"Het loopt met mijn oude krachten op z'n eind."

Hans Bouwmeester

"Ik ben een oude man, maar als men mij een vinger in de mond steekt dan bijt ik!" Een bekende uitspraak van heren op leeftijd.

Naarmate een mens ouder wordt heeft hij vaker de neiging terug te denken aan de goede oude tijd, de tijd dat hij met jonge ogen de wereld inkeek. En zo zie ik ze nog vaak voor me, mijn oudere schaakcollega's met wie ik zo vaak op reis ben geweest voor olympiades, landenwedstrijden, klein vierkampen in de provincie of ontmoetingen voor de nationale clubcompetitie. Max Euwe, Lodewijk Prins, Theo van Scheltinga, Nico Cortlever, Pim Mühring, Haye Kramer, Constant Orbaan, Johan Barendregt, Carel van den Berg, Frans Henneberke en Hein Donner zijn al allang niet meer onder ons. Van de jongere generatie mis ik Bert Enklaar en mijn Haarlemse schaakvrind Klaas Steijn, die al zo vroeg de koning moesten omleggen.

Hoe goed was die goede oude tijd? Speelden we zoveel beter dan de jonge mensen van nu? Nee, dat was niet het geval. Verdienden we iets aan onze inspanningen voor het Nederlandse schaak? Nee, ook dat niet. Behalve Donner en Van den Berg hadden we een min of meer verantwoordelijke functie in het maatschappelijk bestel en die verzekerde ons van een redelijk welvarend bestaan. Het amateurisme had zijn voordelen, maar als schaker misten we toch vaak de tijd om ons goed te preparerend en het burgerlijk beroep verhinderde dikwijls de deelname aan evenementen die we graag hadden meegemaakt.

Er is veel veranderd in de schaakwereld. Ik denk dat de Elo-rating veel kwaad heeft losgemaakt. Er gaat veel geld om, corruptie is aan de orde van de dag en de FIDE slaagt er niet in om orde op zaken te stellen. Er lopen meerdere wereldkampioenen rond, maar Kasparov, volgens velen nog altijd de sterkste speler, hoort daar niet meer bij. "Ist das heutige hohe Schach krank?" Vidmar, een Sloweense wereldtopspeler in het begin van de twintigste eeuw, wijdde een hoofdstuk aan deze vraag in zijn boek Goldene Schachzeiten. Hij keerde zich vooral tegen de invloed van secondanten en tegen de vaak saaie remises, die het gevolg waren van scherpzinnige, diepgaande voorbereiding.

Vidmar heeft de invloed van computers met hun databases niet meer meegemaakt en topspelers die vier secondanten in dienst hadden, zoals Anand voor zijn match met Kasparov, heeft hij niet gekend. Genieten de mensen nog wel van het schaakspel, zo vroeg hij zich af. In Homo ludens merkt Huizinga op dat het spel soms een zaak van dodelijke ernst is geworden, dankzij werksystemen en professionele trainers.

Onlangs brandde een discussie los over het beroemde toernooi in het Spaanse Linares. Het remisepercentage bedroeg bijna 80 % en sommige partijen waren niet veel meer dan een theoretische schermutseling. Dat er ook enkele partijen waren van topniveau en het bestuderen waard, dat werd meestal niet vermeld. Maar als geheel was het toernooi toch teleurstellend.

Hastings 1895

In Sint Petersburg 1895 speelden Lasker, Steinitz, Pillsbury en Tsjigorin achttien rondes, in feite waren het onderlinge matches van zes partijen. Van de 36 partijen werden er slechts elf remise en dat meestal nog na harde gevechten. Bijna alle partijen zijn het naspelen waard; men kan ze als kijkspellen zien, maar ze ook dipegaand genieten als bizonder spannende duels.

Sint Petersburg 1895. Van links naar rechts: Tsjigorin, Lasker, Pillsbury, Steinitz.

