100 jaar SCU
Euwe en mijn f.i.d.e.
Eduard Spanjaard
Eduard Spanjaard, hier boven in beeld als openend spreker in het PAM-toernooi, aan het woord. Hieronder een - bij ons weten - nog niet gepubliceerd(e) (proeve van een?) verhaal, aangetroffen in de nalatenschap van Eduard Spanjaard. Het is het laatste artikel dat Spanjaard voor het Utrechts Nieuwsblad schreef - voordat hij op 7 mei overleed - en gaat over de tachtigjarige Euwe.
Dit wordt een egocentrisch verhaal, lezer, een stukje autobiografie, nodig om mijn visie op Euwe te verklaren. 't Hoge woord moet er eindelijk maar eens uit; van kindsbeen af heb ik geworsteld met mijn f.i.d.e., mijn Frustratie In De Elo-anthropo-metrie. Ieder die ouder, knapper, sterker, beter was (of leek) dan ik, startte met een hoge Anthropo-Elo (A.E.), een soort mens-waardering, in mijn beoordelingsscala.
't Begon natuurlijk bij mijn moeder. Zij kon bijvoorbeeld melk drinken die zó heet was dat je 'm nog niet kon drinken. M'n vader zag kans, met gesloten ogen over een stoeprand te lopen zonder op de voegen te trappen. En dan zo'n kinderjuffrouw! Wie ter wereld vouwde de onderlijfjes zo feilloos op als zij? Hun A.E. leek op Fischers Elo-rating.
Tijdens m'n eerste schreden in de kille maatschappij was 't al niet anders; de onderwijzer en dat schoonschrijven van hem met de nieuwe kroontjespen, de buurjongen die een tennisbal veel verder kon gooien dan ik en nog harder kon lopen ook; bij de padvinderij de welp die al kon scháken terwijl ik nog slechts damde, alsmede de hopman, al pijprokend onze troep inspecterend. Geen A.E. voor hen hoog genoeg.
Een H.O.O.F.D.K.L.A.S.S.E.S.P.E.L.E.R.
Ik kwam er niet van af. Twee ooms, beiden huisschakers, vond ik 'Über-menschen', die mij in aanraking brachten met een heuse oppergod, een hoofdklassespeler, die hij hen thuis simultaan kwam spelen. U leest 't goed, een H.O.O.F.D.K.L.A.S.S.E.S.P.E.L.E.R., zo iemand die openingen kende en de kracht van 't loperpaar, en 't kon opnemen tegen vier man tegelijk! Ons metrieke stelsel schoot tekort om zijn A.E. kwantitatief uit te drukken.
In 1926 ging ik vol eerbied naar de te Utrecht gespeelde twaalfkamp om 't landskampioenschap volgen. Nummer laatst (Kersten) verschoof uit zichzelf z'n potlood te mijnen gerieve toen ik zijn notatiebiljet poogde te ontcijferen. Onmiddellijk was hij voor mij de aartsengel in hoogst eigen persoon, met bijpassende A.E.
Zo ging 't door; later waren 't de populaire kroegtijgers, de he-men, die de mooiste meisjes inpalmden, de advocaten die voor de vuist weg pleitten en de rechters die de wet feilloos kenden. Tot vandaag de dag bevangt mij een respectvolle angst voor de verkeerspolitieagenten uit de Porsches. Wat een posturen; de rest van hen zal wel navenant zijn!
De ontnuchtering
De frustratie van dit alles nu schuilt niet zozeer in het fenomeen van de elo-anthropometrie zelf als wel in het feit dat de elo van de objecten mijner bewondering steevast een snel dalende lijn vertoonde. Ik prikte door hen heen en weg was de torenhoge A.E. Zie voor mijn moeder, mijn vader met de juf van 't onderlijfje, mijn 'Inleiding in de kinderpsychiatrie'. De onderwijzer bleek als hoogste literatuur 'de rode Pimpernel' en de 'Libelle' anno 1917 te lezen, de buurjongen schaakt nóg niet, de welp kende alleen de spelregels, de hopman verloor zijn baan wegens wangedrag, de hoofdklassespeler, enfin, u kent dat soort, de he-men gingen scheiden, de spraakzame advocaten bleken niet bestaande jurisprudentie te citeren en de onderstromingen in het gezin van die rechters waren al even dubieus als hun wetskennis.
