De Olympiade van Leipzig 1960

Hans Bouwmeester

Het begon met een telefoontje van Euwe. " Ik wil even met je praten over de komende Olympiade". Ik zei onmiddellijk dat ik niet meeging. Ik had net een nieuwe baan aan een Utrechts lyceum, zat tot over mijn oren in het werk en had juist plannen gemaakt om de pianostudie professioneel aan te pakken. "Je moet mee", zei Euwe, "ik heb een opdracht van regeringswege om een zo sterk mogelijk team te formeren. Onze sporters hebben het in Rome bij de Olympiade niet goed gedaan en alle hoop is gevestigd op de schakers. Zij moeten toch in Leipzig de finale kunnen bereiken en op zijn minst bij de bovenste tien kunnen komen. Denk er een dag over na; morgen bel ik je terug".

De boodschap viel thuis niet in goede aarde. Ons tweede kind was op komst en onze zoon van vier jaar gaf de nodige problemen... De vrouw van een schaakmeester moet veel offeren. Ik besefte wel degelijk dat er niet zo enthousiast op Euwes boodschap werd gereageerd. Maar de medaille had een keerzijde. Tal was wereldkampioen geworden; ik had hem in Amsterdam leren kennen en hij had een geweldige indruk op mij gemaakt. Hij zou zeker in Leipzig de Sowjetploeg aanvoeren. De Amerikanen zouden met Fischer en Lombardy aan de topborden opereren. Reshevsky, zo luidde het bericht, kwam niet mee. Hij had $ 3000,- gevraagd en wilde in elk geval het eerste bord bezetten. Dat lukte dus niet. Onder aanvoering van Najdorf was Argentinië eveneens een belangrijke concurrent net als de Joegoslaven, die wereldtoppers als Gligoric, Matanovic en Ivkov in de gelederen hadden. Al met al, het zou een geweldig schaakfeest worden.

De volgende dag belde Euwe opnieuw en vroeg of ik een aardige rector had. De wedstrijd viel gedeeltelijk in de herfstvakantie, zo zei hij. Nog dezelfde avond stapte Euwe in de auto en reed naar Utrecht om met mijn rector te overleggen. Zoals zo dikwijls bereikte Euwe, de aartsdiplomaat, een compromis. Ik mocht het begin van de Olympiade meemaken, maar moest na de vakantie terugkomen. Dat betekende dat ik de laatste week in Leipzig zou missen. Toen vroeg ik maar eens hoe het team eruit zou zien. We gaan met Euwe, Donner, Bouwmeester, Prins en Kramer en eventueel een zesde man. Ik stelde voor om een jonge speler te kiezen; in Roessel en Langeweg had ik wel vertrouwen. Uiteindelijk koos Euwe voor Langeweg; hij vond dat Kramer nog niet gepasseerd kon worden.

Kramer tegen Bialas, Leipzig 1960.

Op 15 oktober reizen we af naar Leipzig. Euwe, Langeweg en ik gaan per trein. We zullen in Maagdenburg worden afgehaald en per auto verder gaan. Prins, Donner en Kramer gaan op eigen gelegenheid. In de lobby van het mooie hotel ontmoeten we Flohr. Morgen een spannende wedstrijd, zo zegt hij, USSR- Monaco. We lachen maar wat sloom. Even later horen we dat we zijn ingedeeld bij de USSR en Argentinië. Voor een plaats in de A-finale zijn Polen en Oostenrijk onze voornaamste concurrenten. Het moet te doen zijn, zo denken we.

In de eerste ronde hebben we India. Euwe lijdt aan bord 1 een verschrikkelijke nederlaag tegen Aaron. Prins en Donner winnen hun witte partijen, maar bij mij gaat het stroef. Ik ben in het geheel niet geprepareerd en kom niet verder dan remise. Pas veel later zal ik uit een boekje van mijn goede vrind Willem Hajenius leren hoe zo'n pionneneindspel, f en h tegen h, in elkaar steekt. De volgende ronde verliezen we met grote cijfers van de Argentijnen. Euwe vergist zich in een bekende variant van het Koningsindisch en wordt tactisch door Najdorf overmeesterd. Na het afbreken gaan ook Donner en Prins onderuit. Ikzelf maak een half punt.

Euwe is onrustig en slecht gehumeurd. Hij moet voor drie dagen terug naar Nederland om een belofte na te komen. Hij zal ergens een lezing houden over computers. Dat wordt dus vliegen naar Oost-Berlijn, per taxi naar West-Berlijn en zo naar Schiphol. Ik zal de verslaggeving voor zijn krant, Het Vrije Volk, even overnemen. Als Euwe een plan in zijn kop heeft, al is dat nog zo onzinnig, dan is dat er niet uit te branden. Hij wordt er niet vrolijker van en voortdurend kijkt hij op zijn horloge, zijn stereotype gebaar. Zo zal het gaan tot de dood hem roept!

