Beekman
Meerdere artikelen over Tal
Hieronder artikelen die eerder in de Partij van de Week verschenen zijn en die over Mihael Tal gaan.
Lachen met Fischer en Tal
Zo vlak voor het slapen gaan heb ik de laatste week mezelf geamuseerd met een biografie over Fischer. Eén illusie ben ik in elk geval armer geworden. Ik meende namelijk dat bij Fischer pas de stoppen waren doorgeslagen op latere leeftijd. Zijn idiote geraas over de Joden, Amerikanen en alles dat in zijn ogen verdorven is, is inderdaad pas op latere leeftijd naar boven komen drijven. Echter, misschien is zijn taalgebruik wat extremer geworden, in essentie is hetzelfde patroon door zijn hele leven zichtbaar.
En dat is het patroon van iemand die onverkort zichzelf op de bovenste ladder plaatst en onvoorstelbaar slecht zich kan verplaatsen in gevoelens van een ander of rekening kan houden met een ander. Als hij tot uitspraken komt als "In schaken gaat het erom de persoonlijkheid van een ander te breken, te vermalen en in mootjes te hakken, net alsof je de mensheid van een stinkende pestbuil bevrijdt", is het nog de vraag of hij beseft wat hij zegt. Het is de keerzijde van een andere uitspraak: "In schaken heb je zelfvertrouwen nodig. Véél zelfvertrouwen. Maar het moet wel op feiten gebaseerd zijn." Wás het dan op feiten gebaseerd? Voorafgaand aan de match tegen Spassky beweerde hij dat er helemaal niets van zijn tegenstander zou overblijven, terwijl er slechts vijf partijen waren gespeeld tussen hen, waarvan Spassky er drie gewonnen had, en twee in remise geëindigd waren. Toch hóéfde de match niet gespeeld te worden, volgens Fischer. Het was toch hartstikke duidelijk wie er veel sterker was?
Ja, bij hem wás het ook op feiten gebaseerd, concluderen we dan achteraf. Echter, stel nu dat dit niet het geval was geweest? Dan hadden we zijn uitspraken niet gezien als toonbeeld van groot zelfinzicht, maar als getuigenis van een absurd arrogant kwalletje. Of als grapje. Een paar anekdotes een rijtje gezet:
Fischer loopt met een bedenkelijk gezicht door de speelzaal. Lombardy vraagt hem: "Wat is er aan de hand?" "Ik sta slecht", antwoordt Fischer. Lombardy: "Bied dan remise aan." Fischer: "Zo slecht sta ik nu ook weer niet!"
Op de Schaakolympiade te Varna, 1962, kijkt Fischer naar het bord, en zegt met stellige stem tegen zijn tegenstander (Uhlmann): "Remise!" Uhlmann kijkt hem verbaasd aan, en sputtert tegen: "Ja, maar ... dan moeten we dan toch overeenkomen, of dan moet er toch drie maal zetherhaling geweest zijn?" Fischer: "Jij neemt die remise aan, precies zoals ik dat zeg! En anders spelen we door en ga ik je alsnog pletten!" Uhlmann haalde vervolgens laconiek zijn schouders op en nam het 'remise-aanbod' maar aan.
Op diezelfde Olympiade vraagt iemand om zijn handtekening. Beestachtig groot schrijft hij zijn naam over het hele kladblok. Als de vrouw vraagt waar andere grootmeesters nu hun handtekening moeten plaatsen, antwoordt Fischer: "Die anderen zijn onzin!"
Fischer, reflecterend op de waarheid van de werkelijkheid, herhaalt het paradigma van Bogoljubow: "Als ik wit heb, win ik omdat ik wit heb. Als ik zwart heb, win ik omdat ik Fischer ben."
Een collega grootmeester vroeg Fischer, toen hij met 6-0 van Taimanov gewonnen had: "Wat vond je van Taimanovs spel?" Fischer antwoordde: "Ik geloof dat hij heel goed piano speelt!" (Verwijzend naar de andere carrière van Taimanov: die van wereldberoemd concertpianist.)
Maar dat laatste zei hij op een boosaardige toon. Ik kon ook niet echt ontdekken of Fischer nu wel of niet wist dat hij een grapje maakte. Wás het wel een grapje? Toen een taxichauffeur met hem en Tal door New York reed, zei de taxichauffeur "Als we een ongeluk krijgen, staat er morgen in de krant: 'Sielecki sterft met twee onbekende passagiers!' Tal moest lachen, maar Fischer begon aan uitgebreid uitleggen. 'Nee, Sielecki, hier in Amerika ben ik bekender dan jij. Kijk ...'
