100 jaar SCU
Een onrustig bezit
Hans Bouwmeester
Herinneringen van Hans Bouwmeester, rechts in beeld op een foto uit 1982, aan zijn komst bij Schaakclub Utrecht in 1960 en de periode daarna.
'Je bent hier', sprak mijn oude strijdmakker Eduard Spanjaard, 'in het gebouw voor C.S.B. Dat betekent Christelijke Sociale Belangen.' Ik slikte even en, uiteraard, Eduard begreep onmiddellijk wat er in mij omging. Hij reageerde: 'Dat zul je wel vreemd vinden en dat is het ook. Schaken is immers bepaald niet christelijk, zeker niet sociaal en het belang heb ik er nooit van ingezien.' Het was in de zomer van het jaar onzes Heren 1960 dat ik mij als lid meldde van de befaamde S.C. Utrecht en mij op de clubavond vertoonde. In die jaren was Eduard Spanjaard de sterkste speler en Henk van Steenis was zijn belangrijkste rivaal. De laatste was in die jaren tevens voorzitter van de KNSB en als zodanig was hij veel in conflict met de betere Nederlandse schakers, in het bijzonder met Euwe.
Een foto van het CSB-gebouw anno 1960, gevestigd aan de Kromme Nieuwegracht 39. Tegenwoordig het CSB-zalencentrum.

Van Steenis, boven in beeld in een toespraak bij het PAM-toernooi, had zo zijn ideeën over de hervorming van de wereld en van de schaakgemeenschap en hij beschikte over een onverwoestbaar doorzettingsvermogen. Op schaakgebied werd zijn inzicht niet vertroebeld door een grote kennis van zaken - zoals dat hij schaakbestuurders zeer vaak voor komt - en dat bezorgde hem vele vijanden. Dat was jammer, want, hoe men er ook over denken mocht, Van Steenis had hart voor zijn werk en geen moeite was hem ooit te veel. Daar kwam bij dat hij een goede tegenstander naar waarde wist te schatten en hij kon zaken van personen scheiden. In feite had ik groot respect voor hem en ik mocht hem evenzeer als zijn rivaal Eduard, die wat slimheid betreft uit hetzelfde hout gesneden was. De specialiteit van Spanjaard was de Schwindel; hij kon zijn staaltjes op dat gebied met allure demonstreren.
Het conflict tussen SCU en BSG
De jeugd was destijds in Utrecht niet sterk vertegenwoordigd en de instructie stond nog geheel in de kinderschoenen. De verhouding van de club met de KNSB en de BSG was in dat jaar tamelijk gespannen. Er was een conflict met BSG over een gestaakte wedstrijd - wegens mist, meen ik - tussen de tweede tientallen. Op een winteravond, voorafgaand aan de wedstrijd Utrecht 1 - BSG 1, heb ik de partijen tijdens een bespreking in de Bussumse Rozeboom tot een verzoening kunnen brengen en dat beschouw ik nog altijd als mijn belangrijkste Utrechtse wapenfeit. Ik was in die jaren een aanzienlijk onrustiger bezit van de schaakwereld dan nu het geval is.
Utrecht tegen de Rest

Een andere aardige herinnering is de wedstrijd tussen Utrecht en de zogenaamde Rest. Hieraan is de volgende partij ontleend. Naar aanleiding van de slotstelling ging het verhaal dat mijn stelling rijp was voor capitulatie, maar ik had een vrij eenvoudige matcombinatie. Toen ik dat mijn tegenstander Verholt, rechts een foto van Verholt uit begin zestiger jaren, meedeelde, zag hij het plotseling ook en gaf zich daarom gewonnen.
