Tijdnood

Robert Beekman

Eén van de lastigste onderdelen in schaken is het omgaan met tijd. Telkens weer taxeren of het nog zin heeft om een bepaalde variant wel of niet goed door te rekenen. Het middenspel is bij uitstek de fase waar de meeste tijd aan gespendeerd wordt bij schaken. Het eindspel moet dan maar wat sneller gespeeld worden.

Wie kent nog Walter Browne, rechts in beeld? In zijn glorietijd, de zeventiger jaren, was het een beest achter het schaakbord. Rechts ziet u de enorme concentratie die hij kon opbrengen. Handelsmerk was zijn tijdsindeling. De wedstrijd duurde in die tijd 2,5 uur voor 40 zetten, en Browne deed over de eerste twintig zetten 2 uur en 25/28 minuten, en de laatste 20 zetten timmerde hij daar snel achteraan.

Nu is dat op zichzelf niet zo bijzonder. Wel bijzonder is dat Walter Browne de tweede twintig zetten net zo goed speelde als de eerste. Er was amper niveauverschil te ontdekken. En dat is wel degelijk frappant; de meeste spelers gaan met minder bedenktijd toch echt fouten maken. Walter niet. En dat verschil zit 'm in een enorm scherp tactisch inzicht.

Reshevsky was ook één van die notoire tijdnoodschakers. En hij was daar tamelijk optimistisch over. Volgens Sammy was het helemaal niet zo ongunstig dat hij altijd in tijdnood zat. Hij had de stelling dan juist bijzonder goed doorgrond en wist precies wat hij in de laatste fase voor de tijdcontrole moest spelen. Bovendien werden zijn tegenstanders juist heel erg nerveus. Het was dus zelfs een psychologisch voordeel!

Links Reshevsky - Fischer, 1961. Gespeeld in een onderlinge match. Vorige week las u al dat Reshevsky niet naar de Olympiade van Leipzig (1960) wilde komen, omdat hij per se achter het eerste bord wilde plaatsnemen. Fischer was toen nog maar zeventien jaar oud, en uiteraard was Reshevsky het dik en breed vergeten dat hij zelf ook ooit wonderkind geweest was. Een paar maanden later (januari 1961) wint Fischer het kampioenschap van de Verenigde Staten met 9 uit 11. Reshevsky verklaart vervolgens publiekelijk dat Fischer 'toevallig' wel het nationale kampioenschap gewonnen mocht hebben, maar dat hij in een onderlinge match absoluut de betere papieren zou hebben. Fischer, minimaal zo principieel als Reshevsky, laat dit uiteraad niet over zijn kant gaan en neemt de impliciete uitnodiging aan.

Niet eerder was de spanning zo om te snijden in een match! Op een gegeven moment weigerden de beide kemphanen nog langer met elkaar te praten. Reshevsky vond het te warm en wilde dat de airconditioning aangezet werd. Uiteraard had Fischer het juist weer te koud; van hem moest de verwarming áán.

Uiteindelijk zou de match bij 5,5 tegen 5,5 gestaakt worden. Reshevsky was orthodox joods en wilde de twaalfde partij op zaterdag graag vroeg spelen, vóór zonsondergang. Fischer weigerde op zo'n vroeg tijdstip te spelen en bleef weg, waarop de partij reglementair aan Reshevsky toegekend werd. Fischer dreigde daarop uit de match te stappen. De voorzitter van de American Chess Federation greep in en zei dat voortaan op het afgesproken tijdstip gespeeld moest worden. Maar toen ontstond het volgende dilemma: is de volgende partij nu de dertiende of de twaalfde? Volgens de toernooiorganisatie had Fischer zonet de twaalfde partij reglementair verloren, maar Fischer claimde - net als Kramnik tegen Topalov - dat hij ten principale gelijk had gekregen en dat dus de twaalfde partij overnieuw gespeeld moest worden. En net als bij Kramnik tegen Topalov werd dat geweigerd. Reglementair verliezen is reglementair verliezen, ook al heb je gelijk!