Hierboven Tal en Fischer in opperbest humeur. Het schijnt dat Fischer ooit bij Tal zijn hand ging lezen: "Ik zie dat je binnenkort je titel van wereldkampioen gaat verliezen van een jonge Amerikaan..." Tal draaide zich gelijk om naar Lombardy, die naast hem stond, en zei: "Gefeliciteerd, Bill!"
Van Tal was wel bekend dat hij een groot gevoel voor humor had.
Een fout komt nooit alleen
Robert Beekman
Het algemene overheersende gevoel is vaak: één foutje en het is afgelopen. Resteert mij te hopen dat de tegenstander onnauwkeurig speelt. Misschien is dat in sommige gevallen ook wel zo. Maar lees wat Euwe hierover te melden heeft:
"Vroeger, als iemand de eerste fase van de partij verloren heeft, deed men nog meer zwakke zetten en ging men roemloos ten onder. Dat is niet langer het geval. Over het algemeen is één fout onvoldoende om een partij te verliezen. Er zijn twee fouten nodig om het pleit te beslechten. Daarom verliezen sterke spelers zelden hun partij. Uiteraard vergissen ook zij zich van tijd tot tijd, maar zij beperken hun fout tot één per partij. Men weet dat men niet hoeft te wanhopen na de eerste fout - mits de fout natuurlijk niet te ernstig is. Hij kan nog steeds vechten en zijn tegenstander moet de zaken zo gecompliceerd maken dat er een tweede fout gemaakt wordt. Schaken is twee keer zo moeilijk geworden; om één punt te scoren moet je twee keer winnen.
Een citaat anno 1966. En een leerzame les. Door de teleurstelling gaat de schaker bij de pakken neerzitten en volgt al snel de tweede fout.

Links Fischer - Tal, 1961. Al zes keer eerder hebben ze tegen elkaar gespeeld. Naast twee remises won Tal er vier. Niet dat Fischer geen kansen had; Tal was nét iets slagvaardiger. Het spreekt voor zich dat een speler als Fischer hierdoor dubbel zo gemotiveerd is om te winnen.
Dan volgt een vingerfout van Tal. Hij was 6... a6 7.Lg2 Pf6 van plan, had dat ook opgeschreven, maar speelde 6... Pf6. "Eén keer per jaar overkomt het me dat ik de eerste zet van een variant opschrijf en de tweede zet speel." Tal loopt rond door de zaal en ziet dan op het demonstratiebord dat Fischer 7.Pdb5 gespeeld heeft. Maar dat kan toch helemaal niet? Waarom offert Fischer een paard? Hij gaat terug naar zijn bord en ontdekt tot zijn afgrijzen dat hij geen 6... a6 gespeeld heeft, maar 6... Pf6. Terneergeslagen neemt hij achter het bord plaats.

Er volgt 6... Pf6 7.Pdb5 Db8 8.Lf4 en de linkerdiagram ontstaat. Probably the losing move! zegt Fischer over 6... Pf6. Vanuit dezelfde veronderstelling dat één onnauwkeurigheidje de partij zou moeten kosten. Maar dat is niet zo. Zwart kan hier nog 8... e5 spelen, terwijl Tal 8... Pe5 speelt. Nu wordt het inderdaad een stuk moeilijker. De partij gaat verder met 8... Pe5 9.Le2. Fischer: "Perhaps Tal underestimated this simple move. It prepares Qd4 and keeps an eye on the b5-square."

Maar pas in deze stelling doet Tal de beslissende fout: 9... Lc5. Nog altijd was 9... Pg8 mogelijk, leidend tot een licht beter eindspel voor wit - maar win dat nog maar eens. Er zijn voldoende grootmeesters een licht beter eindspel ingegaan dat niet gewonnen werd.
Drie fouten maakt Tal. Direct achter elkaar. Uit het veld geslagen door de eerste fata morgana. En pas de derde fout was doorslaggevend. Ik geef toe dat zwart wel gelijk héél nauwkeurig moet spelen. Maar het ging mij om het paradigma van Euwe: de schaker hoeft na één fout nog niet te wanhopen.