G. Verholt - H. Bouwmeester (10 september 1964)
1.d2-d4 d7-d5 2.c2-c4 d5xc4 3.Pg1-f3 Pg8-f6 4.Pb1-c3 a7-a6 5.a2-a4 Lc8-g4 6.e2-e3 e7-e6 .Lf1xc4 Pb8-d7 8.h2-h3 Lg4-h5 9.0-0 Lf8-d6 10.b2-b3 Dd8-e7 11.Lc1-b2 h7-h6 12.Lc4-e2 0-0 13.Pf3-d2 Lh5xe2 14.Dd1xe2 e6-e5 15.Pc3-e4 Pf6xe4 16.Pd2xe4 Ld6-b4 17.De2-c4 Pd7-b6 18.De4-c2 e5xd4 Lb2xd4 Pb6-d5 20.Pe4-g3 g7-g6 21.Tf1-c1 c7-c6 22.Dc2-c4 Lb4-d6 23.Pg3-e2 Tf8-e8 24.Ld4-b2 De7-g5 25.Tc1-c2 Ta8-d8 26.Kg1-h1 Dg5-h5 27.e3-e4 Pd5-f4 28.e4-e5?
Verholt speelde altijd een gezond en ongecompliceerd schaak. Zijn zwakke punt was de berekening.
28... Pf4xe2 29.e5xd6 Td8xd6 30.Ta1-e1 Pe2-g3 31.Kh1-h2 Te8xe1 32.Dc4-c3 Pg3-f1 33.Kh2-g1 Pf1-d2 34.Kg1-h2 Pd2-f3 35.g2xf3 ...

'Het is mat in vier', zei ik. Verholt keek even en antwoordde: 'Je bedoelt 35... Th1?' Ik knikte bevestigend en voor ik de zet kon uitvoeren, streek hij de vlag. Wij gaven elkaar de hand en onmiddellijk ging het verhaal rond dat Verholt schitterend gewonnen had. De wedstrijdleider noteerde zelfs een punt voor hem op het scorebord. Dat bleek gelukkig niet onherstelbaar.
Hans Bouwmeester
Robert Beekman
In 1960 verhuist Hans Bouwmeester naar Utrecht. Hij krijgt in Utrecht een ruime vijfkamerflat en dat is een hele verbetering ten opzichte van dat kleine flatje in Amsterdam.
Zijn 'vrind' Eddy Spanjaard springt een gat in de lucht van vreugde. Hans moet en zal bij SC Utrecht komen spelen. Het lukt hem Hans over te halen trainer-speler te worden en gelijk laat Spanjaard een bericht in het Utrechts Nieuwsblad plaatsen: "De stad Utrecht herbergt sinds kort voor het eerst een door de FIDE erkend Nederlands schaakmeester. Hans Bouwmeester, na dr. Euwe met Donner behorende tot de sterkste spelers van ons land, heeft zich namelijk definitief in onze stad gevestigd. De betekenis van dit feit kan voor het Utrechtse schaakleven zeer hoog worden aangeslagen, daar het voorbeeld van Bouwmeester stellig de prestaties van de andere Utrechtse schakers zeer zal stimuleren. Bouwmeester zal in het komende seizoen de kleuren der Schaakclub Utrecht verdedigen aan het eerste bord in de eerste klas van de KNSB. Bovendien heeft hij zich bereid verklaard de overige leden van het eerste tiental systematisch te trainen, waarvoor hij reeds een programma heeft uitgestippeld."
Eduard Spanjaard neemt hem mee naar ons clubgebouw, toentertijd in het CSB-zalencentrum, nog steeds gevestigd aan de Kromme Nieuwegracht 39. CSB staat voor Christelijke Sociale Belangen. Spanjaard voegt daaraan toe: “Dat zul je wel vreemd vinden en dat is het ook. Schaken is immers bepaald niet christelijk, zeker niet sociaal en het belang heb ik er nooit van ingezien.”
