Bouwmeester
Theo van Scheltinga
Hans Bouwmeester
"Ik kwam die avond om half zes van mijn werk thuis en hoorde dat ik mee kon doen aan een achtkamp met Euwe, Aljechin, Fine, Grünfeld, Kmoch, Landau en Van den Bosch. Ik moest vlug eten en dan snel ernaar toe. Zo ging dat toen."
Aan het woord is één van onze oudste schaakmeesters, Theo van Scheltinga. Hij behoort tot mijn grote vrienden. Ik kom hem feliciteren met zijn tachtigste verjaardag. We kennen elkaar vanaf 1946. Als kersvers Haarlems kampioen mocht ik samen met hem en met zijn generatiegenoot Nico Cortlever een simultaanseance geven. Dat deed je in die jaren nog voor de eer en soms voor een boekenbon.
Van Scheltinga was, en is nog steeds, voor mij een man van gezag. Hij behoort tot de zuivere onkreukbare mensen, die eerlijk en oprecht voor hun mening uitkomen, geen deals maken met toekomstige tegenstanders en niet handelen in punten. Hij beschikt over een gezond zelfvertrouwen en elke vorm van kapsones is hem vreemd.
Een achtkamp, waarvan hierboven sprake was, dateert van het jaar 1936. Euwe was toen wereldkampioen en verreweg de sterkste Nederlandse speler. Na hem kwamen mensen als Van den Bosch en Landau en een aantal jongeren, van wie nog moest worden afgewacht of zij internationaal zouden doorbreken.
De Tweede Wereldoorlog kwam tussenbeide. Landau werd door de Nazi's omgebracht. Ook talentvolle jonge mensen als Arthur Wijnans en Arnold van den Hoek overleefden deze barre jaren niet. Toen die achter de rug waren, begon ook in onze schaakgemeenschap de opbouw.
In 1947 gold Van Scheltinga als de sterkste Nederlandse meester na Euwe. Hij won in dat jaar het Hoogovenstoernooi en ook een goed bezet internationaal concours in Aalborg. Het jaar daarop gaf hij in een match Euwe voortreffelijk partij, beter dan vele anderen dat hebben gedaan. Samen met Cortlever, de Groot, Kramer en Prins, vormde hij een aparte klasse in het Nederlandse schaak. Deze groep vertegenwoordigde ons land op meerdere olympiades en bij vele landenwedstrijden.
Aan het eind van de jaren vijftig aanvaardde Van Scheltinga een functie bij de Hoogovens. Hij verhuisde naar Beverwijk en dat betekende dat het schaken wat op de achtergrond geraakte. Er was bovendien een gezin met twee schattige dochters, dat aandacht begon te vragen. Maar toch - Caïssa laat zich bijna nooit helemaal wegdrukken. Bovendien, Van Scheltinga is nog altijd dol op schaken. Als het even kan komt hij bij VHS meedoen en voor een middag vluggeren is hij altijd te vinden. Met de jaren loopt de speelkracht wat terug. De kennis en het inzicht gaan niet verloren, maar de energie is niet meer optimaal. Tien jaar geleden haalde Van Scheltinga toch de finale van het Nederlands kampioenschap. Enkele jongeren moesten het onverwacht tegen hem afleggen.
Persoonlijk heb ik de beste herinneringen aan trainingsavonden en partijtjes met Theo. Als teamgenoot was hij onverslaanbaar. Je kon hem aan de kant van de weg laten slapen, - en dat gebeurde in die jaren -, je kon hem weinig inspirerend voedsel verstrekken - ook dat gebeurde - je kreeg hem niet uit zijn humeur.
Theo van Scheltinga was in zijn beste tijd een echte schaakmeester. Hij was een voortreffelijk strateeg, had een veilig en gezond openingsrepertoire en beschikte over een bijzonder talent voor de 'petite combinaison'. Tegenwoordig worden zulke mensen GM genoemd, misschien ten onrechte.