Maar Fischer was op achttienjarige leeftijd reeds principiëler dan Kramnik: hij stapte uit de match. De organisatie gaf hem 35 % van het prijzengeld - het geld van de verliezer. Fischer kondigde vervolgens aan juridisch te procederen - en deed dat ook. Hij verloor, evenwel.

Terug nu naar die ene stelling. Reshevsky heeft nu, in de vijfde matchpartij, winnend voordeel. We weten inmiddels dat de inzet het allerhoogst denkbare is: de Eer van de Schaker! Beide spelers zitten verbeten achter het bord. Beiden willen winnen.

Het handigste is nu 33.Txb6. Wint simpel. Zwart komt met zijn pionnen op de koningsvleugel opzetten, en daarom moet wit zo snel mogelijk promoveren. Maar wit zit in hoge tijdnood! Om deze gewonnen stelling te bereiken had hij zijn tijd goed besteed, maar nu nog in vliegende tijdnood acht zetten afraffelen! Reshevsky speelde 33.Tc2. Niets aan de hand. Wit staat nog steeds gewonnen. Er volgde 33.Tc2 Td3 34.Txb6 Txe3 35 a5 f4.

Op dit moment is 36.Tb4 opnieuw winnend. Wit gaat aan het paard hangen waardoor de zwarte toren niet meer flexibel is. Op het moment dat zwart matdreigingen opstart, kan wit alsnog de kwaliteit offeren en met de eigen pion promoveren. Reshevsky speelde echter - met de vlag op vallen - 36.Tf2. Hij dacht dat zwart de witte pion nu al niet meer kon tegenhouden. Maar dat was niet zo. 36.Tf2 Pxf2 37.Kxf2 Te5 38.b4 Te3! 39.a6 Ta3.

 

De laatste zet voor tijdcontrole! Wit speelt 40.Tc6 - de verliezende zet. 40.b5 had nog remise gehouden. En Fischer geeft zijn winstpositie niet meer uit handen. Allicht niet. Hij zat de hele partij ook niet in tijdnood. Hij kwam überhaupt zelden in tijdnood.

Tijdnood! In een paar zetten tijd verdwijnt het winnende voordeel als sneeuw voor de zon. Totaal gewonnen - gewonnen - remise - verloren. Had Reshevsky maar net iets langer kunnen nadenken!

Overigens zou Fischer in 1967 opnieuw van Reshevsky winnen. Reshevsky kwam toen keurig op tijd opdagen en bracht met een harde dreun de klok van zijn tegenstander in werking. En toen wachtte hij. En wachtte hij. En wachtte hij. Dit duurt wel heel erg lang voordat Fischer komt opdagen. Zou er iets gebeurd zijn? Twee en en half uur voor veertig zetten had je toen nog. Twee uur en vijfentwintig minuten tikten genadeloos voorbij. Met nog vijf minuten op de klok kwam Fischer ineens binnenstormen (het FIDE-uurtje bestond kennelijk nog niet). Vijf minuten nog maar! En hij timmerde Reshevsky gewoon van het bord af.

Of hij het er om deed, weet ik niet. Maar ik stel me zo voor dat Fischer onmiskenbaar een punt wilde maken: ik zal jou wel eens laten zien hoe je in tijdnood moet spelen!

Links Reshevsky, rechts Fischer, in hun beladen match van 1961.

Opnieuw: links Reshevsky, rechts Fischer.

Het taktisch remiseaanbod

Met uitzondering van echte potremise stellingen, heeft doorsnee remiseaanbod door de loop van de tijd altijd een onethisch aureool behouden. Zoals bij de twee grootmeesters die elkaar ontzien met een vroegtijdige remise.

Fameus is Reshevsky – Short, 1985. Reshevsky is 75 jaar oud en speelt tegen de jongste grootmeester van dat moment: de twintigjarige Short.

Reshevsky: Speelt u op winst?
Short: Is dit een remise aanbod?
Reshevsky: Ik kan je niet verstaan!
Short (luider): Is dit een remise aanbod?
Reshevsky: O. Biedt jij mij remise aan?
Short: Nee!