Hoe sterk Hans Bouwmeester dan is, blijkt al in 1954, het jaar waarin hij het Hoogovenstoernooi wint. Evenveel punten als Pirc, die echter op SB-punten gepasseerd wordt. Dat is in de periode vóór de Russen meedoen. In 1958 mist hij op een half punt na de eerste plaats, in 1955 werd hij derde en in 1957 vijfde. 1956 en 1959 laat hij langs zich heengaan, maar in 1960 doet hij weer mee. Zevende wordt hij. Hoogovens is dan al een stuk sterker geworden: Petrosian en Larsen winnen het toernooi.
Max Euwe doet de eerste zet van Pirc, die wit tegen Bouwmeester heeft. Hoogovens, 1954
Hans' hoogtijdagen lopen van 1954 tot 1967. 1954 is zoals gezegd het jaar waarin hij Hoogovens wint; 1967 het jaar waarin hij samen met Hans Ree het Nederlands kampioenschap wint. De beslissingsmatch in Den Haag wordt helaas door Hans Ree gewonnen. Bouwmeester: "De match was slecht voorbereid. Er was geen hotel geregeld en ik zag er tegen op om naar Utrecht heen en weer te reizen. Mijn lieve oude tante, diacones in Bronovo, regelde een kamer in het ziekenhuis. Dat was een beter alternatief." Bouwmeesters makke is zijn werk geweest. 's Ochtends les geven voor de klas en dan in allerijl wegscheuren om net op tijd achter het schaakbord plaats te nemen. Geen goede randvoorwaarde bij een grootmeestertoernooi.
Hans Ree en Hans Bouwmeester, strijdend in de play offs om het kampioenschap van Nederland in 1967. Max Euwe opent de match.
In 1961 wordt Hans gelijk door Spanjaard naar voren geschoven als deelnemer aan het PAM-toernooi, samen met Dick van Geet en Jan van de Pol. Drie leden van Utrecht. Ze mogen het proberen tussen het (groot)meestergeweld.
Met 4 uit 9 is het net één puntje in de min. Hans: "Ook in Utrecht ging het niet zo goed, vooral omdat het in de drukke weken voor Kerstmis viel en dat is topdrukte in de scholen vanwege alle vergaderingen. Maar goed, ik had tenminste weer eens wat gespeeld." Eduard Spanjaard: "Wat dat betreft heeft speciaal onze meester Bouwmeester harde vooruitzichten. Overigens behoort Bouwmeester niet tot de kleineren - integendeel - doch hij is in de komende clinches met de groten wel in het nadeel. Men vergeve ons dat we hierop in een schaakbulletin ingaan, maar het chauvinistische hart klopt nu eenmaal af en toe en daarom moet ons van dit hart: waarom heeft Bouwmeester, in zijn eigen stad spelende, een handicap van dagelijks 4 tot 7 arbeidsuren?"
In het midden Bouwmeester. Rechts Donner. Links Van Geet.
Hans Bouwmeester in het PAM-toernooi van Schaakclub Utrecht.
Promotie
In 1962 wil het Utrecht I nog niet lukken, maar in 1963 is het dan zover. Promotie naar de hoofdklasse! Met het vertrek van de generatie die in 1947 kampioen van Nederland wordt en in 1948 dat kampioenschap op één matchpunt na mist, gaan in het seizoen 1957/1958 alle wedstrijden verloren en is degradatie een feit. Maar nu is een nieuwe generatie hemelbestormers opgestaan!
Het in 1963 promoverend team. Zittend: Spanjaard, Bouwmeester en De Ruiter. Staand: Van de Pol, Van Geet, Stegeman, Brouwer, Polee, Kieboom, Boosman.
Zittend: Spanjaard, Goris, Bouwmeester, Van Geet. Staand: Brouwer, teamleider P. Boosman, De Ruiter, Stegeman, Kieboom, Van de Pol, Polee.
