen handen, dan uitgebreid naar het plafond, dan opstaan om uitgebreid naar de schilderijen aan de muur te kijken, vervolgens het instructieboekje van de schaakklok doorlezen (en de klok tikte nog steeds verder), uitgebreid controleerde of de handleiding ook overeenkwam met de klok, en tot slot een zet deed (1... c6, wat hij in die tijd overigens altijd speelde). Hij won wel, overigens.
Of was het psychologische oorlogsvoering? Tartakower zei over hem: Hij doet alsof hij waanzinnig is, zodat hij ons allemaal waanzinnig kan maken. In 1931 speelde Nimzowitsch tegen Vidmar. Nimzowitsch, die een grote hekel had aan rokende tegenstanders (wat deze dan ook wijselijk nalieten), vroeg aan de toernooidirecteur om zijn tegenstander te verzoeken niet te roken. 'Maar hij rookt helemaal niet', zei de toernooidirecteur. 'Dat weet ik', zei Nimzowitsch, 'maar hij dreigt er mee, en de dreiging is sterker dan de uitvoering!'
In Berlijn mist Nimzowitsch de eerste prijs door van Sämisch te verliezen. De partij nadert zijn einde en langzaam beseft hij wat hij zichzelf aangedaan heeft. Hij gaat op de tafel staan en schreeuwt door de zaal: "En van deze idioot moet ik nu verliezen!!"
Nimzowitsch had duidelijk voor niemand ontzag, en dat bleek wel in Kissingen, 1934, gedurende de tweekamp om het wereldkampioenschap tussen Aljechin en Bogoljubow. Een Nazi-officier komt de zaal binnen. Nimzowitsch stapt gelijk op hem af en vraagt op brute wijze naar de papieren van de militair. Deze geeft niet gelijk antwoord, waarop Nimzowitsch er terstond aan toevoegt: In dat geval kunt u gelijk vertrekken!!, met zijn vinger onmiskenbaar naar de uitgang wijzend. Iedereen hield zijn hart vast: een jood die een Nazi-officier tot de orde roept. Maar deze verliet evenwel met een beschaamd gezicht de zaal, net alsof hij iets heel erg verkeerds had gedaan.

Naar Nimzowitsch is het Nimzo-Indisch vernoemd. Heden ten dage, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, is het complex van dame-indisch en Nimzo-indisch veruit met meest populaire antwoord op d4. Het Nimzo-indisch ontstaat als wit op de derde zet Pc3 speelt, dame-indisch als wit op de derde zet Pf3 speelt. Dat mag toch wel een groot compliment heten voor Aron Nimzowitsch. Zeventig jaar na zijn dood haalt hij toch nog zijn gelijk! Dat zou hem, ijdel als hij was, een groot plezier gedaan hebben. In een tijd dat er op 1.d4 eigenlijk maar één antwoord mogelijk was (1... d5), legde hij omstandig uit dat het niet ging om het bezetten van het centrum, maar om de invloed op het centrum. Bij 1.d4 is veld e4 het sleutelveld. Na 1.d4 Pf6 2.c4 e6 3.Pc3 moet 3... Lb4 gespeeld worden, omdat anders wit alsnog e4 speelt. Tegen dit Nimzo-indisch heeft de top van het grootmeestersgilde het al min of meer opgegeven om voordeel tegen te behalen, en dus spelen de meesten 3.Pf3, waarna zwart tijd heeft voor ... b6 en ... Lb7 (wederom: controle over veld e4). Als zwart dan later ... d5 speelt krijgen we eigenlijk een soort van Tartakower-variant van het afgeslagen Damegambiet. Waarom dan niet gelijk 1.d4 d5 2.c4 e6 spelen? Omdat wit dat de gevreesde ruilvariant speelt (snel slaan op d5), dat in bijna alle varianten wel een plusje voor wit oplevert.
Hij heeft zelf ook met dit systeem de mooiste successen geboekt. Wie kent zijn prachtige partij tegen Johner niet? Ik heb de partij gelardeerd met het commentaar van Nimzowitsch zelf (in zijn standaardwerk Het systeem. Naspelen is tevens illustratief omdat hierin een schitterend voorbeeld van de mysterieuze torenzet voorkomt. Hoewel ... mysterieuze torenzet? De benaming van het concept klopt wel, maar het is eigen een mysterieuze damezet. Het gaat in deze partij om de gedachte achter de manoeuvre Dd8-d7-f5-h7, waarmee wit zijn plan van expansie op de koningsvleugel niet goed kan doorzetten (prophylaxis).
En anders wel zijn wereldberoemde partij van de onsterfelijke zetdwang tegen Sämisch. Na 25 zetten is een stelling ontstaan, met alle stukken nog op het bord, waarbij wit in zetdwang staat! Een prachtig stukoffer van Nimzowitsch ging daaraan vooraf.