"Finally he has not escaped me!" riep Fischer achteraf uit, verwijzend naar de gewonnen posities die hij al eerder bereikt had, wat niet af te lezen was aan de onderlinge -4 = 2 + 0 score. "It is difficult to play against Einstein's theory" verzuchtte Tal en ik vraag me af of hij niet de Wet van Murphy bedoelde. Evengoed won Tal het toernooi van Bled afgetekend door naast deze enige nederlaag elf overwinningen te boeken. Met slechts zeven remises erbij is dat een monsterscore. Hieronder de partij; wordt tevens duidelijk wat Tal wél had moeten spelen. Naast het feit dat Fischer even later met een prachtig dameoffer komt.
Spreekwoorden
Tal: "Een oud Russische spreekwoord luidt: de vader sloeg zijn zoon, niet omdat hij gokte, maar omdat hij het verloren materiaal probeerde terug te winnen."
Het ging Tal om de oorspronkelijke intentie van het offer. En die ging om het initiatief. Zodra je het materiaal weer terugwint, kost dat doorgaans tijd en kan de tegenstander zich weer herpakken. Ben je eenmaal begonnen een pad in te slaan, is er geen weg terug meer.
Fischer: "Als je materiaal kunt pakken, doe dat dan. Tenzij je een goede reden ziet om dat niet te doen."
Ja, dat deed hij tegen Tal in het begin dan ook. Maar hij ging er wel vaak af. Pas later begreep hij hoe hij Tal moest aanpakken: zelf het initiatief nemen en niet meer uit handen geven.

Eén van de mooiste schaakfoto's die ik ken: Tal geeft Fischer een bloem, terwijl ze gebroederlijk samen opwandelen.
Inderdaad, Fischer en Tal hadden een goede verstandhouding. Fischer zocht als enige schaakcollege Tal ook in het ziekenhuis op. Hij had met meer Russen een goede verstandhouding. De keerzijde van iemand die tegelijkertijd over de Russen kon razen en tieren en uitspraken deed als: "I like the moment when I break a man's ego."
Fischer offerde ook regelmatig, maar niet zo speculatief als Tal. De twee citaten boven de foto geven aan dat er twee spelers nodig zijn om spektakel op het bord te krijgen: één die aan het offeren slaat, en de ander die het toestaat of misschien zelfs uitlokt en aanneemt.
Langs de poorten van de hel
Robert Beekman
1958. Het kampioenschap van de Sovjet-Unie wordt gespeeld in Riga, de geboorteplaats van Mikhail Tal. In de laatste ronde staan Tigran Petrosian en Mikhail Tal bovenaan met 11,5 uit 17 wedstrijden. Op de derde plaats stonden Youri Averbach en Boris Spassky met 10,5 punt. De laatste ronde: Averbach - Petrosian en Spassky - Tal! Drie wereldkampioenen strijden om te titel, maar ze weten dat nog niet. Tal, Petrosian en Spassky moeten namelijk nog wereldkampioen worden, want dit is pas 1958. Rechts een foto van Tal tegen Spassky gedurende een vluggertje.
Petrosian biedt een volle toren aan, maar Averbach weigert het aanbod en de partij wordt remise. Het zal dus afhangen van Spassky - Tal. In die partij komen beide spelers met pionoffers en biedt Tal een kwaliteit aan. Na de 23ste zet biedt Tal remise aan omdat de partij vervlakt is en naar zijn idee gelijk is. Spassky weigert. Tal zou later schrijven: "Misschien wel terecht." Direct na het remiseaanbod begaat Tal een onnauwkeurigheid. Onthoud dit moment. Hij biedt remise aan en maakt een fout. Klassiek patroon.

Links de stelling na de 38ste zet. Zwart heeft net een witte pion op e3 geslagen. De bewuste materiaalverhouding begon al een paar zetten eerder en dit eindspel zou in totaal 37 zetten duren. Op zet 46 werd afgebroken.
Nu hadden beide spelers in dit toernooi al meerdere afgebroken partijen achter de rug. Tegenwoordig zijn afgebroken partijen afgeschaft, mede vanwege de computer. Een zegen voor de spelers, want vroeger betekende een afgebroken partij steevast dat de hele nacht doorgeanalyseerd moest worden. Tal over de nachtelijke analyse van deze partij, die hij samen met zijn trainer Koblents deed: "Zo rond 5 uur in de ochtend werd de analyse afgebroken om technische redenen: één van de schakers viel in slaap."
