100 jaar SCU
De nationale en internationale schaakcarrière van dr. Adolf George Olland (1867-1933)
Erik Olof, aanvullingen RB
Georg Olland, viervoudig Nederlands kampioen. Het eerste kampioenschap is van 1895; dan, in het toernooi te Amsterdam (1899), wordt hij tweede achter Atkins die alles wint (geen titel eigenlijk); dan eerste te Haarlem, in 1901; en tot slot wordt hij de eerste officiële kampioen van Nederland, in 1909. In de officiële lijst van de KNSB zult u daarom Olland als eerste kampioen van Nederland vinden. Olland heeft ook internationaal veel furore gemaakt. Voor de opkomst van Euwe was hij een van de bekendste figuren. Bekend is het verhaal van een Nederlandse schaker die in de eerste jaren van de twintigste eeuw in Duitsland ging spelen. Hij zei: "Ik kom uit Holland". "Daar woont Olland", was de repliek van zijn Duitse collega-schaker. Er is zelfs een variant naar hem vernoemd: de Dr. Olland variant in het Frans MacCutcheon, die ontstaat na de zetten: 1.e4 e6 2.d4 d5 3.Pc3 Pf6 4.Lg5 Lb4 5.e5 h6 6.Lc1.

Met Olland, hier rechts in beeld, is iets merkwaardigs aan de hand. Er is nooit een boek over hem verschenen. Wel over de broers Van Foreest, tijdgenoten. Ook over Noteboom en Weenink, beiden (te) jong gestorven, nog voordat Olland achter bet bord aan een hartaanval overleed.
In het 'in memoriam', in het augustus/septembernummer 1933 van het Tijdschrift staat te lezen: 'Vast staat dat geen Nederlandse schaakspeler voor Euwe zo fascinerend op het schaakgevoel der massa heeft ingewerkt als Olland.' Verder wordt hij aangeduid als de gentleman-chessplayer en de mentor van het Nederlandsch schaak. Inderdaad, begrippen die wij nu direct associëren met zijn opvolger, Max Euwe.
Het begin van Ollands schaakcarrière
Wij vervolgen de schaakcarrière van Olland, nadat hij als jongeling in 1886 een honderd-procentscore heeft behaald, in de tweede klasse van de Bondswedstrijd te Utrecht. Na deze wedstrijden komen voor hem de eerste internationale toernooien, zowel in Nederland als daarbuiten, de officiële Nederlandse kampioenschappen en, als afzonderlijk deel, zijn matches.
In 1887 doet Olland voor het eerst mee in de eerste klasse, aan de Bondswedstrijden in 'De Roode Leeuw' op de Amsterdamse Vijgendam, de bekende lokaliteit van het VAS. De ontvangst is fleurig, iedereen krijgt een fraaie, bloeiende roos. Olland moet de eer nog laten aan Dirk van Foreest en aan Tresling, maar laat andere gerenommeerde spelers zoals Arnold van Foreest, Benima, Loman, Messemaker en Pinedo achter zich. Hij hoort er al direct bij. In de tweede klasse eindigt zijn broer Eduard Lodewijk in de middenmoot.
Boven een foto van het NK 1887. Olland is tweede van rechtsboven zichtbaar, met helemaal rechtsboven Arnold van Foreest. Onder Arnold, zittend aan de tafel: Dirk van Foreest. De volledige lijst van aanwezigen: (staand van links naar rechts) Benima, Süsholtz, Veraart, Tresling, Olland, Arnold van Foreest; (zittend van links naar rechts) Pinedo, Loman, Tinholt, Rothe, Dirk van Foreest.
Twee jaar later mag Olland nog niet mee doen aan de meestergroep van het eerste internationale toernooi in Nederland (te Amsterdam), ongeveer veertig jaar na dat van Londen, 1851. Lasker schittert voor het eerst als 'meester'. In de eerste ronde speelt deze zijn beroemd geworden partij tegen Bauer, met het dubbele loperoffer. Winnaar is overigens de Brit Arnold Burn, voor Lasker. De twee Nederlanders, Loman en Arnold van Foreest, bungelen onderaan de ranglijst, met een zekere Leather die er werkelijk niets van bakt. Olland wint het hoofdtoernooi.
Opkomst van een nieuwe, goede speler
In de Utrechtse Bondswedstrijden van 1891 wint Loman, met Olland als tweede. Broer Eduard L. wordt derde in de tweede klasse, achter Van Rhijn en de later legendarisch geworden Norman van Lennep.
Op 19 februari en 1 maart 1893 speelt de Schaakclub Utrecht een historische massakamp tegen Hilversum. Tot dan kende Nederland alleen de massakamp tussen het VAS en ASC. Het wordt voor de Utrechters geen onverdeeld genoegen: een nederlaag van 11 - 7 en daarna een van 8,5 - 7,5.
