Der oberschwindler

Hans Bouwmeester

Lang geleden vertelde Euwe mij eens over een gesprek dat hij met Rudolph Spielmann over Lasker had gevoerd. Spielmann (hier rechts in beeld) had de grote wereldkampioen als 'Oberschwindler' betiteld. Nooit heb ik deze benaming in de boeken en tijdschriften kunnen terugvinden, maar Euwe was een betrouwbare informant, dus ik heb geen reden om aan zijn woorden te twijfelen. Nu Lasker al zestig jaar dood is en in Duitsland op meerdere manieren uitvoerig is herdacht, mag er ook in onze schaakpers wel iets worden gezegd over een van de allergrootste schaakmeesters die de wereld heeft gekend.

Over Lasker zijn meerdere boeken geschreven en daarvan is Biographie eines Schachweltmeisters, geschreven door Dr. J. Hannak, het meest bekende. De auteur geeft een tamelijk ideaal beeld van de schaker en de mens Lasker in een ietwat gezwollen taal, die in onze tijd irritant werkt. Robert Hübner en Hans Ree, respectievelijk in Schach en in New in Chess hebben het veelgelezen boekwerk onlangs nogal stevig aangepakt. Ze hebben vooral historische onjuistheden geconstateerd. Ook was Hannak geen sterk schaker en hij slaat nogal eens de plank mis waar het technische zaken betreft. Over het geheel genomen kan ik best met de kritiek meegaan, maar toch zou ik het boek niet graag missen zolang er niets beters op de markt is. Van zeer nabij heb ik iemand gekend, de zoon van een Nederlandse topspeler uit de eerste jaren van de twintigste eeuw, bij wie Lasker als huisvriend over de vloer kwam. Deze man vond dat het boek van Hannak al met al toch een goed beeld gaf van Lasker als persoon.

Ik acht zowel Hübner als Ree best in staat om een mooi boek over Lasker (rechts in beeld) te maken. Meermalen heb ik Ree aangemoedigd om eens een mooi schaakboek te schrijven, want hij heeft de gave van het woord en bovendien verstand van schaken. Tot dusver is het er niet van gekomen en ik verwacht eerlijk gezegd niet dat Ree het ooit zal opbrengen. Hübner is een veelzijdig begaafd man, van vele markten thuis en een meedogenloos analyticus. Wie een artikel van hem wil doorgronden moet daarvoor tijd, energie en uithoudingsvermogen hebben. Zo heeft hij eens de match Lasker-Schlechter uit 1910 uitvoerig onder de loupe genomen. Maar hoeveel schakers zullen dit werk echt bestudeerd hebben … ? Wat zou er voor de dag kunnen komen als Hübner en Ree zouden samenwerken?

"Van Lasker viel niet veel te leren, men kon hem slechts bewonderen", zo schreef Euwe in 1928 in zijn Practische Schaaklessen deel 4. Ik heb daar later met Euwe wel over gesproken, want ik kon dat onmogelijk met hem eens zijn. Tot op de huidige dag geloof ik dat er van Lasker zeer veel te leren is, zeker voor de jonge mensen van vandaag. Deze opvatting vindt steun bij Karpov in Wie ich kämpfe und siege. Behalve Lasker noemt hij Aljechin en vooral Capablanca als zijn grote voorbeelden. Lasker beschikte niet over een groot openingsprogramma. In het algemeen speelde hij rustige, veilige varianten en werd vrijwel nooit in de opening verslagen. Hij verstond de kunst om complicaties te scheppen en deze veelal beter te beheersen dan zijn tegenstanders. Tussen 1894 en 1936 behoorde hij tot de absolute wereldklasse. Soms kwam hij door slordigheden of te uitdagend spel wel eens slecht te staan, maar op het kritieke moment begon hij terug te vechten en dan wist hij van elke fout meedogenloos te profiteren.

Had hij ook een scherpe psychologische kijk op zijn tegenstanders, zoals zijn tijdgenoten veelal beweerden? In een scherp artikel in Schach heeft Hübner met deze opvatting afgerekend. Lasker was gewoon een zeer sterk schaker, hij had een buitengewoon analytisch vermogen en een groot gevoel voor evenwicht. Zijn wedstrijdmentaliteit was even voortreffelijk als zijn uithoudingsvermogen. Dat ondervond de arme Rudolph Spielmann op 24 februari 1935 in Moskou. Lasker was toen al 66 jaar, versloeg in dat toernooi zijn oude rivaal Capablanca en won met een half punt achterstand op de jonge Botwinnik en Flohr een ongedeelde derde prijs. Ik beschouw dit als een van de meest indrukwekkende prestaties uit de schaakgeschiedenis.