Spassky deed uiteraard niet voor hen onder. Ook hij ging bijna de hele nacht door. De volgende dag kwam hij in de toernooizaal Petrosian tegen. Hij glimlachte en zei vervolgens tegen hem: "Vandaag wordt jij kampioen." Immers, als Tal verloor zou Petrosian als enige bovenaan staan. Petrosian keek hem aan en zag een ongeschoren man met rooddoorlopen ogen en een doodvermoeid gezicht. Hij beantwoordde de glimlach dus niet.

De partij gaat door en door en bij elke zet moet er verschrikkelijk veel uitgerekend worden. Iedere zet bevat zoveel verschillende keuzemogelijkheden dat de schakers er knettergek van worden. Gedurende de partij en ook direct erna vond niemand een winst. Tal bood voor de tweede keer in de partij remise aan, en voor de tweede keer werd het afgewezen. Tal in zijn Memoires: "Ik had het gevoel dat het evenwicht nergens verbroken was. Spassky onderkende dit niet, speelde door voor de winst en ging te ver." Maar jaren later kwam Chekhover (in 1972: "Spassky's 100 Best Games") met analyses waarbij bleek dat wit wel degelijk winst gemist had. In de linkerdiagram zei hij dat tien zetten na het afbreken het gespeelde 57.Df8 verkeerd was en hij gaf: 57.g4 hxg4 58.Df8+ Kf6 59.fxg4 Te6 60.Tc3 Te4 61.Tf3+ Ke6 62.g5 De7 64.Dc8+ Kd6 65.Dc5+ Kd7 66.Dxd5+ Ke8 67.Dxe4 Dxe4 68.Te3 en gewonnen pionneneindspel. Geheel correcte analyse; de computer bevestigt elke zet.
Lang werd gedacht dat Spassky maar één moment had om toe te slaan, maar tegenwoordig laten de schakers gewoon de computer los op deze partij en dan blijkt dat Spassky meerdere momenten heeft gehad om toe te slaan. Een zet later kon g4 bijvoorbeeld ook nog. En een zet vóór de diagram werd 56.Ta8-c8 Te6-d6 gespeeld. 56.Tc8 krijgt van Tal een uitroepteken omdat zwart belangrijke velden wordt ontnomen, maar krijgt van de computer een vraagteken omdat deze zegt dat 57.Db8 Kf6 58.g4 hxg4 59.fxg4 Te4 60.Dh8 Ke7 61.Df8 Kf6 62.Ta6 Te6 63.g5 Kf5 64.Da3 Kg4 65.Df3 Kh4 66.Df4 Kh5 66.Ta1 wit beslissend voordeel geeft.

Weer tien zetten later. Zet 63 inmiddels. Spassky doet 63.Tc8 en nu is hij degene die remise aanbiedt. Tal zegt daarop: "Laten we nog wat doorspelen." De zet 63.Tc8 blijkt de beslissende fout te zijn. Het lijkt op wat eerder in de partij gebeurde. Het moment van remise aanbieden is een moment dat de gedachten naar het gewenste resultaat gaan en dat niet goed doorgerekend wordt wat de beste zet is. Een kwetsbaar moment, dus. Misschien had Tal sowieso wel doorgespeeld, maar na deze zet dacht hij ongetwijfeld: "En nu gaan we zeker door!"
Daarnaast speelt nog een ander psychologisch dilemma een rol mee: het is vreselijk moeilijk om om te schakelen naar remise maken als je zolang op winst speelt. Meestal klinkt de alarmbel "remise maken" veel te laat door het eigen hoofd.
Er volgen nog een zevental zetten: 63.Tc8 Da6 64.Kg3 Dd6 65.Kh3 Te1 66.g3 Tg1 67.f4 Te1 68.Tc2 De6 69.Tf2 Th1 70.Kg3 De4 71.Tf2 Kg4 72.Dc8 f5.

De eindstelling. Spassky kijkt helemaal gebroken naar het bord en realiseert zich dat hij totaal verloren staat. Immers, na Dc3 volgt Tf1 en afwikkeling naar een gewonnen pionneneindspel.
Hij geeft op. Een stormachtig applaus breekt er los in de zaal. Het publiek is werkelijk niet meer te houden. De partij vond immers plaats in Riga, weet u nog? De geboorteplaats van Tal! Het podium werd bestormd door doldwaze supporters die Tal aan alle kanten feliciteerden en vervolgens op de schouders de zaal door droegen. Spassky daarentegen was helemaal verdwaasd en liep als in trance naar buiten toe. Later zou Spassky zeggen: "Buiten huilde ik als een kind. Ik herinnerde me dat ik in 1951 verloren had van Smyslov bij een kloksimultaan en dat ik mezelf toen beloofd had nooit meer te huilen. Maar na dit verlies van Tal kon ik mijn woord niet houden."