Hierboven een foto van de massakamp tussen SCU en VAS. Gespeeld in de Korenbeurs te Utrecht te 1925.
Aan het eerste bord maakt Olland kennis met de opkomende kracht van Norman van Lennep; hij verliest eerst met 1,5 - 0,5 en kan daarna op 1 maart de stand gelijk houden. Een jaar later wint Utrecht met 9,5 - 2,5 van Hilversum en neemt Olland revanche op Van Lennep. De definitieve doorbraak voor het Utrechtse talent komt in augustus 1895, wanneer hij voor het eerst de Bondswedstrijd wint, in Arnhem, vóór Loman, Te Kolsté, Bleykmans en Arnold van Foreest. Van nu af aan zal hij als primus inter pares in de Nederlandse schaakwereld regeren. Vooral in matches toont hij zich duidelijk de sterkste en in toernooien sprokkelt hij zijn punten vooral ten koste van landgenoten.

Het tweede internationale toernooi, in 1899 te Amsterdam, levert Olland een tweede plaats op, achter Atkins (rechts in beeld), die 15 uit 15 scoort. Hij eindigt met 11 uit 15 (meestal genoeg voor een toernooi-overwinning), een vol punt voor Bleykmans, Tresling, Mannheimer en Swiderski.
Geëerd als een held
In 1900 speelt Olland voor het eerst in het buitenland, in het hoofdtoernooi van München. In het meestertoernooi delen Pillsbury, Schlechter en Maroczy de eerste plaats; Olland wordt, een trede lager, verdienstelijk tweede. Dat hij de strijd tegen de buitenlandse meesters aan kan, bewijst Olland door het internationale toernooi van Haarlem in 1901 te winnen. Dit succes levert hem als tweede Nederlander de meestertitel op; slechts Norman van Lennep is hem daarin voorafgegaan, in 1894, door het Hauptturnier van Leipzig op zijn naam te brengen. De derde Nederlander zal Leussen worden, door zijn tweede plaats achter Marshall in Scheveningen, 1905.
Hierboven het "diploma" dat Olland kreeg toen hij de meestertitel verwierf.
De vreugde is enorm. Olland wordt als een held geëerd. In het Tijdschrift steekt Te Kolsté de loftrompet. (Later zal de verstandhouding tussen Te Kolsté en Olland aanzienlijk verkoelen, als gevolg van het reeds beschreven conflict over de auteursrechten.) Een beschrijving van zijn speeltrant:
'Het spel van Olland verraadt meer den aanhanger van de oude dan van de moderne school. Begaafd met een uitstekend positiegevoel, waardoor het hem mogelijk is zoo nodig de winst der partij door het bijeenvoegen van kleine voordeeltjes ten slotte af te dwingen, geeft hij er toch de voorkeur aan te winnen met een aanval. Heeft hij dezen bemachtigd, dan is hij in zijn element en voert dien onberispelijk. Door diepe combinaties, veelal gepaard met briljante offers, velt hij zijne bestrijders. Zich verdedigen doet hij goed, altijd trachtend den aanval over te nemen. En al blijft zijn stelling meestal zonder zwakten, toch is zijn spel vrij van overdreven angst voor een dubbelpionnetje of iets dergelijks, welke dikwijls den stijl van den positie-speler minder levendig doet zijn. Kortom, de combinator troont in Olland boven den positionist. Is men eenmaal tegenover hem in het nadeel, dan zijn remise- of winstillusies en luchtkasteelen, want een blunder is in zijne partijen te vinden als een speld in een hooiberg.'
In Utrecht volgt een uitgebreide huldiging. Uit het verslag hierover, eveneens in het Tijdschrift: 'Aan dr. A.G. Olland werd naar aanleiding van den door hem te Haarlem verworven meestertitel een ovatie gebracht en hem wegens bijzondere verdiensten op schaakgebied in het algemeen en jegens de Schaakclub 'Utrecht' in het bijzonder het Eervoorzitterschap der club aangeboden.'
Na de 'eere-wijn' geven Olland, Leussen en Van Foreest een simultaanvoorstelling, waarbij zij om de beurt een zet doen en gelijktijdig tegen elkaar spelen. Het meest lyrisch wijdt het verslag uit over de feestmaaltijd tot 'vier uur in den morgen', met gerechten als 'Chateaubriand, Sce Bearnaise Commencement de l'attaque'.
'Er ging slechts een roep van: Nooit zoo geamuseerd!'