Maar helemaal tevreden is Hans Bouwmeester niet. Hij vindt ons niet serieus genoeg. We zijn soms te melig. In 1965 schrijft hij in het clubblad een boos stukje waarin hij zich ergert aan het gezellige gepraat aan het begin van de clubavond dat volgens hem te lang duurt. Het bestuur schrijft als reactie dat er geen begrafenissfeer hoeft te zijn op de club, maar een beetje respect voor de denkende schakers mag toch ook wel. Later terugblikkend zal Hans zeggen: “Ik kreeg Utrecht niet van de grond.”
Legendarisch is de grap van Lucas Bunge bij Bouwmeesters beschouwing over de Pirc: “Maar Hans, als zwart zoveel moeite moet doen om e7-e5 door te zetten, waarom doet hij dat dan niet op de eerste zet?”
De lachers in de zaal had Lucas op zijn hand, maar Michel Hoetmer schrijft later: “Hans Bouwmeester had zich tijdens een lezing over de Pirc voor de gehele club in het zweet staan te werken om uit te leggen hoe je met zwart e7-e5 door moest zetten. Aan het eind van dit hoogst interessante betoog stelde Lucas droogjes vast dat het misschien eenvoudiger was om je al deze moeite te besparen en gelijk maar op de eerste zet e7-e5 te spelen. U voelt het wel aan: diepe verslagenheid bij Bouwmeester. Nooit, nee nooit hebben we nog iets vernomen uit de Haarlemmerhout!”
Op 22 juni 1978 vindt in het denksportcentrum een vergadering plaats, welke achteraf cruciaal blijkt te zijn. Aanwezig zijn de meeste bestuursleden, trainer Bouwmeester en een aantal spelers van het eerste team. Maarten Etmans, onze voorzitter, opent de vergadering en uit zijn teleurstelling over de teamgeest in het eerste tiental. Dat eerste tiental wordt gesponsord door CVI maar slaagt er evengoed niet in te promoveren naar de Hoofdklasse.
De trainingstienkamp is naar zijn idee een grote mislukking geworden. Het peil is ongelooflijk laag, de opkomst bedroevend. Van de Pol trekt zich halverwege terug. Kieboom neemt zijn plaats in en komt in twee partijen zonder te spelen remise overheen. Van der Linde komt tweemaal niet opdagen. Een puinhoop!
Bouwmeester krijgt vervolgens het woord. Hij stelt dat niet alle spelers van het eerste de trainingstienkamp serieus nemen. Sommigen blijven weg zonder zich af te melden en achteraf hoort hij dat aan de uitslag geen consequenties verbonden zijn. Met andere woorden: invloed op de ranglijst in de interne mag dit toernooi niet hebben, wat hij maar amper kan begrijpen. Ook de instructie-avonden worden door lang niet iedereen bijgewoond, terwijl op de trainingsavonden zelf het volgens hem ontbreekt aan de juiste instelling. Dan komen de spelers van het eerste team aan het woord. Die vinden dat de trainingscursus niet optimaal is geweest. In het begin zijn Bouwmeesters uiteenzettingen mede gevolgd door zwakkere schakers, waardoor Bouwmeesters details moest uitleggen, die voor hen overbodig zijn. Ze willen liever dat de training toegesneden is op het niveau en het repertoire van het eerste team. Eén zegt zelfs dat hij van de training niets geleerd heeft. Anderen zeggen dat zij voor hun plezier spelen.
De reacties vallen overduidelijk in verkeerde aarde bij Hans Bouwmeester. De spelers van het eerste team proberen hun woorden nog af te zwakken, maar het kwaad is al geschied. Het duurt nog een paar weken, maar dan wordt het uitgesproken: Hans Bouwmeester vertrekt naar BSG, waar ze volgens hem serieuzer zijn dan bij Utrecht.
Muziek
De tweede grote hobby van Hans Bouwmeester is muziek. Met veel schakers heeft hij samengespeeld, waaronder Mark Taimanov: de man die in de kandidatenmatches verslagen wordt door Fischer met 6 - 0, maar ook gevierd concertpianist is.