Mijn partijen archief bracht vele interessante ontmoetingen voor de dag. Ik koos er één uit het Hoogovenstoernooi van 1954. Ludwig Rellstab was in die jaren een sterke Duitse meester met grote internationale ervaring. In deze partij wordt hij geconfronteerd met de kracht van de toren op de open lijn.
Herinnering aan Theo van Scheltinga
Hans Bouwmeester
Het is alweer enige weken geleden dat de schaakwereld afscheid moest nemen van Theo van Scheltinga, een veelzijdige, sterke en stralende man, die in onze Nederlandse schaakgemeenschap gedurende vele tientallen jaren actief is geweest.
Soms kan ik me nog maar moeilijk verzoenen met de gedachte dat hij er niet meer is, dat ik niet meer met hem kan overleggen en dat onze schaakontmoetingen definitief tot een einde zijn gekomen. Ik verloor in hem een vriend, een sparringpartner, een clubgenoot.
Het is alles zo snel gegaan. Ondanks zijn tachtig jaar was Theo nog zo jong, zo ambitieus. We maakten plannen voor het komende schaakseizoen; we zouden bij Haarlem samen de topborden bezetten, samen wat trainingspartijen spelen en wat openingen prepareren. Terug van vakantie trof ik hem in het ziekenhuis. Aanvankelijk zag hij het niet zo somber in, maar na een grondig onderzoek bleek dat de kwaal ernstiger was dan hij had gedacht. Een nieraandoening, ongeneeslijk, velde hem in zeer korte tijd.
Van Scheltinga hoorde tot een generatie die twee wereldoorlogen meemaakte en ook een elfjarige crisisperiode, die eveneens een hard stempel drukte op velen die ervan te lijden hadden. Aan schaken was weinig te verdienen en zelfs de grote meesters waren arm. Nederland kende in die jaren twee beroepsschakers, Landau en Davidson. Zij hadden een uiterst moeilijk leven. Andere sterke spelers kozen een beroep buiten het schaken en moesten met hard werken een avondstudie proberen en redelijk bestaan op te bouwen. Aan het eind van de jaren dertig drong een groep jonge mensen door tot de nationale schaaktop.
Samen met Nico Cortlever, Adriaan de Groot en later ook Haye Kramer vormde Van Scheltinga een sterke twee categorie na Euwe. Ik heb hen altijd als keien van kerels gezien, vooral ook in menslijk opzicht. Ze waren ambitieus en ijverig en hadden buiten het schaakbord veel te geven. Tot deze groep hoorde ook Lodewijk Prins, wiens stijl van leven en schaken duidelijk afweek van het gangbare. Hij was de enige van de groep, die Hein Donner, die rond 1950 zijn intrede deed en toen een hels brutale agressieve jongeling was, niet kon verdragen. De anderen zagen wel dat Hein niet zo kwaad was als hij zich soms voordeed. Op Van Scheltinga had hij geen vat: "Raak je nou nooit eens uitgepuberd, Hein?"
De eerste Olympiade, waarbij Van Scheltinga deel uitmaakte van ons nationale team, was München 1936. Het was geen officiële FIDE-manifestatie, maar meer een propagandastunt voor het nieuwe Nazi-bewind. Het jaar 1936 zou voor Van Scheltinga een belangrijk jaar worden. Hij kreeg de kans om met sterke grootmeesters te spelen. In Amsterdam kwam hij van een koude kermis thuis, hij verloor in een zwaar bezette achtkamp alle partijen. Een leerzame ervaring was het wel.
Uit die periode is het volgende fragment.
De Olympiade van Stockholm 1937 begon voor Nederland zeer hoopvol. Wereldkampioen Euwe stak in een goede vorm en ook De Groot en Van Scheltinga waren goed op dreef. Later liep het wat tegen en uiteindelijk belandde het Nederlandse team op de zesde plaats.
Uit deze wedstrijd is het volgende fragment.