Kasparov zou in zijn My Great Predecessors maar liefst zes bladzijden wijden aan deze partij en de lezer erop wijzen dat Tal zich door deze winst plaatste zich voor de cyclus om het wereldkampioenschap, aan het eind waarvan hij glorieus wereldkampioen werd door Botwinnik te verslaan! Voor Tal was dit dus een cruciale overwinning langs de poorten van de hel. Spassky plaatste zich juist niet. Hij moest nog zes jaar wachten, terwijl hij al die jaren Tal blééf verslaan. In 1972 had hij dit opgebouwd tot 9 - 2 in het voordeel van Spassky. Met deze partij was het zelfs 10 - 1 geweest. Net die ene dag niet. Soms wil de geschiedenis een ander verhaal vertellen.
Boris Spassky tegen Mikhail Tal. Een foto uit bovenstaande partij van 1958. Links op de achtergrond ziet u een demonstratiebord met daarop de partij Averbach - Petrosian.
Fischer tegen Tal, 1961.
Tal en Botwinnik
Robert Beekman
In 1960 en 1961 speelde Tal en Botwinnik twee matches om de wereldtitel. Tal won, zoals bekend, de eerste, Botwinnik won de return-match, waarop de wereldkampioen in die tijd altijd recht had. De matches waren een interessante discussie tussen activiteit versus positiespel.
Op een gegeven moment vroeg Botwinnik aan Tal: Waarom offer jij die pion? Tal maakte een achteloos gebaar met zijn hand en liet zich ontvallen: Ach, hij stond gewoon in de weg.
Nu koppelen de mensen dit antwoord aan Tals incorrecte offers. Had hij zelf niet gezegd: There are two kind of sacrifices: correct ones and mine.. Ook dit antwoord van Tal lijkt aldus een onzinnig antwoord, maar een pion offeren omdat ie in de weg staat is wel degelijk een goed argument. Of het correct was is nog een tweede.
Overigens was Tals opmerking wel degelijk als grap bedoeld.
Waarom won Tal de eerste en Botwinnik de tweede match? Volgens schaakjournalisten was de dynamiek in Tals spel te overweldigend in die tijd, en kon Botwinnik dit alleen maar te lijf gaan door in de tweede match afbraakschaak te spelen en saaie eindspelen te winnen.
Ik heb hier de autobiografie van Tal, thuis, en kan daar echter geen enkele verwijzing naar vinden. En ook de partijen leveren daartoe niet echt het overtuigende bewijs dat ik verwacht had. Tal, om die reden, noemt een andere reden voor het wisselen van het stokje:
(1) Gedurende de match van 1960 woonden Botwinnik en ik in aangrenzende hotelkamers. Voordat een partij begon, maakte mijn secondant me blij door Neapolitaanse liederen te zingen (geen idee wat dat is, maar ik stel me zo voor dat luid operageschal door het hotel galmt - RB). Dit inspireerde mij, maar demoraliseerde Botwinnik. In de return-match betrok Botwinnik een ander hotel.
(2) In de return-match duurde het acht partijen voordat ik mijn gelukspen gevonden had. Die pen vergat ik na die achtste partij mee te nemen. Het duurde een week voor hij weer teruggevonden was.
Uit de annalen een legendarische partij tussen Botwinnik en Tal. Tal komt daar met één van zijn fameuze offers die een belangrijke bijdrage zou leveren aan het binnenhalen van zijn titel. In zijn autobiografie schrijft Tal hoe moeilijk het was zich goed te concentreren omdat het publiek, in alle staat van opwinding door wat op het bord gebeurde, de tent zowat afbrak.
Tal en Botwinnik in hun WK-match van 1961.
Nog een keer Tal en Botwinnik.
Never ruin a good story
Frederic Friedel mailde me naar aanleiding van het Hypercube snelschaaktoernooi dit jaar. Friedel is één van de belangrijkste zo niet belangrijkste drijvende krachten achter www.chessbase.com. Prachtige website. U kunt zich voorstellen dat ik me vereerd voelde dat hij foto's en een deel van het verslag van Hypercube op één van mijn favoriete websites plaatste.