Hoe schril steekt dit af bij de 'feestelijkheden' na het behalen van het landskampioenschap in 1971, toen de dames van de heren schakers waren genodigd voor een maaltijd in een Utrechts Indonesisch restaurant. Toen zij arriveerden, zaten hun echtgenoten druk te analyseren bij een zakschaakboekje, een bezigheid die zij slechts na herhaalde aandrang staakten om de nasi weg te kauwen.
Euwekoorts avant la lettre
In 1902 speelt Olland in Hannover mee in het meestertoernooi. Een flitsende start: 5,5 uit 6. Er breekt in Nederland een soort Euwekoorts uit, avant la lettre. De kranten staan er bol van hoe de Doctor een ieder verplettert die op zijn weg komt. Dan komt de crash, en wordt Olland weer met beide benen op de grond gezet. Hij kan nog drie punten bemachtigen, net genoeg voor de achtste en laatste prijs. Toch een prima buitenlands debuut.
Het verhaal gaat dat toernooiwinnaar Janowski hier voor het eerst in zijn leven de Franse opening speelt, met zwart tegen Olland, uit ontzag voor de manier waarop deze de Spaanse partij behandelt. Voor zijn partij tegen Wolf krijgt Olland de schoonheidsprijs van Baron de Rothschild: 'een verguld zilveren beker, in de vorm van een schaaktoren' ter waarde van 150 mark. Olland maakt in het buitenland furore. Zijn combinatierijke en agressieve speelstijl wordt overal geroemd.
Een foto uit Hannover 1902. Olland zit en is tweede van links. Op de foto ziet u alle Nederlandse deelnemers bij elkaar. Staand van links naar rechts: van Dam, Leussen, Bleijkmans. Zittend van links naar rechts: Olland, Esser, Loman.
Het volgende internationale toernooi, Karlsbad 1907, wordt echter een anticlimax: een op twee na laatste plaats met drie punten, overigens in het indrukwekkend gezelschap van mannen als Rubinstein, Maroczy, Nimzowitsj, Schlechter, Vidmar, Duras, Teichmann, Marshall, Spielmann, Tartakower, Janowski en Tschigorin. Tschigorin heeft bijvoorbeeld slechts één punt meer.

Links een van de voorbeelden dat niet alles naar wens liep. Duras - Olland. In menig combinatieboekje prijkt deze stelling als opgave, waarna vervolgens aangegeven wordt dat 1.Lf8+ Lh5 2.Dxh5+ gxh5 3.Th6 mat is. Inderdaad, een mooi mat. Echter, waar velen menen dat dit het slot van de partij is, is deze variant nooit op het bord geweest. In de werkelijkheid speelde Duras: 1.Pf4 Th8 2 Pxd5 Dxd6 3.exd6 Lh5 4.Le3 Tad8 5.Dg5 en zwart geeft op. Ook voldoende voor de winst. Tietz was degene die achteraf wees op de snelle weg naar mat. Het illustreert evenwel de onnauwkeurigheid van vele schaakgeschriften, dat men systematisch 1.Lf8 noemt als zet van Duras; een werkelijkheid creërend die nooit bestaan heeft.
In datzelfde toernooi wordt wel Ollands partij tegen Wolf als schoonheidsprijs ingediend, waarin Olland eerst een stuk op lange termijn offert, later een toren ervan maakt en uiteindelijk de partij gedecideerd weet te winnen. Het wordt afgewezen omdat de jury meent dat het offer niet correct is. Dit leidt tot grote consternatie! Met name Tsjigorin is verontwaardigd omdat hij meende dat het offer wel correct was en de partij van Maroczy (die uiteindelijk de schoonheidsprijs binnenhaalde) weinig indrukwekkend vond.
Urenlang werd over de partij van Olland verhit gedebatteerd, waarbij onder andere Tsjigorin, Marshall en Tartakower het voor Olland opnamen en Teichmann, Janovski en Wolf meenden dat zijn tegenstander eigenlijk had moeten winnen.
Alle deelnemers en organisatoren van Karlsbad 1907 bij elkaar op de foto. Van links naar rechts, zittend: Rubinstein, Marco, Fähndrich, Tschigorin, Schlechter, Hoffer, Tietz, Maroczy, Janowski, Dr. Neustadtl, Drobny, Marshall. Van links naar rechts, staande op de tweede rij: Nimzowitsch, Wolf, Mieses, Cohn, Johner, Leonhardt, Salwe, Vidmar, Berger, Spielmann, Dus-Chotimirski, Tartakower, Dr. Olland. Olland staat dus helemaal rechts tegen de pilaar van het gebouw aan. Op de derde rij staan onbekende toeschouwers.
Kampioen van Nederland!