Van Scheltinga in 1947
De Olympiade van 1939 werd in Buenos Aires gehouden. Met het oog op de internationale toestand ging Euwe niet mee en Landau liet eveneens verstek gaan, omdat er geen geld was. De jonge mensen trokken er op eigen kosten naar toe en Van Scheltinga kreeg het eerste bord toegewezen. "Nooit heb ik beter gespeeld dan toen", zei hij er later over. Hij won een partij van Tartakower; deze werd onlangs door Hans Ree in de NRC gepubliceerd. De ruime remise met Aljechin is al eerder in deze kolommen verschenen.
Tijdens de Olympiade brak de oorlog uit en dat gaf aanleiding tot vervelende toestanden. De meeste Nederlanders gingen per boot naar huis, onwetend van wat ze daar nog te wachten stond. Eind 1939 speelde Van Scheltinga een match met Landau, die toen al een vrij grote internationale ervaring had. Aanvankelijk nam de laatste een voorsprong, maar uiteindelijk werd het 5-5. Dit werd als een groot succes voor Van Scheltinga gezien.
Uit deze match is de volgende partij.
De oorlog kwam tussenbeide en verlamde het internationale schaakleven geheel en het nationale in belangrijke mate. Van Scheltinga belandde nog enige tijd in een sanatorium, maar gelukkig wist hij, mede dankzij zijn sterke geest, zijn ziekte te overwinnen. Na de oorlog ontwikkelde hij zich spoedig als de sterkste speler na Euwe. In Maastricht 1946 werd hij tweede achter Euwe. Hij won in 1947 zowel het Hoogovenstoernooi als het Nederlandse kandidatentoernooi. Dat laatste gaf recht om Euwe uit te dagen voor een match om de nationale titel.
Van Scheltinga had groot respect voor Euwe, maar zowel op als naast hij schaakbord placht hij hem goed partij te geven. Het respect was overigens wederzijds. Vooral toen Euwe wat ouder werd kreeg hij grote waardering voor de vele voortreffelijke menselijke eigenschappen van Theo. In hun match was Euwe de sterkste, maar een walk-over was het geenszins. Euwe was een klasse apart. In 1939 was Landau kansloos ten onder gegaan. In 1940 bleek de jonge Kramer een geduchte tegenstander, vooral in hun eerste match, die in Leeuwarden werd gehouden. Niemand heeft dit resultaat ooit verbeterd. De jonge Van den Hoek verloor in 1942 met grote cijfers. Zelfs Donner, die in 1955 toch al vrij veel internationale ervaring had, bleek geen partij voor de toen al 54-jarige Euwe.
Van Scheltinga; Groot kijkt toe
Van Scheltinga had in die jaren een functie bij de technische dienst van de Effectenbeurs. Het schaken kwam wat op de achtergrond. Hij won nog een aardig toernooi in Aalborg en speelde redelijk succesvol in de Olympiades van Dubrovnik 1950, Helsinki 1952 en Amsterdam 1954. In de Nederlandse kampioenswedstrijden van 1950 en 1952 werd hij tweede achter Euwe. Op nationaal niveau bleef hij wat klein werk doen.
Het volgende fragment staat mij nog duidelijk voor de geest. Wij speelden een vierkamp in Veenendaal in de kantine van de Ritmeester-sigarenfabriek.
Aan het eind van de jaren vijftig kwamen er grote veranderingen. Van Scheltinga verliet Amsterdam, verhuisde naar Beverwijk en aanvaardde een verantwoordelijke functie bij de Hoogovens. Het werd steeds moeilijker om het schaken met een baan te combineren. Zijn leeftijdsgenoten hadden al eerder min of meer afgehaakt. De Groot werd op jonge leeftijd hoogleraar, Cortlever directeur van een bedrijf en Kramer kreeg een functie bij de gemeente Leeuwarden. Prins werkte als freelance-journalist op verschillende posten en kon daardoor ook minder tijd aan het schaken besteden.