Nu klopte het verslag niet helemaal (Nederlands is hem nu eenmaal niet met de geboorte meegegeven) maar hij maakte er toch een leuk verhaal van. Dus wat maakt het uit? Ik wees hem gekscherend op dezelfde afwijking die ik ook heb en hij mailde me terug: You should, like me, keep the in mind following adage I heard from a very wise old man (let us call him Nigel Short). He said: "Never let accuracy ruin a perfectly good story."
Schitterend antwoord. Ik moest breed glimlachen want begreep precies wat hij bedoelde. De schaakwereld zit vol met anekdotes waarbij de werkelijkheid noodgedwongen verfraaid moet worden omdat iedereen anders uit pure verveling in diepe coma valt.
Recentelijk stuitte ik op nog zo'n voorval. Het gaat om de anekdote waarbij Botwinnik aan Tal vraagt: "Waarom offer jij die pion?" Het antwoord van Tal: "Ach, die pion stond gewoon in de weg." Sosonko memoriseert deze anekdote in zijn Russian Silhouettes - ook zo'n boek met schitterende verhalen. Het zou in 1958 plaatsgevonden hebben gedurende de schaakolympiade van München. Botwinnik is al zo'n tien jaar wereldkampioen en loopt als een patriarch langs de Russische borden. Wie is die jonge invaller op bord 4 eigenlijk? Streng spreekt Botwinnik hem toe als hij zich een frivool pionoffer veroorlooft. Onthutst is hij door het antwoord. Neemt de jeugd van vandaag het schaken wel serieus genoeg? Twee jaar later verovert Tal de wereldtitel. Op Botwinnik.

Prachtig. Ik wilde graag weten in welke partij dat dan plaatsgevonden had. Dus zoeken in de database tussen Tals partijen uit München. Is het misschien Tal - Minev? Uit de derde ronde? Zie linkerdiagram. Tal gaat hier verder met d5 exd5 Te1. Ik kan me niet voorstellen dat Botwinnik daar een opmerking over maakt. Het is een logisch en thematisch offer.
Of is het Beni - Tal uit de tweede ronde? Of Tal - Trifunovic uit de vierde ronde? Of Tal - Sanguinetti? Ik merk al snel dat het geen eenvoudige opgave is. De man offert in elke ronde minstens een pion.
Dan maar verder zoeken. Ik haal de autobiografie van Tal erbij. Niets kan ik erover vinden. En Tal heeft er zelf ook een handje van om anekdotes te verfraaien dan wel half-waar gebeurde verhalen te verzinnen. Dit zou hij zeker genoemd hebben. Nog verder kijken. Op de website van Max Pam vind ik een interview met Botwinnik.
De vraag van Max Pam, gesteld met behulp van Sosonko: Er is nog een anekdote. Op de olympiade in Leipzig (1960) bracht Tal weer een van zijn dubieuze pionoffers. U vroeg aan Tal: "Waarom heeft u dat gedaan?", waarop Tal antwoordde: "Ach, die pion stond gewoon in de weg". U zou zich daaraan geërgerd hebben, Door diezelfde ergernis verloor u een jaar later de match tegen Tal. Het antwoord van Botwinnik: "Dat is toch flauwekul. Ik heb mij tegen Tal wel geërgerd, maar het was niet Tal die mij ergerde. Ik ergerde mij aan mij eigen spel dat erg zwak was".
Weer diezelfde prachtige anekdote. We kunnen er natuurlijk niet genoeg van krijgen. Eén detail slechts: het gaat nu om de schaakolympiade van Leipzig, niet die van München. En nog opvallender: de olympiade van Leipzig vond plaats in oktober en november van 1960, terwijl de door Botwinnik match om het wereldkampioenschap plaatsvond van maart tot mei in datzelfde jaar. Hoe kan Botwinnik de match tegen Tal uit ergernis verliezen vanwege een gebeurtenis die pas een half jaar na de match zal plaatsvinden? En Botwinnik ontkent het ook, al wordt niet duidelijk of hij óók de gebeurtenis zelf ontkent.
Juichend steek ik twee gebalde vuisten in de lucht: nog zo'n anekdote die waarschijnlijk ergens wel een kern van waarheid bevat maar verder gewoon glashard verzonnen is!!
Tal en Botwinnik in hun WK-match van 1960. Aan de lichaamstaal van beide heren kun je al aflezen hoe de verhoudingen verdeeld zijn.
