Bouwmeester
De analyticus en zijn publiek
Hans Bouwmeester
Voor wie schrijft een schaakmeester een analyse van zijn partij? In de eerste plaats voor zichzelf, denk ik. Vaak wil hij onderzoeken wat hij gemist heeft en menigmaal komt hij tot verbluffende resultaten. Een zeer frappant voorbeeld van de laatste jaren is de partij Kasparov - Ribli, Skeleftea 1989. Op het moment dat Kasparov de partij remise gaf, ontdekte Vaganian een duivelse wending, die aan het toch redelijk ontwikkelde schaakbrein van de wereldkampioen was ontsnapt. De daaropvolgende analyse bleek, en dat is een zeldzaamheid, volkomen sluitend tot winst voor wit te leiden. Het had de partij van de eeuw kunnen zijn.

In het NIC-magazine 1997/4 vinden we een analyse van Shirov, links in beeld, van diens partij met Salov uit Madrid 1997. Shirov ziet bij de 17e zet een combinatie, die tamelijk voor de hand ligt, maar waarvan de consequenties zeer moeilijk te berekenen zijn. Uiteindelijk ziet hij van het waagstuk af en gaat na afloop aan het werk. Hij publiceert een prachtige analyse en deze wordt in 'telegramstijl' afgedrukt.
Deze analyse zal vele uren moeizame arbeid hebben gekost. Uiteraard zal Shirov niet alles hebben opgeschreven wat er gevonden was. Hij mag iets aan de naspeler overlaten, want hij schrijft niet voor beginners.
Dat naspelen blijkt evenwel ook een tijdrovend karwei en hoeveel lezers van het magazine zullen dat gedaan hebben? Weinigen, denk ik; de presentatie in telegramstijl werkt niet animerend. Er zijn twee redenen om op Shirovs analyse terug te komen: 1. Er ontvouwt zich een maximum aan schoonheid. 2. De analyse is zeer instructief wat betreft de techniek van de koningsaanval.