Inmiddels waren Donner en ikzelf doorgedrongen tot de Nederlandse top. Donner gaf de rechtenstudie, na lang twijfelen overigens, eraan en werd beroepschaker. Hij werd tenslotte na Euwe onze tweede speler.
De oude liefde roestte niet. Van Scheltinga kreeg de kans om aan het zonetoernooi van Boedapest 1960 mee te doen. Hij deed het er voortreffelijk en scoorde net een half puntje minder dan Barcza, die winnaar werd. Een herkansing om een plaats in het interzonaal toernooi met Matanovic, Bertok en Bilek mislukte op het nippertje.
In 1983, Van Scheltinga was toen al gepensioneerd, volgde een opmerkelijke nationale comeback. Hij plaatste zich, als bijna 70-jarige, voor de finale van de kampioenswedstrijden en liet de veel jongere tegenstander soms danig zijn tanden zien. Een enkel voorbeeld. Druk op de eclips rechts om de partij na te spelen.
Dit overzicht zou met talloze voorbeelden kunnen worden uitgebreid. Ik koos vooral die fragmenten die weinig bekend zijn geworden. De kwaliteiten van mijn grote vriend Theo komen hierin goed tot zijn recht. Hij was een uitstekend strateeg, een voor zijn tijd groot openingskenner en een man met een voortreffelijke wedstrijdmentaliteit. Een grootmeester heeft hij nooit in zichzelf willen zien. “Deze titel hoort slechts bij serieuze wereldkampioenskandidaten”, placht hij te zeggen. Er is veel veranderd in de schaakwereld. Er zijn aanzienlijk meer sterke spelers dan vroeger en met titels is men minder zuinig. Persoonlijk heb ik het idee dat er een leger grootmeesters op de been is dat het niveau van Van Scheltinga in zijn beste tijd nooit gehaald heeft.
Professionalisme is ook niet meer voorbehouden aan de allersterksten. Zo bezien heeft Timman in Nederland het spits afgebeten. Hij heeft schaken als beroep gekozen en als eerste Nederlander na Euwe het vak professioneel benaderd. Bestuursleden en organisatoren hebben daar zo langzamerhand begrip en waardering voor gekregen. Van Scheltinga en ook Prins en Cortlever hebben voor dit begrip baanbrekend werk gedaan en het werd ze niet altijd in dank afgenomen.
Van Scheltinga was altijd bereid om jonge mensen verder te helpen. Sinds het begin van de jaren vijftig was ik bij hem kind aan huis. Hij speelde met mij vele oefenpartijen in de tijd dat ik nauwelijks een partij voor hem was. Door de oorlog had mijn generatie in de kritieke leeftijd veel gemist. De bond kon voor jonge talenten nog weinig doen dus de belangeloze steun van een oudere meester was zeer welkom.
Het afscheidswoord bij Theo's crematie ging me moeilijk af. Hij was tachtig jaar geworden; een mooie leeftijd pleegt men dan te zeggen. Maar wie en goede vriend verliest, let niet op leeftijd en heeft verdriet.
Hij blijft in mijn herinnering als een door en door goed mens, die veel heeft gedaan, veel heeft gegeven en ook veel heeft gedragen, want de problemen des levens bleven hem niet bespaard. Ik heb veel geleerd van onze partijen en ook van zijn theoretische opstellen, die hij vroeger voor ons tijdschrift schreef. In de tijd dat er in Amsterdam twee schaakbonden waren, vormde Van Scheltinga samen met Grapperhaus en wethouder Verhey een driemanschap om de vereniging tot stand te brengen. Dat lukte na veel moeite; het is alweer vijf en twintig jaar geleden. Als Theo hierover vertelde was ik steeds onder de indruk van zijn helder oordeel en zijn mildheid tegenover de strijdende partijen. Hij was voor velen en man van gezag, als mens, als trainer en als captain van de dames-equipe. We zullen hem missen. Ik zal hem heel erg missen.