In een onprettige sfeer, naweeën van het schisma van een paar jaar terug, wint Olland in 1909 het eerste officiële kampioenschap van Nederland. Eigenlijk moet hij er nog een tweekamp om spelen, met de gelijk geëindigde Speijer, maar die krijgt ruzie om de voorwaarden, wordt woedend en stapt uit de bond. Daarmee verspeelt hij zijn rechten, want alleen bondsleden kunnen mee doen. Olland claimt en krijgt de titel.
Leiden 1909, het eerste officiële Nederlandse kampioenschap. Van links naar rechts: Esser, Olland, Loman, Leussen en Speijer. Olland en Speijer hadden in dit dubbelrondige kampioenschap 5 uit 8, Leussen 4,5 uit 8, Esser 3 uit 8 en Loman 2,5 uit 8.
In 1911 is er een vierkamp tussen Olland, Marshall (overgekomen uit Amerika), Arnold van Foreest en Esser. Hierboven de wedstrijd tussen Marshall en Olland (op de rug gezien). Olland behaalt echter slechts één punt, achter Marshall en Arnold van Foreest, die verrassend standhoudt tegen Marshall en van Olland en Esser wint, met 2½ punten.
Er doet zich nog gelegenheid genoeg voor om aan te tonen dat hij de sterkste is. In 1912 wint Olland een vierkamp in Utrecht tegen Arnold van Foreest, Esser en Te Kolsté. Ook in het buitenland lukt het weer, bijvoorbeeld in Stockholm, 1912, waar een vrijwel onbekende twintigjarige Rus, een zekere Aljechin, 8,5 uit 10 haalt. Olland wordt vierde, voor Spielmann.
Aljechin slaat een jaar later, op het jubileumtoernooi van de veertigjarige schaakbond in Scheveningen, opnieuw toe. Hij wint, voor Janowski, Olland en dan pas Yates, Ed. Lasker, Mieses en de Nederlanders Te Kolsté, Loman en Speijer. In de Euwe-biografie schrijft Münninghoff: 'Voor Olland het succes van zijn leven: hij won overtuigend van alle zes overige Nederlandse spelers, tegen de buitenlanders bijna 50%, heel bijzonder in die jaren (...) Dit markeert het nieuwe, hogere niveau van het vaderlandse schaak.'

Olland speelt een matig toernooi in Hastings 1919, dat Capablanca, links in beeld, overtuigend met tien overwinningen en een remise wint. Maar de vaderlandse pers blijft hem nauwgezet zijn verrichtingen in het buitenland volgen. Capablanca slaagt er in Olland met een strakke positionele partij te overspelen, en de locale pers te Utrecht moet toch enig chauvinisme toegeschreven worden, zo ontdekken we in een van Euwes boeken. In de notatie van de partij laat de redactie Capablanca na 1.d4 d5 de zet 2.e4 in plaats van het feitelijk gespeelde 2.c4 spelen. Even later slaat Capablanca met de pion op c4 die van d5, maar dat was voor de redactie geen probleem. Kennelijk een notatiefout; uiteraard veranderd in exd5. En als Capablanca wederom later Tac1 speelt (recht achter de pion op c2), heeft de redactie hier waarschijnlijk een mysterieuze torenzet à la Nimzowitsch in gezien. Maar als Capablanca de pion op c6 slaat (Tc1 springt over de pion op c2 en slaat op c6), kan de redactie zich niet langer inhouden: "Eigenlijk is dit een illegale zet, maar afgezien van deze kleine schande is het verder een mooie partij!"
Na Hastings 1919 speelt Olland nog een vierkamp met Maroczy, Tartakower en Oskam, alvorens hij in augustus 1920 met de jeugdige Euwe en de laatste kampioen van het pre-Euwe-tijdperk, Marchand, naar Göteborg reist, waar ze in de B-groep mogen mee doen. Olland wordt voorlaatste, Euwe tweede.
Uitgerekend in de laatste ronde haalt Olland verwoestend uit in de richting van tegenstander Euwe, wat de talentvolle jongeling de gedeelde eerste plaats kost. Het wordt een onwaarschijnlijke wereldpartij. Olland offert vier keer een paard, zeven keer een loper (door deze zeven zetten achter elkaar en prise te laten staan), één keer een toren, twee keer een pion, laat vier zetten achter elkaar een pion en prise staan, laat twee keer twee stukken instaan, en laat zeven keer na materiaal (een stuk c.q. kwaliteit) van Euwe terug te slaan ten gunste van de eigen aanval. Uiteindelijk, na een koningsaanval die inmiddels al 23 zetten duurt, geeft Euwe, geheel murw gespeeld, op. Hij staat op dat moment een kwaliteit en twee pionnen achter, maar wat nog erger is ... de koningsaanval is nog lang niet afgelopen!