Schijn bedriegt
Eén van de lastigste problemen van een schaker is het goed inschatten van een stelling. Hoe vaak hebben wij, mindere goden, niet gedacht dat we goede compensatie zouden hebben, een sterke aanval of in de tang gezet zouden worden, terwijl dat bij nader inziens best mee blijkt te vallen? Het is een thema waar een sterke speler in diens commentaar zelden over spreekt; doorgaans vanuit het aureool van 'ik heb het allemaal prachtig gezien'. Maar helaas hebben alle spelers er last van. Sterke spelers corrigeren zichzelf misschien wat sneller.
Ooit, honderd jaar geleden, in 1904, speelde Tarrasch tegen Nimzowitsch. Nimzowitsch, nog maar net achttien jaar oud geworden vroeg De Grote Tarrasch beleefd of hij een keertje tegen hem wil spelen. De Grote Tarrasch, ook wel Praeceptor Germaniae genoemd, staarde Nimzowitsch stilzwijgend en doordringend aan. Maar Aron hield vol: Ja meester? Mag dat? Alsjeblieft? Siegbert Tarrasch gromde voor zich uit en stemde toe. Op de clubavond van zijn thuisbasis, Neurenberg, zouden ze elkaar dan maar ontmoeten.
![]() | ![]() |
Links Siegbert Tarrasch, rechts Aron Nimzowitsch.
Het publiek, zoals in die tijd gewoon was, is in grote getalen op komen draven. Allen keken ze geïnteresseerd naar het schaakbord, met een blik alsof ze er iets van begrepen, en lieten de schuivende stukken aan hun netvlies voorbijgaan. Na tien zetten ontstaat de linkerdiagram. Tarrasch, met wit spelend, had zoveel moderniteit op het schaakbord nog niet eerder mogen aanschouwen. Hij kruiste de armen voor de borst en riep luidkeels: "Nog nooit in mijn leven heb ik na tien zetten zo verschrikkelijk gewonnen gestaan!"
Gewonnen? Een klein beetje beter, ja. Dat klopt. Zeker als wit met het thematische f3 en e4 komt. Maar om deze partij te winnen moet er echt nog heel wat gebeuren. Nu was Nimzowitsch op jonge leeftijd al wars van allerlei dogma's; de stonewall was nog nooit eerder gespeeld. Zelfs heden ten dage, honderd jaar later, zou zijn partij-opzet hoogst origineel zijn geweest: beginnen met de Tsjigorin en dan Pc6-e7 spelen, gevolgd door ... c6 en ... f5.
En Tarrasch... Ja, Tarrasch meende in die tijd dat hij de beste speler van de wereld was. Lasker was volgens hem wereldkampioen omdat hij van één of andere ouwe vent gewonnen had. Bedoeld werd Steinitz. Maar als Lasker tegen de Praeceptor Germaniae zou spelen, zou hem een ander lot wachten. Platgestampt zou hij worden! Uiteindelijk zouden Tarrasch en Lasker in 1908 dan toch nog tegen elkaar spelen. Voorafgaand aan de match snauwde Tarrasch de wereldkampioen toe: "Tegen u, Herr Doktor, heb ik slechts twee woorden te zeggen! Schaak! En mat!" Tarrasch zou vervolgens kansloos verliezen. Met 8 - 3, remises niet meegerekend. Later zou Tarrasch heel wat milder worden. Daar moest ie waarschijnlijk eerst voor beseffen dat ook hij maar mens is.
De partij tussen Nimzowitsch en Tarrasch zou overigens geweldig spannend worden.
Maar het ging mij om het moment dat Tarrasch op de zesde zet had. Het moment van: 'het zag er zo goed uit, maar het valt dus behoorlijk tegen.' Schijn bedriegt.
Gespannen verhoudingen
In 1886 kregen Steinitz en Zukertort tijdens hun partijen om het wereldkampioenschap champagne te drinken, omdat men in die tijd meende dat alcohol de hersenactiviteiten stimuleerde.
Steinitz en Zukertort gedurende hun WK uit 1886.
Zou Aljechin hetzelfde gedacht hebben? Aljechin staat erom bekend de WK-match tegen Euwe verloren te hebben omdat hij meer dronken dan sober achter het bord gezeten had. Wist Aljechin de waarheid over drank? Ik vermoed van wel. Na de Eerste Wereldoorlog raakten vele Amerikaanse soldaten hopeloos aan de drank, wanhopig als ze probeerden de gruwelen van de loopgravenoorlog te vergeten. Het alcoholisme vierde hoogtij en Verstandige Mensen in de Verenigde Staten zagen zelf met eigen ogen hoe drank meer kapot maakte dan hen lief was. De drooglegging van de twintiger jaren was de directe consequentie ervan. Ook Aljechin werd wakker geschud. Na het verlies tegen Max Euwe zwoor hij de drank af en won gedecideerd de herkansingsmatch.
Links staat Aljechin, kijkend naar het bord waarachter Max Euwe nog nadenkt. Beroemde scène ten overstaan van de Nachtwacht.
