Maat en kwaliteit

Hans Bouwmeester

In de grijze oudheid demonstreerde de grote Steinitz eens een schaakpartij aan de problemist Samuel Loyd en vroeg hem toen of hij iets kon zeggen over de kwaliteiten van de beide spelers. Het bleek een uiterst moeilijke opgave want Loyd, een bijzonder intelligent man en een goede schaakspeler, zat er wel erg ver naast.

Onlangs nam ik zelf eens een proef met één van mijn schaakvrienden, een goede clubschaker met een redelijke kennis van schaakliteratuur. Ik toonde hem de volgende partij:

1.e4 e5 2.Pc3 Pf6 3.d3 d5 4.exd5 Pxd5 5.De2 Pc6 6.Ld2 Le7 7.0-0-0 0-0 8.Df3 Le6 9.Pge2 f5 10.Dh3 Dd6 11.Pxd5 Dxd5 12.Pc3 Da5 13.a3

13… Lxa3 14.Pb1 Lxb2+ 15.Kxb2 Da2+ 16.Kc1 Pb4 0-1

"Op het spel van de zwartspeler is niet veel aan te merken", zo meende mijn vriend, "maar de witspeler is vermoedelijk een beginnend amateur die nog weinig praktische ervaring heeft opgedaan".

Mijn antwoord zou hem verbazen. De witspeler heeft bij het begin van deze partij de leiding in het belangrijkste toernooi van de 19e eeuw, Hastings 1895. Zijn score is dan 15 uit 19 en er zijn nog twee ronden te gaan. Hij heeft Pillsbury in de eerste ronde grandioos verslagen en niet minder indrukwekkend is zijn zege in de tweede ronde op wereldkampioen Lasker. Lang geleden heb ik deze partijen wel eens beschreven en er kwamen vele commentaren op van schakers die onder de indruk waren van deze bloedstollende gevechten uit het verre verleden.

De man waarover het hier gaat is Michael Ivanovich Tsjigorin, geboren op 12 november 1850 in Gatschina, een stadje in de buurt van St Petersburg. Hij leerde het schaakspel op 16-jarige leeftijd(!) en was ongeveer vijf jaar later een speler van meestersterkte. Tijdens het genoemde toernooi in Hastings was hij dus 44 jaar en op het toppunt van zijn carrière als grootmeester.

De deelnemers aan het legendarische toernooi Hastings 1895. Staand: Albin, Schlechter, Janowski, Marco, Blackburne, Maroczy, Schiffers, Gunsberg, Burn, Tinsley. Zittend: Vergani, Steinitz, Tsjigorin, Lasker, Pillsbury, Tarrasch, Mieses, Teichmann.

Michail Ivanovitsj Tsjigorin (1850-1908), de grote held van Hastings 1895.

In de bovenstaande partij tegen David Janowsky speelt hij inderdaad als een beginnend amateur. Hoe komt zoiets? Is het de spanning van een positie aan de top? "Bij een eerste prijs horen zenuwen", zo heeft Maroczy eens geschreven. En deze grote meester was voor mijn gevoel de kalmte in persoon. Ik heb hem oppervlakkig gekend. Kan het ook zijn dat Tsjigorin op die dag - het was op 31 augustus 1895 - ziek was of dat hij misschien teveel had gedronken? We weten het niet; wat we wel weten is dat hij het soms met de wodka te kwaad had. Zijn laatste portret van het jaar 1907, kort voor zijn dood gemaakt en opgenomen in het Russische boek van Grekov, spreekt duidelijke taal.

Door zijn dramatische nederlaag in de voorlaatste ronde wordt Tsjigorin gepasseerd door Pillsbury, rechts in beeld. Dan moet hij in de laatste ronde proberen om de jonge Carl Schlechter met zwart te verslaan om de tweede plaats te behouden, want Lasker zit hem vlak op de hielen. Dat lukt dankzij fijn tempospel in het verre eindspel met de torens.