Deze dramatische voorbeelden ten spijt blijft het overeenkomen van remise een onderonsje tussen spelers. Het publiek kan er maar weinig waardering voor hebben. En dan met name als het bord nog vol stukken staat. Maar op de een of andere manier gebeurt dat tegenwoordig steeds minder. Als ik naar de toptoernooien van tegenwoordig kijk, zie ik niet meer wat ik vroeger veel regelmatiger zag: korte grootmeesterremises. In Linares is de regel van Rentero inmiddels afgeschaft: remises voor - ik meen - de dertigste zet zijn verboden. Maar de strijdlust is niet veranderd. Topalov offert tegen Kramnik gewoon en opportunistisch een vol stuk. En won.

Dubrovnik, 1950. Gewetensvraag. Is het remiseaanbod van Reshevky in de linkerstelling onethisch of niet? Wit speelde 24.Pd2 en terwijl zijn tegenstander (Mastichiadis) de zet opschreef zag hij in een flits dat zwart met 24… Pxf2 kon winnen. Snel bood hij remise aan wat zwart gelijk aannam, blij als hij was tegen een vooraanstaand grootmeester remise te spelen.

Misschien zult u dit aanbod niet als onethisch beschouwen, maar als een slimme truc. Alleen voorbehouden aan slimme grootmeesters.

Want ook Mastichiadis had ongetwijfeld Pxf2 snel gevonden.

Reshevsky tegen Rothman in 1943.

Zorgeloosheid

Op een keer zegt Euwe tegen de Amerikaanse zakenman Bisno dat hij Reshevsky sterker acht dan Fine, maar niet zo sterk als Botwinnik. Op datzelfde moment komt Reshevsky binnen. Bisno zegt, terwijl Reshevsky zijn jas aan de kapstok hangt, dat ze het net over hem hadden en dat Euwe hem sterker vindt dan Fine.

I know, I know, roept Reshevsky terug, Dr Euwe is my friend!
Nee, nee, corrigeert Bisno hem, Dr Euwe probeert een objectief oordeel te vellen. Zo vindt hij je toch iets zwakker dan Botwinnik.
Reshevsky: That shows he is not that kind of a friend!

Rechts Euwe en Reshevsky.

In een van zijn historische bespiegelingen zegt Euwe dat Reshevsky als kind sterker speelde dan op volwassen leeftijd. Een opvallende constatering, maar niet onterecht. Toen Reshevsky acht jaar oud was, gaf hij al simultaans aan sterke Europese schakers en versloeg het merendeel van hen.

Samuel Reshevsky. Toen hij acht was, emigreerde hij met zijn ouders naar de Verenigde Staten. Daar speelde hij 1500 simultaanpartijen, waarvan hij er 8 verloor. Niet alleen amateurs, maar ook spelers uit de wereldtop werden verslagen, zoals Janowski. Tot zijn ouders problemen kregen met de autoriteiten in verband met de wet op leerplicht en kinderarbeid. Op tienjarige leeftijd moest Reshevsky zijn loopbaan als wonderkind stoppen. Want tsja, school had hij nooit gehad. En rekenen kon hij niet.

Maar waarom stootte hij dan niet door naar de wereldtop? Was dat omdat hij ook nog het beroep van accountant wilde uitoefenen? Misschien. Maar Euwe weet het aan de zorgeloosheid van de jeugd. Op oudere leeftijd maakte Reshevsky zich meer zorgen, controleerde hij de varianten nauwkeurig en zocht hij meer zekerheid. Als jeugdig schaker vertrouwde hij meer op zijn intuïtie.

Op latere leeftijd kwam hij aldus veel te vaak in ziedende tijdnood. Hij constateerde met tevreden glimlach dat een aantal tegenstanders er meer moeite mee hadden dan hij. By playing slowly during the early phases of a game I am able to grasp the basic requirements of each position. Then, despite being in time pressure, I have no difficulty in finding the best continuation. Incidentally, it is an odd fact that more often than not it is my opponent who gets the jitters when I am compelled to make these hurried moves.

Dat klopt. Ik krijg er zelf ook altijd de kriebels van een tegenstander die zich in ernstige tijdnood bevindt. Maar de wereldtop heeft er géén last van. En de wereldtitel is altijd buiten zijn bereik gebleven.

Euwe en Reshevsky in 1938.