Bouwmeester
Aron Nimzowitsch en zijn aartsvijand Siegbert Tarrasch
Hans Bouwmeester
Wie resultaten wil boeken moet een geboren vijand kiezen en proberen hem zo te kastijden dat hij van zijn voetstuk tuimelt." Zo staat het ongeveer in de korte autobiografie die Nimzowitsch in 1929, nadat hij in Karlsbad het grootste succes van zijn leven had behaald, in het Russisch liet verschijnen.
Als geboren vijand koos Nimzowitsch de Duitse 'schaakkeizer' dr. S. Tarrasch uit. "Voor mij", zo schreef hij verder, "was Tarrasch de verpersoonlijking van de middelmatigheid. Weliswaar was hij een zeer sterk speler, maar al zijn meningen, zijn sympathieën en antipathieën, zijn dwarsliggen ten opzichte van elk nieuw idee gaven mij de overtuiging dat hij nooit de leider van de schaakwereld zou mogen zijn."

Nu hebben de geschiedschrijvers Tarrasch, links in beeld, dikwijls onrecht aangedaan. Er was een groep die hem als dr. Siegbert Superstar vereerde. Een autoriteit wàs in het Duitsland van rond 1900 een autoriteit en Tarrasch heeft er een dankbaar gebruik van gemaakt.
Wie de toernooicarrière van Tarrasch overziet en zijn partijen aandachtig naspeelt, kan maar tot één conclusie komen: Tarrasch was een grootmeester van wereldklasse! Tussen 1889 en 1907 was hij onbetwist de succesvolste toernooispeler. Dat hij in de match van 1908 tegen de 'Verwirrungstaktik' van de zes jaar jongere Lasker niet opgewassen bleek, doet daar niets aan af. Het is denkbaar dat het gedrag van de ijdele doctor de 'provo' Nimzowitsch een doorn in het oog was. Toch zal de laatste ook wel eens iets geleerd hebben uit dat werkelijk kostelijke boek 'Dreihundert Schachpartien', om onverklaarbare redenen na 1925 nooit herdrukt, dat samen met 'Die moderne Schachpartie' een monument vormt van Tarrasch' schaakschrijverschap.
Nog in 1914 is Tarrasch in St. Petersburg een geduchte toernooivos. Hij vereffent daar de onderlinge score met Nimzowitsch door het befaamde dubbel-loperoffer. Het is pas in Karlsbad 1923, als Tarrasch reeds de zestig jaar is gepasseerd, dat de 24 jaar jongere Nimzowitsch de leiding kan overnemen. En pas in de jaren twintig werd Tarrasch definitief teruggedrongen; een doodgewone leeftijdskwestie dus.
Gaan we terug naar het jaar 1904. De wereld van de kunst is geweldig in beweging. Debussy en Ravel hebben hun eerste opzienbarende werken al laten horen. De jonge Strawinsky is in aantocht. Revolutionaire schilders als Kandinsky en Klee brengen hun kijkers tot wanhoop. Schrijversnamen zou men bij tientallen kunnen noemen.

Opkomende modes gaan vaak zeer ver in het vernietigen van oude vormen en overschrijden soms de grenzen van het absurde. In dit patroon valt Nimzowitsch, rechts in beeld, redelijk in te passen. Hij had een bijzondere voorkeur voor het doen, zeggen en schrijven van absurditeiten en het schaakspel bleek voor hem een voortreffelijk medium. Caissa gunt haar grote talenten veel ruimte! Nimzowitsch' basiskennis was in zijn jonge jaren, zoals hij zelf zegt, zwakt ontwikkeld. Maar hij bezat een geniale aanleg en was een bezeten vechtjas. Zulke lieden kunne zich als schaapspeler veel veroorloven.
In 1904 speelt de 18-jarige Aron in een Haupturnier in Coburg. Bij die gelegenheid leert hij Tarrasch kennen en krijgt het tijdens een analyse direct met hem aan de stok. Tenslotte vraagt hij nederig of Tarrasch eens een partij met hem wil spelen en de 'Paeceptor Germaniae' stemt genadiglijk toe. Nimzowitsch moet maar eens naar Neurenberg komen. Het wordt een historische ontmoeting. Naar mag worden aangenomen is men in groten getale opgekomen om te zien hoe hun idool de jonge brutale Balt een gevoelig lesje zal geven. Het wordt een spektakelstuk van de eerste orde!
Het artikel van Hans Bouwmeester gaat verder met een verslag van deze legendarische wedstrijd, waarin Tarrasch onder andere zou uitroepen: "Nog nooit heb ik na tien zetten zo gewonnen gestaan!"