Een jaar later zou Olland opnieuw van Euwe winnen, nu in een matchpartij. Wederom was het een overtuigende aanvalsoverwinning, hoewel een stuk minder spetterend dat die in Götenborg. Olland laat 'slechts' een kwaliteit zes zetten achter elkaar instaan. "De enige Utrechter die van Euwe wist te winnen...", zou Spanjaard later over Olland zeggen. En dan maar liefst twee keer overtuigend!

Olland, hier rechts in beeld, in een partij tegen Euwe, Nederlands kampioenschap 1933, hetzelfde kampioenschap dat Olland in de laatste ronde achter het bord sterft tegen Hamming.
Maar dan maakt Euwe schoon schip. Hij wordt landskampioen in 1921. Tot 1954 zal hij alle kampioenschappen waaraan hij mee doet, voor zich opeisen. Euwe verliest 'zijn' titel pas in 1954 aan Donner, als hij in de laatste ronde remise moet toestaan aan Spanjaard.
Ouderdom komt met gebreken
Olland tegen Yates, toen in 1923 de Engelse Schaakclub Hastings op bezoek kwam.
In Nijmegen wordt Olland nog derde, achter Davidson, die een tamelijk ongelukkige periode heeft uitgezocht om beroepsschaker te worden. Ook in het volgende kampioenschap, in 1924, deze volgorde. Nog een krasse prestatie voor een 57-jarige. Dan zet onvermijdelijk de neergang in, waarmee Olland overigens niet direct vrede heeft.
De ouderdom komt met gebreken. Olland krijgt last van zijn hart, maar speelt toch nog tamelijk gezond in het kampioenschap van 1926 te Utrecht, waar hij met Arnold van Foreest de een na laatste plaats deelt. Van zijn leeftijd en gezondheid wil hij niets horen, hij moppert alleen, omdat hij behalve zijn eigen dokterspraktijk nog eens voor een collega heeft moeten waarnemen. Dat kon allemaal wel, omdat het toernooi toch in Utrecht was. 'Wel de oorzaak van mijn lage klassering', vindt Olland. In dit kampioenschap zien we trouwens het debuut van de Utrechter Pannekoek, die verdienstelijk op een gedeelde vijfde plaats eindigt.

Rechts een foto die bij de foto helemaal bovenaan hoort. Op deze foto kijkt Olland iets anders.
Niet geplaagd door zijn beslommeringen als huisarts, behaalt Olland in het kampioenschap van 1929 toch niet meer dan een zevende plaats. De sterk debuterende graaf Van den Bosch pakt de vierde plaats.
En dan komt het kampioenschap van 1933, waar Olland, die sinds 1921 geen kampioenschap heeft overgeslagen (de toernooien werden in de vooroorlogse tijd onregelmatig gehouden), ondanks zijn zwakke gezondheid toch nog een keer bij wil zijn. In de voorlaatste ronde tegen de DD'er (later Utrecht-speler) Hamming worden de spanningen hem te veel en sterft hij achter het bord. (Zie verder hierover het afzonderlijke hoofdstuk dat een parallel trekt tussen Olland en Spanjaard.) Olland, de enige Utrechtse schaker die ooit van Euwe won, zoals Spanjaard terecht heeft opgemerkt.
De matches van Olland
Dan nu iets over de matches van Olland. In de periode die rond 1890 begint tot aan ongeveer 1910 is hij onbetwist de sterkste matchspeler van Nederland geweest. Je kunt zelfs gerust stellen dat hij de sterkste is geweest voordat het tijdperk-Euwe aanbrak. Het was een tijd van weinig toernooien. Matches waren evenwel populair; wanneer een match was afgelopen, daagde de verliezer vaak de winnaar direct uit voor een revanchematch. Soms ging het alleen om de eer, soms stond er iets op het spel, een titel bijvoorbeeld. Het boek van dr. P. Feenstra Kuiper Hundert Jahre Schachzweikampfe, 1851-1950, laat zien dat Olland tussen 1890 en 1910 geen enkele match verloren heeft van de Nederlandse topspelers. Jammer dat hij in deze periode geen matches heeft gespeeld tegen sterke buitenlanders. Dergelijke matches kwamen pas veel later in zwang, toen Olland al op zijn retour was.
In de jaren negentig brengt Olland Te Kolsté tot driemaal gevoelige nederlagen toe. Zoals bijna al zijn matches, vinden de ontmoetingen in Utrecht plaats. Alleen tegen Loman speelt hij in 1904 te Egmond. Een match tegen Van Lennep in 1895 wordt niet uitgespeeld. De reden is niet bekend, wel dat Van Lennep na zes ronden met 3,5 - 2,5 voor stond.