De deelnemers aan Moskou 1935. Helemaal rechtsonder Spielmann, onder in het midden Lasker.

Nauwkeurigheid, oplettendheid, strijdlust en volharding in het gevecht. Lasker-partijen geven veel om over na te denken. Wie slechts een 'Oberschwindler' is houdt dat geen veertig jaar op topniveau vol. Daarvoor moet je aanzienlijk meer in huis hebben. Lasker had aanzienlijk meer in huis. "I tell you, Lasker was a great man", heeft Capablanca, rechts in beeld, bij herhaling gezegd. De waarheid van deze conclusie is evident; men hoeft er de toernooitabellen maar op na te slaan.

Op zoek naar de waarheid

Vanuit het verre Suriname reageert een geïnteresseerde lezer op mijn verhaal over Spielmann en Lasker. Zowel de tekst als de analyse roepen enige, overigens milde, kritiek op en in een dergelijk geval gaat een auteur op zoek naar de waarheid, die soms verder blijkt te liggen dan hij aanvankelijk vermoedde.

Lang geleden had ik een gesprek met Euwe over de grote schaakmeesters van zijn jonge jaren en zo kwamen ook de 'voorwereldlijke reuzen' Lasker en Spielmann ter sprake. De laatste logeerde menig keer bij Euwe in Amsterdam en het wederzijds respect was evident.

Ik bezit nog een oude band waarop dat gesprek is bewaard en ik hoor Euwe: "Spielmann was erg aardig en wat klagerig. Een beetje vreemd deed hij wel aan, als kind was hij op zijn hoofd gevallen. Hij noemde Lasker wel de Oberschwindler." Dat laatste zal als grapje bedoeld zijn en het is zeker niet mijn bedoelding geweest hierachter een denigrerende kwalificatie te suggereren.

Reuben Fine schrift in Chess marches on: "Naar verschijning en persoonlijke eigenschappen was Spielmann de zachtaardigste man ter wereld. Bier en schaken waren zijn grote hartstochten; in zijn latere jaren gaf hij om weinig andere dingen. Misschien was zijn spel wel zo energiek omdat het de compensatie vormde voor een overigens rustig leven. Spielmann was altijd op zijn best in de aanval. Zijn successen in de gambiettoernooien van Abbazia 1912 en Baden 1914 waren de grootste van zijn loopbaan." Aldus Fine, die nog vermeldt dat Spielmann ook het positionele schaak voortreffelijk beheerste, zoals bleek op de Semmering in 1926, waar hij de eerste prijs won boven Aljechin, Vidmar, Nimzowitsch, Tartakower, Rubinstein, Tarrasch, Reti, Grünfeld en nog negen andere bekende meesters.

Het is alweer enkele jaren geleden dat in een Oostenrijks tijdschrift een opzienbarend artikel verscheen van Michael Ehn over de treurige laatste jaren van Spielmann in het Zweedse Stockholm. Inmiddels heeft deze auteur ook een bescheiden boekje samengesteld over de grote Weense schaakmeester. Helaas komen diens partijen daarin nauwelijks aan de orde. Twee kleine boekjes van de Amerikaan Jack L. Spence: The chess career of Rudolf Spielmann, I en II, zijn nooit bekend geworden. Toevallig weet ik dat de Friese journalist Postma een mooi Spielmannboek heeft gemaakt, maar er nog geen uitgever voor heeft gevonden. Men verwacht voor een dergelijke uitgave kennelijk weinig belangstelling. Soms vraag ik onze jonge topspelers wel eens of ze oude toernooiboeken inkijken. Het antwoord is vrijwel altijd dat ze daar niet aan toe komen. Het is al een slag om een bescheiden openingsrepertoir bij te houden en de partijen van de naaste concurrenten te onderzoeken.

Ik heb mijn best gedaan om mijn Surinaamse commentator tevreden te stellen. Hij vraagt nog naar de partij Aljechin - Spielmann uit Karlsbad 1923. Ook daarover is een belangwekkend verhaal te vertellen. Ik kom er zeker op terug.

Rechts Rudolf Spielmann tegen Gilg, in het toernooi van Semmering 1926.