In 1979 wordt Eduard Spanjaard 70 jaar. Hans organiseert ter ere van zijn goede vriend een muziekmiddag. Samen met Lucas Bunge, cellist, Henk Losscher (pianist en net als Bunge lid van Schaakclub Utrecht) en Tabe Bas (bariton) spelen ze voor het schaakpubliek een prachtig muziekstuk. Het dankwoord van Eduard: "Hannes, jongen, ze zeggen weleens wat van je. Maar ik zeg jullie, Hans Bouwmeester heeft het hart op de rechte plaats. Alleen... hij kan het niet verkopen ...
... en bij mij is dat precies andersom!"
In 1998 keert de verloren godenzoon weer terug naar Schaakclub Utrecht. Zijn verhuizing naar Culemborg heeft hier zeker aan bijgedragen. Inmiddels is hij ook gepensioneerd - maar of hij voor zijn plezier speelt? De druk blijft hij voelen achter het schaakbord, wat soms er toe leidt dat zijn partijen voortijdig in remise eindigen.
Evengoed helpt hij het eerste team opnieuw bij promotie naar de Meesterklasse. Wederom blijkt zijn aanwezigheid goud waard voor de club. Vooraf en achteraf luisteren we dan naar de legendarische verhalen die hij als begenadigd verteller bij ons neerlegt.
Regelmatig zegt Hans te klagen dat zijn geheugen ook niet meer is wat het was. Maar als ik dan tegen hem speel - en verlies - zegt hij achteraf: "Je week op de zestiende zet af van Euwe - Lundin, 1952. Ik heb daar toen nog een artikel over geschreven."
Of anders zijn overwinning tegen Thomas Willemze in 2004. Gespeeld op onze club. Tijdens de partij moet Hans terugdenken aan Botwinnik - Aljechin, AVRO 1938. Hij is daar als achtjarig jongetje nog bijgeweest. Maar de analyses van Botwinnik kon hij zich echter niet goed meer voor de geest halen.
Hans is nog steeds lid van onze club. Af en toe geeft hij een lezing.
Prins en Bouwmeester
Robert Beekman
Prins en Bouwmeester. Beiden hebben ze voor Utrecht gespeeld. Bouwmeester van 1960 - 1968. Prins van 1970 - 1973. Bouwmeester weer vanaf 1974. Nooit hebben ze samen gespeeld bij Utrecht. Of nee, toch één keer. Eén keer hebben ze naast elkaar gezeten. Bij Utrecht - Parijs. Ze wisselen geen woord met elkaar. De spanning is om te snijden.
Vreemd, want als Hans Bouwmeester in 1948 bij ASC komt, heeft hij amper geld. Prins, die bij ASC aan het eerste bord speelt, wijst hem op een jeugdtoernooi in Birmingham. Bouwmeester wil maar al te graag en Lodewijk regelt alles voor hem. Geld via ASC en de Noordhollandse Schaakbond, onderdak via vrienden. Hans (foto hieronder) is hem hier altijd dankbaar voor gebleven.
Bij ASC spelen in die tijd Euwe (alleen als de club in nood zit), Prins en Orbaan. Hans Bouwmeester is drievoudig kampioen van het sterke Haarlem en mag aan het tweede bord spelen. Achter Prins. Dat zijn Prins' topjaren; zo wint hij in 1948 Hoogovens. De jaren gaan verder en Hans wordt sterker en sterker. In 1954 wint Bouwmeester Hoogovens samen met Vasja Pirc. Nog steeds wil Prins het eerste bord niet afstaan. Alleen tegen DD wil Prins niet aan het eerste bord omdat hij dan tegen Donner moet. Dan mag Hans wel.
Hans daagt hem uit om te spelen om het eerste bord, waarop Lodewijk niet ingaat. De onderlinge ontmoeting in Hoogovens, 1954, is hierdoor een prestigestrijd geworden. Fel speelt Hans op winst en bereikt hij een gezonde pluspion voorsprong. Het punt wordt al geteld, maar Lodewijk weet in een paardeindspel te ontsnappen. Remise.