Uitzondering op de ontnuchtering
En nu komt 't waar ik naar toe wilde: Prof. Dr. Max Euwe is de zeldzame uitzondering op mijn f.i.d.e.; zijn A.E. daalde nimmer, doch bleef stijgen. Wat een man! Mijn eerste schuchtere confrontaties met hem vonden plaats op papier; het absolute hoogtepunt kwam, tussen alle succesberichten, voor mij omstreeks 1924 in Tartakowers verrukkelijke werk Die hypermoderne Schachpartie (1.e4 c5 2.b4 cxb4 3.a3 ... Wer b sagt, muss auch a sagen). Euwe is de toekomsthoop van het Europese schaak, las ik, blozend van opwinding, met eigen ogen. Stelt u zich voor, wat dit voor mijn A.E. betekende, een landgenoot die voor 't eerst in de geschiedenis weerwerk zou kunnen bieden aan de grootsten in mijn A.E.-tabel: Lasker, Capablanca... De foto bij 't artikel toonde een jongensgezichtje; dat heeft hij eigenlijk altijd enigszins gehouden. Hoe bestaat 't dat een jubilaris-op-jaren met een dergelijke staat van dienst zó jong blijft? Mijn hemel, welk een staat van dienst en wat een werkkracht. We waren er geheel aan gewend dat hij met de regelmaat van een klok het landskampioenschap won, maar alleen de ouderen kunnen nog navertellen, hóe dat ging.
... onderwijl het spoorboekje raadplegend ...
Ik maakte dat bijvoorbeeld mee in Den Haag 1933. Tegen de tijd dat de anderen met 't middenspel begonnen, raadpleegde Euwe het spoorboekje, onderwijl zijn verslagen tegenstander de pointes der partij tonend; een uur later zat hij in Amsterdam weer achter zijn bureau te werken aan een nieuw schaakboek, terwijl de concurrentie doende was, te kiezen tussen een mataanval of een eindspel. Ja, die schaakboeken van Euwe. Hoeveel zijn er? Stond er ooit een notoire fout, een plagiaat in? Is er één schaakdenker ter wereld die gelijk Euwe het zeker bestaande, doch vage, conglomeraat via talent, kennis en ervaring des schaakmeesters éérst wist te concretiseren en vervolgens te abstraheren tot voor ieder begrijpelijke algemene regels? Denkt u eens aan de theorie van de toegevoegde velden, bijvoorbeeld. Hoeveel eigenschappen - zoals intelligentie, orde, zeifdiscipline, ijver, plichtsbesef - moet een mens in zich verenigen om een dergelijke werkkracht en productiviteit op te brengen?
Wie des maandags een brief met een vraag zond aan Euwe kon er zeker van zijn woensdagochtend het antwoord in zijn bezit te hebben, gewoonlijk op de adreszijde van een briefkaart, kort dus, maar volledig en raak. Hij werkte - en werkt - razend snel, maar tot mijn verbazing niet zó gemakkelijk uit-de-losse-pols als wij, minder begaafde stervelingen, misschien van iemand als hij verwachtten.
De categorie twijfelaars
Ik constateerde dat, toen we na afloop van een landenwedstrijd Oostenrijk - Nederland werden rondgetoerd door het Wiener Wald in herfsttooi. Euwe zat ook in de bus en schreef, al kijkend, inmiddels een artikel (hij zal eens een uur niét werken!). Mij frappeerde het vrij grote aantal doorhalingen in de tekst. Hoe valt dit te verklaren? Volgens mij omdat Euwe behoort tot de categorie van de twijfelaars. Nu houd ik van twijfelaars, in beide betekenissen van het woord. Ik houd van het ding 'twijfelaar' op gronden die buiten het bestek van deze beschouwing vallen. Van de 'mens-twijfelaar' houd ik omdat ik niet kan tegen lieden die alles zo goed weten en dit met luider stemme kenbaar maken. De zaak is namelijk dat zij het nu juist niét goed weten!
Euwe daarentegen pleegt zijn visie altijd enigszins aarzelend voor te dragen, als gevolg van het tegenovergestelde, namelijk zijn enorme kennis der veelheid van aspecten. Zijn twijfel verhoogde mijn A.E. voor hem, ondanks de ook bestaande negatieve aspecten. De twijfelaar Euwe zou mijns inziens geen goed rechter kunnen zijn; een rechter moet in een donkergrijs-lichtgrijs-situatie een zwart-wit-beslissing durven nemen, het wagen knopen door te hakken door A ongelijk en B gelijk te geven, ook als de score 49-51 is.
