Bouwmeester
Jonge meesters van de jaren dertig
Hans Bouwmeester
Wie het schaakspel ziet als een cultureel bezit van de mensheid heeft in het algemeen ook historisch besef. Nu leven schaakspelers sterk bij de actualiteit en soms heb ik de indruk dat Max Euwe zelfs in ons land een onbekende meester is geworden. Onlangs zag ik in het ochtendblad een overlijdensbericht van Hans Wertheim, die in Den Haag 1928 deel uitmaakte van onze Olympische ploeg, samen met zijn broer Wim en verder met Weenink, Kroone, Van den Bosch en Schelfhout. Met uitzondering van Weenink heb ik met hen allen wel eens gespeeld. Het is lang geleden en vrijwel niemand herinnert zich deze namen nog.

In het laatst verschenen nummer van New in Chess schrijft Genna Sosonko een ontroerend artikel over Salo Flohr (rechts in beeld). Ik zag hem voor het eerst bij het AVRO-toernooi van 1938. Hij was toen, op dertigjarige leeftijd, de oudste van de nieuwe generatie met Botwinnik, Reshevsky, Fine en Keres. Flohr vond dat hij daarom als eerste het recht had, mede gezien zijn vele toernooioverwinningen in de jaren dertig, om de wereldkampioen uit te dagen. Er schijnen in 1939 afspraken met Aljechin te zijn gemaakt, maar de oorlog kwam tussenbeide.
Na de oorlog zagen we Flohr terug in Groningen. Zijn ambities waren toen niet groot meer. Hij was inmiddels Sovjetburger geworden en sterk betrokken bij de instructie aan de jonge generatie. In de voormalige USSR was hij een man van gezag.
Flohr en Kashdan waren de ontdekking van de Olympiade in Hamburg 1930. Ze scoorden daar respectievelijk 14,5 en 14 uit 17 en werden slechts overtroffen door de Poolse kopspeler, de bijna 48-jarige Akiba Rubinstein, die 15 punten maakte en mede daardoor Polen een gouden medaille bezorgde.
Salo poseert hier samen met zijn vrouw en een koppel jonge leeuwen.
![]() |
![]() |
Toen, in Hamburg, was er ook een 20-jarige Nederlander die indruk maakte. Daniel Noteboom (boven twee keer in beeld), student chemie uit Noordwijk, scoorde 11,5 uit 15 en op grond van de kwaliteit van zijn partijen kan men concluderen dat hij, als autodidact, een echte schaakmeester was geworden.
Of Noteboom de wereldklasse zou hebben gehaald zullen we nooit weten. Hij overleed plotseling op een eenzame hotelkamer in Londen, 1932.
Onder redactie van Euwe verscheen er in de jaren dertig een gedenkboek; hieraan is de volgende partij ontleend.