Objectief gezien is geen van de vier spelers in dit toernooi in topvorm. Tsjigorin is als organisator in belangrijke mate verantwoordelijk voor de gang van zaken en dus duidelijk gehandicapt. Steinitz heeft zijn leeftijd tegen en maakt een paar onmogelijke blunders, maar meer dan de anderen toont hij zich een gedreven vechter. Pillsbury is de grote winnaar van de eerste toernooihelft, maar verliest dan vijf partijen achter elkaar. Lasker is nog niet geheel over zijn teleurstellend resultraat van Hastings heen, maar uiteindelijk is hij de man die tot het eind toe zijn zenuwen de baas blijft. "Het scherpste en ook het koudste verstand, dat ik ooit heb meegemaakt." Dat zal Vidmar later over Lasker schrijven.

Wilhelm Steinitz

Incasseren en terugkomen. Het zou het levensmotto geweest kunnen zijn voor Wilhelm Steinitz, rechts in beeld, schaakgeleerde van de eerste orde en koppige dwarsligger als het er om ging de juistheid van zijn theorie te bewijzen. Er is wel van hem gezegd dat hij veel grotere successen had kunnen behalen als hij wat minder star was geweest en meer aandacht had gehad voor de tactische en psychologische facetten van de strijd aan het bord.

Wat zal hij het moeilijk hebben gehad in de strijd met begaafde mensen als Lasker en Pillsbury, die meer dan dertig jaar jongere waren en met Tsjigorin, die voor eigen publiek speelde en zeer bedreven was in het gewaagde gambietspel.

In de derde ronde is de grote held Steinitz! Twee nullen had de veteraan moeten incasseren en wederom raakt hij met wit door gewaagd openingssspel tegen Pillsbury in grote moeilijkheden. Maar Steinitz had in zijn leven al zo vaak voor hete vuren gestaan en als verdediger had hij dikwijls zijn grote klasse bewezen. Als de Amerikaan zijn aanvalskansen iets te optimistisch inschat, weet de ex-wereldkampioen zijn vesting tijdig te beveiligen en af te wikkelen naar een eindspel, waarin zijn stukken voortreffelijk samenwerken. Bij de tijdcontrole is het duidelijk dat Pillsbury verloren staat en de oude leeuw laat zich de buit niet meer ontgaan. Een onvergetelijk kijkspel, dat ook zoveel jaren later nog bewondering afdwingt.


"Het loopt met mijn oude krachten op z'n eind", zo schreef Steinitz eens aan zijn biograaf Ludwig Bachmann. In gedachten zie ik hem zitten; met de witte stukken bestrijdt hij de jonge Pillsbury, die met hem een leeftijdsverschil heeft van 36 jaar. Steinitz ziet er kwetsbaar uit. Hij heeft nog slechts één oog ter beschikking en als hij opstaat moeten twee krukken hem steunen bij het voortgaan. Toch straalt er een zekere felheid van hem uit. Soms speelt hij als in zijn beste jaren; hij hoort stelling nog tot de wereldtop en de jonge mensen hebben groot respect voor de enorme inzet, die hij in elke partij toont.

Steinitz overleed in de zomer van 1900, op 66-jarige leeftijd, zijn gezin in kommervolle omstandigheden achterlatend. Lasker heeft met veel respect over zijn voorganger geschreven. "Ik, die zijn overwinnaar was, moet het onrecht wreken dat hem is aangedaan."

Pillsbury, rechts in beeld, stierf jong; hij ging ten onder aan de infectie, die hij in St Petersburg had opgelopen. Hij versloeg Lasker in Neurenberg en in Cambridge Spring 1904 in indrukwekkende partijen. Ook bleek hij een fenomenaal blindspeler. Zijn succes van Hastings 1895 heeft hij helaas nooit kunnen herhalen. Hij stierf in 1906 op 34-jarige leeftijd.

Eindstand

1. Lasker, 11
2. Steinitz, 9,5
3. Pillsbury, 8
4. Tsjigorin, 7

De bronnen vermelden een puntengeld van 80 mark voor een gewonnen partij, 40 voor een remise en 20 voor een verliespartij. Prijzen waren 1000, 600, 400 en 200 mark.