Twijfelaars kunnen zoiets niet. Daartegenover kunnen rechters niet schaken; een goed schaker moet per definitie een twijfelaar zijn, altijd 'ja, maar' zeggen of denken. Het twijfelen is dus inherent aan Euwes fabuleuze schaakcapaciteiten. Die moet je eigenlijk aan den lijve hebben ondervonden, zoals ik in de jaren 1932 - 1955. Een onvoorstelbaar krachtsverschil, telkens weer, één ononderbroken stroom van glasheldere, gestroomlijnde gedachten, voortgekomen uit twijfels weliswaar, maar via het geestelijk proces van ordenen en kiezen altijd feilloos gematerialiseerd.
Machteloos tegen voorspelbaarheid
Hoogst merkwaardig heb ik tot heden toe gevonden dat Euwe de enige tegenstander is geweest wiens zetten ik praktisch altijd zag aankomen, terwijl ik er toch volstrekt machteloos tegen bleef. Dit verschijnsel heb ik nooit kunnen verklaren.
Twee voorvallen moge ik aan de vergetelheid ontrukken. Twee oktober 1949: eerste ronde van het toernooi te Baarn, 'ausgerechnet' starten tegen Euwe. Zelfs m'n bril, zonder welke ik n&oactue;g minder zie op 't schaakbord, was blijkbaar nerveus. Daarom zei hij direct bij 't begin 'knap' en uit leek de schaakpret. De sportieve Euwe sprak 't reddende woord: We pauzeren een uur in afwachting van je reserve-bril. Opgewonden telefoontje naar mijn geliefde echtgenote, toen nog verloofde, gedoemd slechts het lééd des schakenden levensgezels méé te dragen. Maar zij had geen sleutel van mijn woning. Dies werden er (legale) braakpogingen gedaan totdat twee agenten verschenen: Mevrouwtje, gaat u eens even mee naar 't bureau! Het toverwoord 'Euwe' bracht redding, maar de bril niet. Onze maestro had het verloren uur niet eens nodig om mij van 't bord te vegen.
Veenendaal, 29 maart 1955, Ritmeester-zaliger. Afgebroken na 40 zetten, slecht eindspel voor mij. Na enkele dagen uitgespeeld. Capitulatie na de tweede tijdcontrole. Kort daarna een telefoongesprek. 'Ik stond al verloren hij 't afbreken.' 'Neen', aldus Euwes antwoord, 'toen was 't remise. Sterker nog, 't was zelfs nog remise toen je 't opgaf; ik heb 't je op dat moment maar niet direct gezegd.'
Acht foliovellen met feilloze analyses
Fijn trekje! Een week later ontving ik acht foliovellen met feilloze analyses. Commentaar van Theo van Scheltinga: 'Dat is 't verschil tussen een wereldkampioen en ons.' Commentaar in 't clubblad van 'Utrecht': Vragenbus. Dr. M.E. te A.: 'Neen, opgeven in remisestelling is niet zijn gewoonte.'

De mens Euwe, rechts in beeld, achter de onverbiddelijke schaker. U las er hierboven een paar staaltjes van. Maar soms was hij spijkerhard. Eenmaal was ik er 't object van, tijdens het slotbanket van 't landskampioenschap 1961. Biologische redenen maakten 't absoluut noodzakelijk mij na enkele ronden terug te trekken; 't is mijn laatste echte toernooi geweest. De medici stonden mij echter toe de sluiting bij te wonen. Euwe: 'Ik dacht dat je dood was.' 'Dat zou ik geweest zijn als ik had doorgespeeld.' 'Beter dood!', was zijn reactie, die hard aankwam, maar die ik juist van hèm toch kon begrijpen met zijn ijzeren discipline en zelftucht.