Vóór die Eerste Wereldoorlog was echter de beeldvorming over alcohol niet bepaald negatief. Was Jezus niet zo vriendelijk geweest om tijdens een bruiloft water in wijn te veranderen? En niet alleen alcohol, ook roken was volgens kenners goed voor de hersenen. De Engelsman Amos Burn (hij leefde van 1848 tot 1925) was één van de sterkste spelers ter wereld. Als Amos Burn aan het schaakbord ging zitten, legde hij eerst een rijtje pijpen voor het schaakbord neer. Dan stalde hij een mes met een pijpenrager, 17 kleine mesjes, een kurkentrekker en een schoenlepel; een zak tabak, een aantal sigaren, lucifers, een asbak en een spuwbak uit. Achter het schaakbord, links van het schaakbord en rechts van het schaakbord. Vervolgens liep hij alles nog even langs om te controleren of zijn hele uitstalling daadwerkelijk nu binnen handbereik was. Indien dit het geval was, verscheen er een brede glimlach op zijn gezicht. Tevreden en voldaan deed dan hij de openingszet: 1.d2-d4.
Zijn tegenstanders wisten dat. In 1900 besloot Marshall zo snel te spelen dat Burn uit zijn ritme raakte. Zet 4: Burn is op zoek naar zijn pijpenrager. Zet 8: Burn begin zijn pijp te vullen. Zet 12: Burn is op zoek naar lucifers, maar heeft geen tijd meer omdat Marshall hem alweer aan het denken zet. Zet 14: Marshall heeft zoveel chaos op het bord geproduceerd dat de lucifer in de hand van Burn uitbrandt. Zet 16: een nieuwe lucifer! Zet 17: Burn kijkt met de lucifer in zijn hand verslagen naar het bord. Hij geeft op omdat het een zet later mat is. Marshall: "Arme Burn. Ik heb hem daar geschwindeld. Al had ik hem de tijd gegeven om zijn pijp aan te steken, was het ongetwijfeld een heel ander verhaal geweest." Tot zover het relaas van de partij die de geschiedenis is ingegaan als 'The pipe game'.
Maar toen moest Burn voor het eerst tegen Nimzowitsch spelen. Dat was in het toernooi van San Sebastian, 1911. Nimzowitsch stond bekend om zijn uitgesproken walging tegenover tabaksrook en was er dan ook helemaal niet blij mee dat schaken zich doorgaans voltrok in rokerige aangelegenheden. Kun je je voorstellen wat er door Nimzowitsch heenging toen hij voor het eerst tegenover Burn moest plaatsnemen? Eerst de pijp helemaal aan de rechterkant. Puf, puf. Mmmmm, wat smaakt dat lekker! De rookwolkjes worden luchtigjes in de lucht geblazen. Dan de tweede pijp. Langzaam daalt er een nevelige mist neer rond het schaakbord. Maar waar is mijn derde pijp? Snel maar even wat extra tabak uit mijn jaszakje halen. Ondertussen duurde deze partij meer dan zeventig zetten. Zeventig lange zetten. Met elke zet groeide de ergernis van de Grote Aaron Nimzowitsch. Met elke zet nam de dichtheid van de rooknevels toe. Nimzowitsch, bekend als onverbeterlijke heethoofd, liet het allemaal over zich heengaan. Maar van binnen kolkte hij.
Na de Eerste Wereldoorlog werd Nimzowitsch fervent tegenstander van het roken, gesteund door de kentering in het maatschappelijk gedachtengoed. Bij voorkeur werd roken tijdens schaken verboden. In 1927, tijdens het toernooi van New York, zou hij tegen Vidmar spelen, een gepassioneerd roker. Met de hulp van wedstrijdleider Maroczy kreeg Nimzowitsch het zover dat professor Vidmar niet zou roken gedurende de partij. Maar gedurende die strijd miste Vidmar zo sterk zijn tabak, dat hij instinctief zijn pijp, tabak en lucifers naast het schaakbord uitstalde. Gelijk gingen de stekels van Nimzowitsch recht overeind staan! Die truc had hij eerder gezien! Waar er één pijp wordt neergelegd, volgen er meer!
Woedend gaat hij gelijk naar de wedstrijdleider. "Mijnheer Maroczy! Mijnheer Vidmar heeft toch beloofd om niet te roken, of wel!" Maroczy kijkt verschrikt op naar de professor uit Joegoslavië. "Ja, maar Vidar rookt toch ook niet?" Nimzowitsch: "Nee, maar hij dreigt om te roken, en jij als oude schaakspeler zou toch beter moeten weten: de dreiging is sterker dan de uitvoering!"
New York, 1927. Links achter het bord zit Spielmann, rechts achter het bord Marshall. Staande, van links naar rechts: Maroczy, Nimzowitsch, Vidmar, Aljechin, Capablanca, Lederer.