Opkomende youngsters weet Olland in het algemeen erg goed de les te lezen. Met Leussen rekent hij af in 1901, 1902 en 1909. Met Esser wil het aanvankelijk ook prima lukken, een enkele keer zelfs met 'Fischer-scores (7 - 0 en 5 - 0), tot het keerpunt in 1910. Dan wordt het een gelijk spel: 5 - 5 zonder remises.
In zijn matches met Arnold van Foreest is Olland in het begin superieur (7 - 1 in 1905), maar later gaat het gelijk op en wordt het tweemaal een gelijk spel. In 1911 verliest Olland voor het eerst een match, tegen de naar Amerika geëmigreerde Rus Jaffé en in 1913 toont Arnold van Foreest aan, dat ook een Nederlander van Olland kan winnen: 2-1-1. Dat levert de 50-jarige Van Foreest de clubtitel op van 'Utrecht', want die stond op het spel. Ze waren gelijk geëindigd in de winterwedstrijd, elk met 8 uit 9.
Olland en van Foreest waren twee combinatorisch begaafde spelers, en niet zelden kwam er een spektakel op het bord. Hieronder kunt u een van de partijen tussen deze twee echte vechtersbazen naspelen.
In de jaren twintig speelt Olland matches tegen befaamde buitenlanders als Réti, Maroczy, Colle en, in eigen land, tegen de opkomende Max Euwe. Hij moet regelmatig het onderspit delven, met steeds duidelijker cijfers. Maar hij wint nog wel van Davidson.
Tot slot enkele woorden over de match Olland - Pannekoek, in 1924 verrassend door Pannekoek gewonnen met 6-2-2. Olland heeft Pannekoek zelf uitgedaagd, nadat deze in de winterwedstrijd van 'Utrecht' slechts een halfje achter hem is geëindigd. Olland heeft de tijd ver achter zich dat hij jonge spelers verpletterde. De jeugdige Pannekoek, die later zal kiezen voor een meer maatschappelijk geaccepteerde carrière, als internist, heeft het in zich het ver te schoppen in de schaakwereld. Zelf relativeert hij zijn prestatie door niet alleen te herinneren aan de leeftijd van Olland, maar ook aan het feit dat het voor Olland slechts een oefenmatch is, voorafgaand aan zijn match tegen Euwe in dat jaar. Natuurlijk had Olland de eindcijfers van de match graag in een andere volgorde gezien; tot het einde van zijn leven heeft de eerzucht hem nooit in de steek gelaten. Jammer dat hij zijn verlies ook niet erg sportief opnam. In het clubblad zal men vergeefs zoeken naar enige mededeling omtrent deze vriendschappelijke match.
Een foto uit het NK 1926. Helemaal linksboven is Pannekoek in beeld, die Olland zo overtuigend in een match versloeg. In het midden, staande, Max Euwe.
Hoe sterk was Olland?
Peter de Jong
Olland is 19 jaar oud als in 1886 de Schaakclub Utrecht wordt opgericht. Ondanks dat er in 1873 een schaakbond is opgericht, leidt het schaakspel in Nederland een kwijnend bestaan. De tijd wordt gevuld met het vervaardigen en oplossen van schaakproblemen. Met de nodige jaloezie wordt gekeken naar Engeland en Duitsland, waar de populariteit van het spel zeer sterk groeit.
Het 1e toernooi dat in Utrecht wordt gehouden, is de jaarlijkse bondswedstrijd van de Nederlandsche Schaakbond in 1886. In de hoofdgroep spelen de Utrechters Prange en Van Foreest mee. Olland wordt ten onrechte ingedeeld in de tweede groep en wint deze met een score van 8 uit 8, maar gelet op de zwakke tegenstand is zelfs dit nauwelijks een prestatie. Een jaar later, Amsterdam 1887, speelt Olland wel mee in de hoofdgroep. Met een score van 5½ uit 9 eindigt hij op een 3e plaats. De jaren hierna is hij niet altijd van de partij. Olland is een verdienstelijk schaker maar grote successen blijven uit.
Rechts Olland
In het midden van de jaren tachtig zijn Loman en Van Lennep de beste exponenten van het Nederlandse schaken. Loman heeft zich reeds in de jaren 1880 in Engeland gevestigd en behaalt goede resultaten in Engelse toernooien. Van Lennep wint in 1894 in navolging van Lasker en Tarrasch het Hauptturnier van de Duitse Schaakbond en mag zich de 1e Nederlandse schaakmeester noemen.
In 1895 wint Olland de bondswedstrijd in Arnhem met 6 uit 8 en laat hierbij voor het eerst Loman en Van Foreest achter zich. In een tweetal matches heeft hij Te Kolsté met grote cijfers verslagen.