Hoogovens 1955. Opnieuw gebrand op de winst! Dit keer speelt Hans de opening te ambitieus en komt Prins in het voordeel. Netjes wordt de zaak afgewikkeld door Lodewijk. Prestigestrijd verloren!
Olympiade te Moskou, 1960. Voor Hans Bouwmeester, twee personen erachter Henk van Steenis, tweede van rechts Lodewijk Prins.
In 1954 laat Argentinië op het allerlaatste moment weten geen Olympiade te organiseren. Lodewijk Prins slaagt er in om in vijf weken een Olympiade te Amsterdam te regelen. Binnen drie dagen heeft hij 131.000 gulden bij elkaar. Eén van zijn onwaarschijnlijke wapenfeiten. Hans Bouwmeester doet nog niet mee aan het Nederlandse team – hij moet op school examens afnemen.
Maar vanaf 1956 doet Bouwmeester voor het eerst mee en volgen jaren van goede samenwerking. Bouwmeester wordt op een gegeven moment captain en Prins is een goede kameraad. Altijd bereid om samen met een ander of voor een ander te analyseren. Nee, dan Donner, die onttrekt zich daaraan. Wat kan hem het schelen hoe iemand anders er voor staat in een afgebroken partij?
Desalniettemin verlopen de analyses niet altijd voorspoedig. Lodewijk staat erom bekend in analyses eigenwijs te kunnen zijn. Van Euwe is de volgende gevleugelde uitspraak bekend: "Laten we rustig naar de stelling kijken. Want als het er om gaat wie het hardste schreeuwt, heeft Lodewijk Prins altijd gelijk."
Rechts Bouwmeester en Prins tegen Schotland, Olympiade Havanna 1966.
1960. Hans Bouwmeester verhuist naar Utrecht en gaat bij Schaakclub Utrecht spelen. Na een aantal jaar lukt het Utrecht naar de Hoofdklasse te promoveren. Uiteraard komt Hans Bouwmeester daarin tegen Lodewijk Prins. We praten over 1965.
Utrecht – ASC. Opnieuw diezelfde prestigestrijd. Hans is er op gebrand Prins te verslaan en dit keer lukt dat ook. Eindelijk! Al rond zet 30 staat Prins helemaal verloren maar hij speelt door alsof er niets aan de hand is. Dan, na vijftig zetten, staat Prins meer dan een toren achter maar moet er afgebroken worden.
Het voorstel tot arbitrage wordt gedaan. Maar nee, daar ziet Lodewijk niet zoveel in. Het voorstel om uit te spelen in Utrecht wordt gedaan – het is per slot een thuiswedstrijd voor ons. Naar nee, dat kost Lodewijk te veel tijd. De tijd gaat verder en verder en op een gegeven ogenblik is Prins zomaar verdwenen. De captain van ASC meldt Hans dat Prins zijn partij opgeeft. Het is Prins te veel om zijn verlies achter het bord toe te geven.
Een half jaar later, in de volgende cyclus van de Hoofdklasse moet Bouwmeester wederom tegen Prins spelen. Prins heeft net het NK gewonnen en voor beiden staat dus opnieuw veel prestige op het spel. Fel wordt er door twee spelers op winst gespeeld, en Hans Bouwmeester wint voor de tweede keer op rij. Opnieuw kan Prins aan het eind geen handen schudden. Opnieuw is hij zomaar verdwenen en komt de teamleider van ASC vertellen dat Prins opgeeft.
In het seizoen 1967-1968 wint Hans Bouwmeester voor de derde keer op rij de prestigeslag tegen Prins!