Het spektakel
Wie spektakel op het bord wil krijgen, is daarbij voor een groot deel afhankelijk van de eigen openingskeuzes. In sommige openingen / verdedigingen is de kans op offers aanzienlijk groter dan bij andere.
Je hebt daarbij wel de juiste mentaliteit nodig. Een paar citaten van twee beroemde grootmeesters:
Tal: "Een oud Russische spreekwoord luidt: de vader sloeg zijn zoon, niet omdat hij gokte, maar omdat hij het verloren materiaal probeerde terug te winnen."
Fischer: "Als je materiaal kunt pakken, doe dat dan. Tenzij je een goede reden ziet om dat niet te doen."
Eén van de mooiste schaakfoto's die ik ken: Tal geeft Fischer een bloem, terwijl ze gebroederlijk samen opwandelen.
Inderdaad, Fischer en Tal hadden een goede verstandhouding. Fischer zocht als enige schaakcollege Tal ook in het ziekenhuis op. Hij had met veel meer Russen een goede verstandhouding. De keerzijde van iemand die tegelijkertijd over de Russen kon razen en tieren en uitspraken deed als: "I like the moment when I break a man's ego."
Fischer offerde ook regelmatig, maar niet zo speculatief als Tal. De twee citaten boven de foto geven aan dat er twee spelers nodig zijn om spektakel op het bord te krijgen: één die aan het offeren slaat, en de ander die het toestaat of misschien zelfs uitlokt en aanneemt.
Aanval en verdediging
Is aanvallen lastiger dan verdedigen? Het wordt over het algemeen wel gezegd. Zelf merk ik het ook wel eens. Als de aanval makkelijk speelt, valt het de verdediger lastig zich goed op te stellen. Maar goed, wij spelen dan ook op lager niveau.
Grootmeesters spelen een stuk nauwkeuriger en rekenen scherper. Een blufzet wordt doorgerekend en tamelijk afgemeten weerlegd. De stelling moet dan een stuk chaotischer en complexer zijn wil de grootmeester de draad kwijtraken. Is aanvallen dan wel makkelijker dan verdedigen? Probeer immers maar eens zo'n stelling op het bord te krijgen. Ik kan me herinneren dat ik ooit ergens las: "... de beste zet of combinatie vinden lukt me wel. Maar om een stelling op het bord te krijgen die dit mogelijk maakt ... "

Links Birbrager - Tal, Kharkov 1953. Ik speelde zelf mee met de navolgende zetten afgedekt en wist dat ik, met Tal achter de zwarte stukken, de meest verrassende zetten kon verwachten. Ik zag ... Pg3 hxg3 Dxg4, ik zag ... Dh3 gxh5 Dxh5, maar geen moment dacht ik aan de zet die Tal speelde: 28... Lxg4. ... dit was de eerste gelegenheid waarop ik een positioneel dame-offer voor een paard speelde, schrijft Tal hier zonder blikken of blozen. De partij ging verder met 29.Pxf3 Lxf3 30.h4 Tf8 31.Le2? Pg3 32.Kh2 Lxg2 33.Kxg2 Pxe2 34.Dxe2 f3 en het eindspel is eenvoudig gewonnen voor zwart. Als wit op de 31ste zet Kh2 zou spelen, ontstaat volgens Tal een "hogelijk onduidelijke situatie". 31.b3 of zelfs 31.b4 is echter beter; de toren op a2 wordt alvast bij de verdediging betrokken. En de stelling is minder onduidelijk dan Tal beweert; wit heeft een dame voor toren en vrijpion, die met Lf1 eenvoudig geblokkeerd wordt. Maar het zou me niets verbazen als Tal daar alsnog een onduidelijke positie van gemáákt had.
Het is niet eenvoudig om een stelling op het bord te krijgen waarin duizelingwekkende varianten mogelijk zijn. Meestal is het toeval (en beide spelers moeten een beetje meewerken), en dan ineens: tovenarij!
Rechts Mikhail Tal. De tovenaar uit Riga werd hij genoemd.
Elders in zijn biografie beschrijft Tal hoe hij op een feestje komt bij mensen die eigenlijk geen verstand van schaken hadden. Hij wordt daar door een van de aanwezigen hogelijk aangeprezen als iemand die wonderen kon laten geschieden. Wanneer hij maar wil, waar hij maar wil. Tal liet het allemaal maar een beetje over zich heengaan. Als geen ander besefte hij immers dat je een schitterende offerpartij kunt afdwingen. Het is iets dat je overkomt. Zelfs Tal. "Beauty comes as a thief in the night." Ook Tal heeft menige saaie partij gespeeld, ook al was hij dat niet van plan.