De derde ronde tegen de Russen. Donner met zwart bedwingt Botwinnik. Hein is de enige van ons die veel speelt. Hij is sterker geworden sinds hij zo in de match door Euwe is afgetuigd. Soms werkt hij wat samen met ons "Losbladige"-ploegje: Euwe, Van den Berg en ik. Toch is zijn zwarte programma allerminst waterdicht. Donner heeft een voortreffelijke wedstrijdmentaliteit en bezit de professionele hardheid, maar systematisch studeren is niet zijn ware aanleg. Saai is hij nooit, soms slaat hij onzin uit, maar geestig en interessant is het altijd. Behalve Prins houden wij allen van hem.

Donner tegen de Argentijn Eliskases, Leipzig 1960.

Ik heb het moeilijk tegen Keres, maar blijf alle spanningen de baas en verover vlak voor de tijdnoodfase een half punt.


Prins en Kramer verliezen van respectievelijk Smyslov en Petrosjan, maar ze laten hun grote tegenstanders er wel voor vechten.

Dan verliezen we onnodig van de Polen, omdat Donner door slordig spel tegen Sliwa ten onder gaat. Langeweg, Kramer en ik maken remise. Ondertussen beseffen we dat het zo niet goed gaat. Captain Harry de Graaf houdt de bekende donderspeech. Hij is wel een aardige man en vrijwel de enige KNSB-bestuurder, die niet geïsoleerd staat. Van schaken heeft hij niet veel verstand en als hij bij de analyse begint mee te vingeren, wordt hij door Donner op diens bekende diplomatieke manier tot de orde geroepen."We vinden het leuk dat u kijkt, meneer De Graaf, maar we kunnen u hier niet het hele schaakspel uitleggen." Toch heeft de captainspeech blijkbaar geholpen, want daarna gaat het beter. Met grote cijfers winnen we van de Philippijnen, van Oostenrijk, van Monaco, van Portugal en van Italië. De A-finale is gehaald! Daarna wordt het menens!

Eerst krijgen we de Joegoslaven. Ik verlies door een geheugenstoring van Ivkov. Waarom speel ik ook zo'n scherpe variant? Euwe en Prins verliezen ook, maar Donner wint een Nimzoindisch gevecht van Matanovic. Met wit is Donner aanzienlijk sterker dan met zwart, vooral in de 1. d4-openingen weet hij de weg. Vervolgens spelen we gelijk tegen de Tsjechoslowaken. Euwe en Donner spelen korte remises en ik win net voor de tijdcontrole van Kozma. Helaas legt Kramer het in de tweede zitting af tegen Ujtelky.

derde ronde geen grote ambitie, zo lijkt het, want Euwe en Prins hebben binnen een uur remise tegen resp. Keres en Petrosjan. Even later maakt Donner een halfje tegen Korchnoi, maar Smyslov gaat in mijn Caro-Kann een meedogenloos gevecht aan.


Na afloop is er een geweldig applaus van het talrijke publiek. Gezien mijn tegenstand word ik tot mijn verbazing respectvol geïnterviewd door een journalist, die de hele partij in twee zittingen gevolgd heeft. Hij heeft ook met Flohr gepraat en weet dat de Russen de afgebroken stelling in ploegendiensten onderzocht hebben. Ik heb er een groot deel van de nacht aan besteed en uiteindelijk beseft dat de positie op de duur onhoudbaar zou zijn.

Uiteraard weet ik als geen ander dat Smyslov de aanzienlijk sterkere speler is, maar toch ... alles heb ik gegeven en niets heeft het uiteindelijk opgeleverd.

Smyslov tegen Mititelu, Leipzig 1960.

Ondertussen broeit er iets in het Nederlandse kamp. Prins loopt rond en polst mensen voor een toernooi in Amsterdam, dat hij wil organiseren. Maar zijn comité, waarin Mr. Straat, Cortlever en Van Steenis zitting hebben, weten inmiddels dat dat voorlopig niet gaat omdat er ook een serie V.en D.- séances op stapel staat. Van Steenis vraagt Euwe om met Prins te overleggen. Euwe voelt er niets voor, hij weet hoe Prins in elkaar zit en is bang voor ruzie. Van Steenis dramt door, maar Euwe laat zich niet lijmen. Hij heeft hier immers genoeg aan zijn hoofd. Uiteindelijk zal Prins zijn plannen staken en dan is het werkpaard Withuis de man, die van alles de schuld krijgt. Gelukkig heeft Berry een zeehondenhuid en hij blijft gewoon zijn arbeid voortzetten. In feite is hij de enige man binnen onze schaakbond, die wezenlijk wat doet voor het schaken in Nederland. De meeste topspelers geven hem belangeloos alle steun.

