De grote liefde van Kasparov

Hans Bouwmeester

Over Kasparov, volgens velen de grootste schaakspeler aller tijden, zijn veel kritische verhalen in omloop. Maar men kan nooit ontkennen dat hij een grote liefde voor het schaakspel ten toon spreidt. In zijn nieuwe boek, My great predecessors, schrijft hij over zijn voorgangers Steinitz, Lasker, Capablanca en Aljechin met een voor hem ongekende eerbied. Rechts ziet Kasparov hem bij de presentatie van het boek in New York. Hij doet meer dan de titel aangeeft. Ook de grote rivalen van deze schaakreuzen komen uitvoerig aan bod en zelfs de "voorhistorische" kampioenen als Philidor, La Bourdonnais, Staunton, Anderssen en Morphy krijgen tezamen een hoofdstuk in dit eerste deel van het werk. Er zullen nog twee delen volgen en ik kan er met spanning naar uitkijken.

Kasparov bespreekt in feite de schaakgeschiedenis vanaf 1834 en gaat uitvoerig in op de matches om de wereldtitel, op de omstandigheden waaronder werd gespeeld en op de grote spanningen waaraan de spelers bloot stonden. In totaal zijn er 148 partijen opgenomen. Ik ken ze bijna allemaal uit de tijd dat ik Prisma 4 en 5 samenstelde. Uiteraard worden bekende bronnen en analyses gebruikt, een enkele maal vergeet hij de bronvermelding maar dat is bij een dergelijk werk nu eenmaal onvermijdelijk. Met behulp van de computer kan men tegenwoordig veel nauwkeuriger en scherper analyseren en zo hebben vele partijen voor mij een heel nieuw gezicht gekregen.

In de jaren dat ik nog veel met jonge mensen samenwerkte heb ik vaak de studie van mensen als Rubinstein en Capablanca, grote strategen, aanbevolen. Ik weet eigenlijk niet of deze boodschap vaak overkwam, want schakers leven nu eenmaal sterk bij de actualiteit. In de jaren zeventig vond ik steun bij het boek van Karpov, die in zijn partijenboek vermeldde dat hij alle partijen van Capablanca uitvoerig bestudeerd had en daarop zeker nog niet was uitgekeken. Ook noemde hij Lasker en Aljechin als leermeesters.

Als medewerker bij dit omvangrijke karwei noemt Kasparov ene Dmitry Plisetsky, voor mij een totaal onbekende grootheid, die in het boek ook niet nader geïntroduceerd wordt. Het is een bekend grapje dat bij een dergelijke samenwerking de grote naam voorop staat, maar dat de ander het meeste en zwaarste werk verricht heeft. Hoe het bij dit boek ligt valt niet te zeggen, maar voor mijn gevoel is Kasparovs arbeid in zeer ruime mate aanwezig.

Ik kies een voorbeeld uit de match van 1921. Het was voor de bijna 53-jarige Lasker een vreselijke ervaring. Ik bezit toevallig een brief van Martha Lasker aan een Nederlandse familie, vrienden van de wereldkampioen. Het meedogenloze Cubaanse klimaat -ik ken het van de Olympiade van 1966, maar toen speelden we in een hotel waar airconditioning aanwezig was - was een zodanige aanslag op Laskers fysieke constitutie dat hij de strijd na 14 partijen moest opgeven.

Links Capablanca, rechts de jonge Lasker.

Voor de analyse gebruik ik het werk van Kasparov, maar ook een aantal bronnen uit de oude toernooiboeken en partijverzamelingen. Vaak is het interessant te zien hoe het werk van de grote voorgangers aansluit bij de partijen, de methodieken en analyses van heden..


Links Capablanca, rechts Lasker.

Dit was niet de Lasker zoals de wereld hem kende. Hij moet aangeslagen zijn geweest want ook in de elfde partij leed hij een gevoelige nederlaag. Toch was Capablanca's spel niet feilloos, zoals Kasparov in zijn analyses liet zien. Lasker toonde zich in alle opzichten een groot man. Hij roemde het spel van zijn tegenstander en voerde geen excuses aan voor zijn verlies. Terug in Europa kon hij zich troosten met de 11.000 dollar die de Cubanen hem hadden uitbetaald. Dat was een formidabel bedrag in die dagen. Hij kon zich dientengevolge een kuur in Karlsbad permitteren en daarna enige jaren rust nemen. Zoals we uit de geschiedenis weten zou hij in Mährisch Ostrau 1923 en New York 1924 zijn come back vieren.

En nog in 1935 zou hij Capablanca op fraaie wijze in een Franse Partij verslaan. Lasker overleed op 72-jarige leeftijd in januari 1941 te New York. Zijn grote rivaal, Capa, die twintig jaar jonger was, zou hem slechts één jaar overleven.

Op de omslag van het boek van Kasparov ziet u in het midden de twee grote rivalen. Links Lasker, rechts Capablanca. Helemaal links Steinitz, en helemaal rechts Aljechin.

 

Bronnen

G. Kasparov en D. Plisetsky: My great Predecessors
H. Kmoch: Rubinstein gewinnt!
A. Becker: Moskau 1935
M. Vidmar: Karlsbad 1911
H. Olde: Paul Keres
E. Winter: Capablanca
A. Matanovic c.s.: Schaakinformator
A. Aljechin: Mijn beste schaakpartijen 1908 - 1923