Toch duurt het tot 1899 voordat Olland weer van zich laat spreken. In Amsterdam wordt het 2e internationale schaaktoernooi van Nederland georganiseerd. De Brit Atkins is ongenaakbaar met een score van 15 uit 15. Tweede is Olland met 11 uit 15.
In 1899 organiseert de Nederlandse Schaakbond de Eerste Internationale Hoofdklassewedstrijd. Hierboven deelnemers en aanhang.
Na het overlijden van Van Lennep en zijn monsterscores in diverse matches met Te Kolsté, Esser en Leussen, bestaat er aan het begin van de 20e eeuw geen twijfel meer wie Nederlands sterkste schaker is.
Over het algemeen wordt aangenomen dat Olland's definitieve doorbraak heeft plaatsgevonden in 1901 als hij het internationale toernooi in Haarlem wint en aan hem de meestertitel wordt toegekend. Hierbij gaat men ten onrechte voorbij aan het resultaat dat Olland in 1900 behaalt in München waar het 12e congres van de Duitse Schaakbond wordt gehouden van 21 juli tot 21 augustus 1900.
Opvallend veel Nederlanders, waaronder de Utrechters Esser en Leussen, hebben zich ingeschreven voor het toernooi. Dat internationale meestertoernooi wordt gezamenlijk gewonnen door Maroczy, Pillsbury en Schlechter en is samen met het internationale toernooi van Parijs (gewonnen door Lasker vóór Pillsbury en Marshall) de belangrijkste schaakgebeurtenis van 1900.
Na het overlijden van Steinitz in 1900 vormen onder anderen Lasker, Pillsbury, Maroczy, Chigorin, Marshall, Schlechter, Burn, Janowski en Mieses de wereldtop. In Hauptturnier A eindigt Olland met een score van 16 uit 21 op de 2e plaats, goed voor 400 Deutsche Mark. Loman vergelijkt in zijn rubriek in De Amsterdammer van 19 augustus 1900 de prestatie van Olland met die van Van Lennep uit 1894 als deze in Leipzig het Hauptturnier A op zijn naam schrijft.
Vanaf het begin zit Olland goed in het toernooi waarbij het opvalt hoe eenvoudig hij met goed en scherp spel veel van zijn partijen vrij eenvoudig weet te winnen. Een voorbeeld hiervan tegen Dyckhoff.
München, 1900, met op de onderste rij (5e van rechts) Olland.
Het gaat gelijk op met sterke Duitser Rudolf Swiderski waarbij de onderlinge partij uiteindelijk de doorslag zal geven.
Een triest einde van de partij en hiermee de kans verspeeld om het toernooi op zijn naam te schrijven. Swiderski blijft een punt voor op Olland en wint het toernooi met 17 uit 21.
Swiderski en Olland komen elkaar hierna nog een aantal keren tegen. Het leven van Swiderski kent een triest einde. In 1909 maakt hij door een dubbele zelfmoordpoging een einde aan zijn leven. Hij vergiftigt zichzelf eerst en daarna schiet hij een kogel door zijn hoofd. De reden waarom is nooit helemaal duidelijk geworden. Was hij betrokken in een liefdesschandaal of was hij ernstig ziek en kon hij hier de gevolgen niet meer van overzien?
Rechts Rudolf Swiderski
De meestertitel wordt aan Olland toegekend na zijn overwinning in het toernooi te Haarlem in 1901. Achteraf gezien is deze prestatie wat overschat. Het toernooi was een veredeld Nederlands Kampioenschap, aangevuld met een paar buitenlandse spelers en Olland had reeds aangetoond Leussen, Esser, Van Foreest en Loman te kunnen verslaan.
En wie in die tijd meester wordt, krijgt van de Nederlandse Schaakbond een mooi diploma. Zie hierboven het bewijs. In 1901 is Olland de tweede Nederlander die de meestertitel krijgt. Norman van Lennep gaat hem daarin voor (door in 1894 het Hauptturnier van Leipzig op zijn naam te schrijven).
Een en ander leidt wel tot een uitnodiging voor het prestigieuze toernooi van Hannover in 1902 waar een groot deel van de wereldtop aanwezig is. Mieses is bij zijn bezoek aan Utrecht in 1900 al door Olland verslagen en dit overkomt ook Janowski in een serieuze partij die in 1901 te Amsterdam wordt gespeeld.
In Hannover gaat Olland zeer voortvarend van start met 5 uit 5 door overwinningen op Süchting, Mason, Wolf, Swiderski en Von Bardeleben en is zelfs in Amerika voorpaginanieuws als hij in de zesde ronde een half punt moet afstaan aan Mieses. Na 5 ronden staat Pillsbury op een achterstand van 2½ punt en Chigorin op 3 punten!
In 7e ronde gaat het mis tegen Pillsbury, die kiest voor een afwikkeling naar een ongelijk lopereindspel.