Jan Prins tegen Lehmann, Leipzig 1960.

De volgende ronde ben ik vrij en dan moet ik terug naar huis. Ook Euwe zal voor het einde vertrekken; hij was in Leipzig niet alleen zijn vorm maar ook zijn zelfvertrouwen kwijt. Hij nadert de zestig en heeft als schaker geen grote ambities meer. Daarbij komt dat zijn verhouding met de KNSB-voorzitter ronduit slecht is. Dat is jammer, vooral voor onze Koninklijke bond en ook voor onze beste spelers. Euwe is in feite geen autoritaire man; ik herinner me maar één geval, waarin hij op zijn strepen staat en dat was juist in Leipzig.

Euwe komt meestal wat later aan tafel omdat hij voor zijn krant moet zorgen. Hij eet sober en gezond. Als dessert kiest hij voor "Fruchtsalad", maar al enige keren komt onze vriendelijke jonge ober terug met "Fruchtsalad gibt es leider nicht mehr". Op een gegeven avond wordt Euwe boos. "Mijn landgenoot Prins krijgt het hier elke dag wel. Hij is een gewone meester, ik ben grootmeester en ex-wereldkampioen, kan men niet even de moeite nemen om te maken waar ik om vraag?" Ik slikte even, zo had ik hem nog nooit horen opspelen. Natuurlijk kwam even later de "Fruchtsalad" op tafel. Toen Euwe weg was praatte ik even met onze ober, zei wie Euwe was en hoe hij was. De volgende dagen kreeg de grandmaître opvallend de nodige aandacht. Euwe begreep kennelijk wat er gebeurd was. "Je hebt zeker met die jongen gepraat, huh?"

Max Euwe tegen Miguel Najdorf, Leipzig 1960.

Ik ga terug naar Utrecht, naar mijn gezin, naar mijn school. De Olympiade gaat verder en tenslotte komt Nederland op de tiende plaats. Niet eens zo slecht, als we in aanmerking nemen dat we in de finale vrijwel uitsluitend met profteams te maken hebben gehad. Als ik in de trein zit komt de conducteur mijn papieren controleren. Hij vraagt of de Olympiade al geëindigd is. Ik antwoord dat ik een beroep heb en dat mijn verlof afloopt. Zoiets zou hier in ons socialistische land niet gebeuren, zo zegt hij. Ik ben niet jaloers. Ik heb gezien hoe de druk van het regime de mensen verlamt en ze depressief maakt. Ik herinner me wat Jac. Bloem in 1945 schreef: "..en niet één van de ongeborenen zal de vrijheid ooit zo beseffen."

Thuisgekomen vind ik een stapel werk, waar ik nauwelijks overheen kan kijken. Afgezien van een paar partijen voor de club en opnieuw twee remises tegen Alexander bij de landenwedstrijd tegen de Engelsen in het verre Vlissingen is er niet veel te doen. Het gaat niet goed en soms ben ik bang, dat de dreun van Smyslov nog lang zal nawerken.

Het jaar eindigt heel verdrietig; op Kerstochtend wordt ons kindje plotseling dood geboren. Een torsie in de navelstreng is de baby fataal geworden. Met oudjaar is mijn vrouw gelukkig weer thuis. Uithuilen en opnieuw beginnen, zingt Wim Kan.

Schaakvrienden vertel ik over de prachtige Olympiade. Er was werkelijk niets waarover te klagen viel. Het hotel was first class, de verzorging uitstekend. Spelen deden we in twee ruime zalen van het prachtige Messehaus. Twee minuten voor het begin werd er stilte gevraagd en dan klonk er een deel uit de tweede orkestsuite van Bach; dat was rustgevend. Het publiek was gedisciplineerd en kon alles via mooie demonstratieborden volgen. De bordenjongens en wedstrijdleiders waren goed opgeleid en deden hun werk stil en accuraat. Er was een mooie tentoonstelling "Schach im Wandel der Zeiten", prachtige spellen, boeken geschriften uit alle delen van de wereld. Wat is schaken toch waardevol voor de mensheid. Welke regeringen beseffen dat?

Tot mijn ongenoegen is onze enige jonge speler in Leipzig weinig aan de bak gekomen en heeft hij uiteindelijk maar een half uit vier gescoord. Toch heb ik vertrouwen in hem.

Rechts Langeweg, Leipzig 1960.

In het komende jaar zal het jeugdwereldkampioenschap in Den Haag worden gehouden. Coen Zuidema, die ik ken van een simultaanséance bij een "verboden club" in Amsterdam, zal ons land vertegenwoordigen. Ik schrijf KNSB-secretaris Van Donk, dat ik belangeloos met hem wil samenwerken. Ik krijg geen antwoord. "Lummels zijn het", zegt Euwe.

Max Euwe, Leipzig 1960.