Bouwmeester
Over schaakboeken, schaakschrijvers, schaaktheorie en een partij op de club
Hans Bouwmeester
Zelfs de beste analyticus kan een bepaald percentage aan fouten niet vermijden!
J. Averbach
Over de boeken, die Kasparov schrijft over zijn grote voorgangers, zijn zowel lovende als zeer kritische commentaren losgekomen. Onlangs ging de eindspelcomponist Jan van Reek in ons onvolprezen bondsorgaan nogal tekeer over het enorme karwei dat de grootste schaakspeler van onze tijd ter hand heeft genomen. Hij beroept zich op zijn samenwerking met Spasski, noemt zichzelf evenals Hübner een kamergeleerde en komt tot de conclusie dat Kasparov als 'baas' veel aan de 'knecht' Plisetsky heeft overgelaten.
Persoonlijk geniet ik zeer van de boeken van Kasparov; er zijn er thans vier verschenen en in het vijfde deel zullen Karpov en Korchnoi wel aan de orde komen. Ik kan er naar verlangen. Op het betoog van Van Reek wil ik niet ingaan. Hij zal een paar dingen wel goed gezien hebben. Maar dat Kasparov niet sterk betrokken zou zijn bij het werk kan ik niet geloven.
Analyseren is moeilijk en met de uitspraak van Averbach in het achterhoofd ben ik geneigd de analyticus mild te beoordelen. Ondanks de hulp van het 'silicon monster' blijken fouten onvermijdelijk.
Het maken van een mooi schaakboek is een omvangrijk en lastig karwei. Het is bijna onmogelijk om alles alleen te doen. Noch auteurs, noch uitgevers worden er rijk van. Het overgrote deel van deze mensen doet het werk, zoals Paul Keres eens zei, 'aus Liebe für die Sache'.
In deel 4 van de genoemde serie bespreekt Kasparov partijen van Fine, Reshevsky, Najdorf, Larsen, Portisch en Fischer. De grote schakers buiten de Sovjet Unie dus. De opening van de partij Najdorf - Tal uit Belgrado 1970 trok mijn aandacht omdat ik er in de jaren zeventig eens een artikel over heb geschreven.
Een enkele keer speel ik op de club nog wel eens een partij met de jonge mensen. Ze spelen goed, de jonge talenten van nu. Vaak moet ik het afleggen. Het oude hoofd werkt niet meer zo goed als vroeger. In de opening wreekt zich het zwakker wordend geheugen en in het derde en vierde speeluur treden duidelijk concentratiefouten aan het licht Maar… soms lukt er nog wel eens iets.
Hans Bouwmeester