Men zou Tsjigorin als de morele winnaar van het toernooi kunnen zien. Hij sluit het toernooi af met 14 overwinningen; behalve Pillsbury en Lasker verslaat hij ook mensen als Tarrasch, Bardeleben, Teichmann, Blackburne en vele anderen. Alleen Steinitz is hem met zwart in het Evansgambiet nog de baas en dat is opmerkelijk voor de 59-jarige ex-wereldkampioen, de titaan die zich op krukken voortsleepte en slechts één oog ter beschikking had, omdat juist Tsjigorin in het gambietspel zeer bedreven was. En dan was er een ongelukkige nederlaag tegen zijn stadgenoot Schiffers, die hij in meerdere matches soms met grote cijfers had verslagen. Ondanks alles menen kenners dat Hastings 1895 het hoogtepunt was in de carrière van de eerste Russische grootmeester!

Over Tsjigorin hebben verschillende Russische auteurs geschreven. Die boeken zijn bij ons weinig bekend geworden. Dat is ook het geval met de Wildhagenserie, goede naslagwerken waarin ook een T-boek voorkomt. Nu hebben Khalifman en Soloviov een nieuw boek gemaakt en de uitgeverij "Semko" in Sofia (Bulgarije) heeft het gepubliceerd in de serie "Chess Stars" Ik ontleen daaraan de volgende partij en maak dankbaar gebruik van de aantekeningen, in code, van Löwenfisch en Bogoljubow.

Siegbert Tarrasch (1862-1934), de tegenstander van Tsjigorin in de partij die Hans Bouwmeester bespreekt.

Het artikel van Hans Bouwmeester gaat verder met een verslag van de partij Tarrasch - Tsjigorin.


Deze mooie, spannende partij, die in de vijfde ronde werd gespeeld, bracht Tsjigorin alleen naar de tweede plaats met 4 uit 5. Alleen Steinitz had een halfje meer, maar die had een aanzienlijk lichter programma afgewerkt. Tsjigorin had zijn drie belangrijkste concurrenten een gevoelige nederlaag toegebracht!

Hoe beoordelen we in onze tijd de kwaliteit van bovenstaande partij. We geloven zo graag dat er in onze tijd veel beter gespeeld wordt dan in het verre verleden. Ik denk dat elke hedendaagse topspeler trots zou zijn geweest als hij het bovenstaande duel gewonnen had.

Lasker, Tarrasch, Steinitz, Pillsbury en Tsjigorin staken zeker boven hun tijdgenoten uit maar ook mensen als Maroczy, Teichmann, Schlechter, Blackburne en Mason waren geweldige schaakmeesters. Hun parate kennis was minder groot dan die van Kasparov, Kramnik, Shirov, Leko, Ivanchuk en Anand, maar van bepaalde openingen hadden ze goed verstand en veel van hun analyses mogen ook nu nog gezien worden. De groep van de tweede categorie is tegenwoordig veel groter dan toen en vrijwel niemand van de hedendaagse profs doet het zonder database en secondant(en). Anand schrijft in zijn partijenboek dat hij bij de voorbereiding van zijn match met Kasparov vier specialisten aantrok: Joesoepov, Ubilava, Speelman en Wolff. Zoiets zou niet tot de verbeelding van een Tarrasch of een Lasker gesproken hebben, zo denk ik dan. "Wie ter wereld zou mij kunnen helpen??" Het was een gedachte die de illustere heren van toen door het hoofd kon hebben gespeeld.

Het is alweer enige jaren geleden dat Divinsky en Keene met behulp van een bepaalde rekenwijze de rating van de oude meesters vaststelde. Voor mijn gevoel is dat een zinloos bedrijf en voor wie is dat belangrijk? Een clubgenoot vertelde me onlangs dat John Nunn een onderzoek gedaan heeft aan het aantal blunders en op grond daarvan tot de conclusie kwam dat men vroeger minder sterk speelde dan nu. En wie bij voorbeeld het toernooiboek van Rotterdam 1989 bekijkt, komt zeker onder de indruk van het grote aantal concentratiefouten van de grootmeesters. Maar er waren daar ook vele spannende gevechten te zien en dat vind ik in feite het meest belangrijk. Elopunten zijn in ons wereldje niet meer weg te denken. "Het is goed dat er iets is", placht Euwe te zeggen. Er zitten ook kwalijke kanten aan, daarover hoef ik hier niet uit te weiden. Wie de vele mooie partijen van Tsjigorin naspeelt heeft geen behoefte aan een meetlat, want de kwaliteit is onmiskenbaar.