Olympiade Tel Aviv
In 1964 is de Olympiade in Tel Aviv. Eddy van Amerongen woont in Israel en neemt contact op met de Nederlandse delegatie, waar Prins en Bouwmeester gebroederlijk in één team spelen. Van Amerongen haalt herinneringen op met Prins en het blijkt dat Lodewijk een broer heeft. Matthijs. Matthijs is omgekomen in Dachau; Lodewijk is gedurende de tweede wereldoorlog ondergedoken op een boot in Vinkeveen.
Lodewijk Prins is namelijk zoon van een rabbijn, maar hij wil dat niet zijn. Salomon is zijn echte naam. Op school wordt hij Loodje genoemd. Kennelijk zijn de herinneringen te pijnlijk of wil hij niet geassocieerd worden met het joods zijn. Hij laat zich Lodewijk noemen, gaat keurig in het pak gekleed en ontkent zelfs dat hij een broer heeft.
Rechts Bouwmeester en Prins tegen Venezuela, Olympiade Havanna 1966.
Olympiade Siegen
Dan 1970, de Olympiade te Siegen. Het rampscenario rond de vijfde man. Hans Bouwmeester pleit voor Jan Timman, om hen zoveel mogelijk kansen te geven. Uiteindelijk gaat Donner niet omdat hij 10.000 gulden vraagt, wil Timman niet meer vanwege het gezeur en blijft tot slot de keuze over tussen Hartoch en Prins. Prins wil heel graag; het zou zijn 13e opeenvolgende deelname aan een Olympiade zijn. Bovendien heeft hij goed gepresteerd dat jaar. Maar het bestuur kiest voor Hartoch.
Hans Bouwmeester moet de boodschap brengen. Hij gaat zelf naar het huis van Prins en zegt dat hij nog voor hem gepleit heeft.
Maar Prins is onvermurwbaar. Later hoort Hans dat Prins niet gelooft dat hij voor hem gepleit heeft. Hij heeft in die tijd een rubriek in het Parool en gaat vervolgens tekeer over de KNSB en vooral over Hans Bouwmeester. De coach zou volgens Prins niet mogen meespelen. De KNSB accepteert de tirade niet en trekt bij Het Parool aan de bel. Een paar maanden later komt het tot een breuk tussen de KNSB en Prins. Nooit meer wil Prins iets te maken hebben met de bond. Nooit meer wil Prins een woord wisselen met Bouwmeester. Tot verdriet van de laatste.
Prins weet dat Bouwmeester niet meer bij Utrecht speelt, anders komt hij niet in 1970, direct na de Olympiade van Siegen bij Schaakclub Utrecht spelen. Spanjaard heeft hem gevraagd. Met Utrecht wordt hij wel voor de tweede keer in onze geschiedenis landskampioen. Prins nodigt het hele eerste team van Utrecht uit om bij hem thuis van een feestmaal te genieten. Ter ere van het landskampioenschap.
Direct na dat landskampioenschap weet Spanjaard een door AMEV gesponsord evenement tussen Utrecht en Parijs te organiseren. Go, bridge en schaken tegelijkertijd. Na afloop van de wedstrijden is er een open huis waarin alles gewisseld wordt. Bouwmeester gaat dammen, Donner gaat bridgen, beroemde go-spelers gaan schaken. Maar eerst de match: Utrecht – Parijs.
Iedereen in schakend Nederland weet hoe de verhoudingen tussen Prins en Bouwmeester inmiddels zijn, maar Spanjaard doet gewoon of zijn neus bloedt en vraagt Hans Bouwmeester om Utrecht te versterken.
Opnieuw zitten Bouwmeester en Prins naast elkaar. Dit keer zit Hans wel aan het eerste bord. Geen woord wordt er gewisseld. De spanning is om te snijden. Ze zijn zich er allebei van bewust naast wie ze op dat moment spelen, maar houden het professioneel. Niemand merkt er wat van en beiden halen ze aan die eerste twee borden het volle punt binnen.
Het is de laatse keer dat Bouwmeester en Prins gebroederlijk naast elkaar schaken.