Maar de genodigden op het feestje waren in alle staten. "Dus jij kunt overal offeren?? Waar je maar wilt??"
"Ach ...", zei Tal quasi bescheiden. Maar de omstanders waren al niet meer te houden. Laten we een weddenschap houden. Morgen ga jij een stuk offeren ... laten we zeggen, euh... een paard! Op het veld ... euh ... e6! Ja, dat doen we!
Het volgende moment was Tal allang weer vergeten wat er gebeurd was, want hij wist dat het onzin was. Je kunt niet afdwingen dat een bepaald offer mogelijk wordt. En de volgende dag was het helemaal uit zijn geheugen verdwenen. Hij speelde tegen de Nederlander Cuijpers, had een lastige partij, en aan het einde maakte zijn tegenstander een klein rekenfoutje waardoor een 'petit combinaison' mogelijk was. Ze ondertekenden de notatieformulieren, analyseerden nog even na waarop Tal richting hotel vertrok.
Maar in de hal van het toernooi kwam hij dezelfde mensen tegen als op dat feestje. Helemaal hilarisch en in alle staten waren ze. "Had je dat zo gepland?" Tal fronsde verbaasd zijn wenkbrouwen. Je laatste zet! Je paardoffer op e6!! En ineens herinnerde Tal zich weer wat de vorige dag gebeurd was. Hij herstelde zich en zei: "Maar natuurlijk! Zeg maar waar ik morgen moet offeren. En met welk stuk!"
Timman over Tal

Beroemd zijn de verhalen van schakers die de spanningen en teleurstelling te veel werden. Jan Timman, boven in beeld, over zijn ontmoeting met Tal: "Ik herinner me hoe vroeger de verhalen over Tal de ronde deden en hoe ik er maar nauwelijks in geloofd had, totdat ik tegenover hem aan het bord zat. Ik werd vastgenageld door zijn doordringende blik en toen ik bedeesd een sigaretje tevoorschijn had gehaald, zag ik, nog voor ik het naar mijn mond had gebracht, een aansteker aangeflitst die me met een bliksemsnel gebaar over het bord werd voorgehouden. Het vuur en de ogen erachter! Verlamd van schrik verloor ik snel en kansloos."
Bekend is het verhaal over Von Bardeleben in Hastings 1895, die, overweldigd door de 'offerorgie' van Steinitz, zozeer schrok dat hij vertrok zonder de overgave aan zijn tegenstander te melden. Later kwam hij bij zinnen en stuurde hij alsnog een briefje. Vlastimil Hort, toen hij nog jong was, schrok vermoedelijk evenveel van een dameoffer van Paul Keres (tijdens het Europees kampioenschap voor landenteams te Oberhausen), dat hij potsierlijk van zijn stoel viel. Boris Spassky gaf een gewonnen stand uit handen tegen Tal. "Ik liep naar buiten en huilde als een kind."
Het spektakel
Wie spektakel op het bord wil krijgen, is daarbij voor een groot deel afhankelijk van de eigen openingskeuzes. In sommige openingen / verdedigingen is de kans op offers aanzienlijk groter dan bij andere.
Je hebt daarbij wel de juiste mentaliteit nodig. Een paar citaten van twee beroemde grootmeesters:
Tal: "Een oud Russische spreekwoord luidt: de vader sloeg zijn zoon, niet omdat hij gokte, maar omdat hij het verloren materiaal probeerde terug te winnen."
Fischer: "Als je materiaal kunt pakken, doe dat dan. Tenzij je een goede reden ziet om dat niet te doen."

Eén van de mooiste schaakfoto's die ik ken: Tal geeft Fischer een bloem, terwijl ze gebroederlijk samen opwandelen.
Inderdaad, Fischer en Tal hadden een goede verstandhouding. Fischer zocht als enige schaakcollege Tal ook in het ziekenhuis op. Hij had met veel meer Russen een goede verstandhouding. De keerzijde van iemand die tegelijkertijd over de Russen kon razen en tieren en uitspraken deed als: "I like the moment when I break a man's ego."
Fischer offerde ook regelmatig, maar niet zo speculatief als Tal. De twee citaten boven de foto geven aan dat er twee spelers nodig zijn om spektakel op het bord te krijgen: één die aan het offeren slaat, en de ander die het toestaat of misschien zelfs uitlokt en aanneemt.