Bouwmeester
Commotie over het laatste boek van Kasparov
Hans Bouwmeester
"Ik sla er wel eens naast, maar wat ik raak sla dat is dan ook muziek!"
Arthur Rubinstein
Deze uitspraak van een groot musicus en pianist kwam mij in gedachten bij het lezen van enige kritieken over Kasparovs My great predecessors. Ik heb er enkele gelezen, maar ongetwijfeld zijn er vele aan mij voorbij gegaan.
Ons land kent een aantal kundige schaakjournalisten en grofweg zou men ze kunnen indelen in redelijk objectieve schrijvers en azijnspuiters. In die laatste groep wordt beweerd dat het historisch gedeelte van Kasparovs boek niets nieuws bevat. Daarover zouden vriend en vijand het eens zijn. Wie zijn die vriend en die vijand? Ik bezit een aardige bibliotheek en weet wel iets van de schaakgeschiedenis, maar ik kom heel wat details tegen die mij tot dusver onbekend waren. Vele Russische bronnen, in de vorige eeuw weinig toegankelijk voor buitenlanders, zullen daar debet aan zijn.
Een échte bespreking kwam onlangs van de persen in het Duitse Schach, en die was van de hand van Robert Hübner. Niet minder dan 25 bladzijden heeft hij over het boek volgeschreven.
Ik ken Hübner al ruim veertig jaren en in die tijd heeft hij zich ontwikkeld als een veelzijdig geleerd man en als een grootmeester, een echte, van het schaakspel. Hij schrijft over het denkproces van de schaker, over de psychologie, over de historie en vermeldt daarbij bronnen, die Kasparov en diens assistent zeer waarschijnlijk niet hebben kunnen raadplegen. Niet alles lijkt mij onaanvechtbaar, maar belangrijk is dat niet. Er is gewerkt met de nauwkeurigheid en intensiteit van een eersterangs wetenschapper.
Kasparov (hierboven in beeld) is een groot schaker, maar geen psycholoog, geen filosoof, geen historicus, geen natuurwetenschapper. Hij bevindt zich hier derhalve op glad ijs. Zo bezien is hij geen partij voor Hübner.
Voor een schaker, van welke speelsterkte dan ook, is Hübners partijonderzoek het meest van belang. Al vele jaren is zijn studeerkamer het revalidatiecentrum van schaakanalysen... ! Om alles naar waarde te schatten moet men geduld en vooral veel tijd investeren. In elk geval zal ik Hübners werk als constructieve bijdrage bij het boek bewaren om het te kunnen gebruiken als de tijd daar is.
Om nu een idee te geven hoe je ook met Kasparovs boek kunt omgaan het volgende verhaal. Onlangs vroeg een voorzitter van een regionale club mij om iets over Aljechin te komen vertellen. Bij Euwes honderste geboortedag had ik daar over diens match met Aljechin gesproken. Vele oudere leden hadden die match destijds ook gevolgd en nu vonden ze dat ook Euwes grote rivaal van toen eens aan de beurt kon komen. Altijd heb ik Aljechin een fascinerende man gevonden; hij was het grote idool van mijn jongenstijd. Zijn boeken heb ik in die jaren verslonden en er ongetwijfeld veel uit geleerd. Over Aljechin is veel geschreven. De boeken van Kotov gelden als een fraai staaltje van geschiedvervalsing, maar zuiver schaaktechnisch zijn ze interessant genoeg. Over de persoon van de vierde wereldkampioen hebben Hans Müller, Milan Vidmar en Hans Kmoch belangwekkende dingen gezegd en uit de verhalen van Euwe en Van Harten, hoofdpersonen bij de matches van 1935 en 1937, heb ik begrepen dat er met de wereldkampioen van toen niet te spotten viel, dat hij soms zeer onredelijk was, maar wel sportief en ridderlijk bij tegenslag.
Over zijn gedrag tijdens de tweede wereldoorlog is veel commotie geweest. Dat hij antisemiet was, wist men ook al in de jaren dertig. Na zijn grandioze aanvalspartij in Zürich 1934 tegen Lasker moet hij gezegd hebben: "Ich habe es den Juden wieder gezeigt!" Maar bij het slotbanket van dat toernooi heeft hij Lasker zeer lovend toegesproken. Ongetwijfeld was er veel paradoxaals aan de man.
Volgens Euwe heeft hij beter dan al zijn voorgangers de kunst verstaan om zijn talenten financieel uit te buiten, maar ten slotte is hij straatarm gestorven, aldus de Portugese meester Lupi, die hem kort voor zijn dood nog regelmatig bezocht.
Alexander Aljechin.
Over deze zaken laat Kasparov zich niet uit. Wel vertelt hij aan de hand van persoonlijke getuigenissen van Russische meesters over de periode van voor 1917. Eén van de informanten is Fedor Bogatirtchuk, een leeftijdsgenoot van Aljechin, die samen met hem in Mannheim 1914 was, toen de eerste wereldoorlog uitbrak. Bogatirtchuk emigreerde in 1948 naar Canada en speelde voor dat land in de Olympiade van Amsterdam 1954. Hij versloeg Botwinnik in Moskou 1935 en dat kostte de nationale held van toen de ongedeelde eerste prijs. Men zei dat hem dat dit door de autoriteiten niet in dank was afgenomen; dat was levensgevaarlijk in die jaren.
Gewapend met mijn nieuwe boek startte ik mijn voordracht met de bespreking van de volgende partij. Het toernooiboek bevat een uiterst summiere analyse van Teichmann. Aljechin geeft een uitvoerige beschouwing in Mijn beste schaakpartijen, deel 1. Deze analyses zijn door Kasparov dankbaar benut. Er zijn ook analyses van Kotov in Das Schacherbe Aljechins.
Het artikel van Hans Bouwmeester gaat verder met een verslag van de partij tussen Grünfeld en Aljechin, Karlsbad 1923.
Rechts een foto van Grünfeld, de tegenstander van Aljechin.
Mooi schaakwerk dat welke ware liefhebber met vreugde zal bekijken. Kasparovs boek bevat vele rijke bladzijden en daarom vind ik het mooi en waardevol, zeker voor de jonge generatie die in het algemeen weinig weet van de grote meesters uit het verleden. Dat komt misschien omdat er tegenwoordig zoveel actueel materiaal is.