Innerlijke roerselen
Weten ze trouwens veel, de kerngezonde Euwes, de Ree's, van wat 't betekent met een zwak lichaam door 't leven te moeten, als jongen jarenlang te moeten kuren, terwijl je vriendjes ravotten, in plaats van met voetbal en tennisracket 't te moeten doen met dieet, koortsthermometers, pillen en dokters!? De mens Euwe heb ik ook éénmaal zwak meegemaakt, om precies te zijn op 17 april 1954, een gedenkwaardige dag. Toen toch werd hij, na een 'abonnement' sinds 1921, onttroond als landskampioen. Donner had in de laatste ronde genoeg aan remise voor de titel; vader Donner verscheen in hoogst eigen persoon ten tonele. Jan Hein deelde al gauw 't punt. Euwe toonde zich een voorbeeldig sportsman en was de eerste die de nieuwe titelhouder hartelijk gelukwenste, uiterlijk volstrekt onbewogen. Slechts ik kon zijn innerlijke roerselen waarnemen; 't toeval wilde namelijk dat ik tegen hem speelde. Plotseling deed hij de ene rotzet na de andere. (Vragenbus: Neen, dat is niet zijn gewoonte!) De mens van vlees, bloed en emoties, achter ons enige vaderlandse schaakgenie! Die bewerkstelligt alleen maar een belangrijke stijging - zo nog mogelijk - van zijn A.E! Wat een mens achter die man!
Een enkel staaltje. 't Is midden 1944, de oorlog en de bezetting worden steeds ondraaglijker. Een mij zeer goed bekende, toen nog jonge, dame stapt in de trein Geldermalsen - Eindhoven. In haar coupé zit een manspersoon, bezig Russische grammatica te bestuderen. Er ontwikkelt zich een gesprek. De manspersoon geeft aan de dame de helft van zijn brood; slechts zij die de hongerwinter zelf meemaakten, kunnen deze geste naar waarde schatten. In Eindhoven overstappen op de stoomtrein naar Maastricht. De manspersoon suppleert voor de dame van de tweede naar de eerste klas. Afscheid in de Limburgse hoofdstad, zomaar een onbetekenende ontmoeting, zelfs zonder een zich voorstellen. Maanden later valt 't oog van de dame op een foto (in de etalage van een boekwinkel) die de omslag van een schaakboek siert. ('t Zal Oom Jan en z'n neefje wel weer geweest zijn!) Slim van u om aanstonds te begrijpen wie die manspersoon was. Onze dame begreep 't toen pas. Vier jaar later speelde Euwe simultaan in Suriname, voor de schaakclub van de man onzer reizigster. 't Weerzien was hartelijk en mevrouws nèt geboren hond kreeg de naam Max! Zo laat een groot schaker een spoor na over de gehele wereld, mits achter zijn talent ook een grote persoonlijkheid steekt.
Euwe als gastheer
Maakte u ooit Euwe als gastheer mee? Ik wel. Hij zou model kunnen staan voor die functie in Amy Groskamp-ten Haves 'Hoe hoort het eigenlijk'. Reeds de omlijsting van zijn drie dochters aan de dis - ook d&aactue;t onderdeel was àf - was meegenomen. Ook verder deed hij álles zelf: de tafel verzorgen èn de conversatie, èn de bediening. Ja lezer, hij sneed zelfs eigenhandig 't vlees! Geen menselijke activiteit sla ik, met al m'n linkerhanden, zo hoog aan voor mijn A.E.-curve. Een wondermens, die mens achter de schaker Euwe. Ik heb 't nagetrokken; al die beweringen over zijn activiteiten, naast de overbekende (schaken, schrijven, computers, bedrijfsdirecteur, schaakambassadeur en bestuurder) berusten niet op legendevorming, maar op waarheid. Hij spéélde vroeger viool en voetbal, hij bokste, hij bestuurde vliegtuigen, leerde Russisch en Spaans. Dit alles, verenigd in één persoon, kan ik slechts aanduiden als 'genade'.

Links Max Euwe, rechts Eduard Spanjaard. Foto gemaakt tijdens het PAM-toernooi, georganiseerd door Schaakclub Utrecht in 1961.
Ik weet niet of hij dit zelf ook zo ziet en evenmin of hij gelukkig is. Misschien wel niet. Iemand die zo gestructureerd is, kent namelijk geen rustpunt; telkens weer moet hij een nieuwe 'partij', een nieuw stuk levensactiviteit opzetten, steeds weer met perfect resultaat en zonder ooit een otium cum dignitate aan 't eind. Misschien is dat de prijs welke een genie moet betalen voor zijn 'genade'. Heb het er maar voor over, jubilaris. Zonder jou was Nederland niet het schaakland van thans, waren er geen toegevoegde velden, geen 94 FIDE-landen. En zou mijn f.i.d.e., mijn frustratie van de altijd dalende Anthropo-Elo, ondraaglijk zijn geworden. Heb dank voor alles en aanvaard mijn jubileumwens: EEUWIG SCHAAK!