In de 8e ronde volgt echter weer een fraaie winst op Marshall.
Na vier nederlagen op rij is Olland kansloos voor een topnotering, maar hij eindigt met 8½ uit 17 op een verdienstelijke 8e plaats, waarbij hij heeft bewezen zich met de top te kunnen meten.
Ollands huisartsenpraktijk te Utrecht is de reden dat er geen vervolg gegeven kan worden aan een internationale schaakcarrière. Dit komt pijnlijk aan het licht in het internationale toernooi te Karlsbad 1907 als Olland op een 18e plaats eindigt met een score van 6½ uit 20.
In 1909 behaalt Olland in Leiden de 1e officiële titel van Nederlands kampioen. In de officiële lijst van de KNSB zult u daarom Olland als eerste kampioen van Nederland vinden.
Leiden 1909, het eerste officiële Nederlandse kampioenschap. Van links naar rechts: Esser, winnaar Olland, Loman, Leussen en Speijker.
In 1912 speelt hij in 1912 in een internationaal toernooi te Stockholm. Olland wint in dit toernooi van Spielmann, maar verliest van de 20-jarige Aljechin.
In het internationale toernooi te Scheveningen in 1913, ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van de Nederlandsche Schaakbond, is Olland de enige Nederlander die zich staande kan houden tussen onder ander Aljechin, Chigorin, Breyer en Yates. De hoge klassering van Olland komt overigens voornamelijk tot stond door een 100% score tegen de zes Nederlandse deelnemers.
In 1919 treft Olland Capablanca in het Victory toernooi van Hastings. Het wordt een vrij kansloze nederlaag tegen de aanstaande wereldkampioen.
Hierna is Olland in het buitenland nog een keer actief op een internationaal toernooi. In Goteborg in 1920 speelt hij onder andere samen met een jonge Euwe in de B-groep. Hij speelt hier een van zijn mooiste partijen en ontneemt Euwe hiermee de gedeelde toernooiwinst.
Olland tegen Euwe, Nederlands kampioenschap 1933, hetzelfde kampioenschap dat Olland in de laatste ronde achter het bord sterft tegen Hamming.
Het is uitgerekend Lasker die vol lof is over de inmiddels 53-jarige Olland. De partij tegen Euwe vindt hij verreweg de beste partij van het gehele toernooi en in zijn schaakrubriek in De Telegraaf bespreekt hij de zojuist beëindigde match tussen Olland en Reti.
Lasker schrijft:
Dr. Olland is een meester, begiftigd met een grote fantasie en vol ondernemingslust, die de jonge Hollandse meesters in menig opzicht tot voorbeeld kan strekken. Het talent waarmee hij aanvalsplannen weet te ontwerpen, verdient door al degenen bestudeerd te worden, die zich al te zeer op “correct” spel toeleggen en daardoor maar al te dikwijls onpersoonlijk blijven en te droog spelen. Tegen de jonge, moderne meesters, die de kunst verstaan hun tegenstanders eerst langzaam af te matten, alvorens zij hen in een onstuimige aanval te neerslaan, schijnt dr. Olland edoch niet over voldoende weerstandsvermogen te beschikken. Tegen deze meesters moet men of gedurfd of uiterst bedachtzaam en geduldig te werk gaan, vrij zijn van zenuwen, en consequent blijven.
Mooie woorden van Lasker, die waarschijnlijk niet op de hoogte is van eerdere Olland's uitspraken over Lasker zelf, waarin hij vindt dat Lasker reeds op jonge leeftijd een uitgebluste indruk maakt en alleen maar om geld wil spelen. Een geplande match tussen Olland en Lasker wordt om deze reden op het laatste moment afgeblazen.
De Nederlanders vallen opnieuw door de mand in 1923 te Scheveningen. Zij zijn niet opgewassen tegen onder andere Reti, Maroczy, Spielmann en Johner. Olland scoort 2 uit 10.
Ook in de Nederlandse kampioenschappen speelt Olland nauwelijks nog een rol van betekenis. Op het moment dat Olland tijdens het Nederlands kampioenschap in Den Haag in zijn partij tegen Hamming een kwaliteit vóór komt en goede winstkansen heeft, bezwijkt hij achter het bord, juist op het moment dat een tekenaar het portret van Olland voor de laatste keer vastlegt!
De tekenaar vermeldt: “Op het moment dat de tekenaar Hans van Vorden uit Gouda deze tekening gereed had, overlijdt de dr. achter het schaakbord, juli 1933”
Olland heeft, weliswaar een korte periode, aan de wereldtop mogen ruiken en heeft zijn krachten meer dan verdienstelijk kunnen meten in serieuze partijen met wereldkampioenen als Capablanca, Aljechin en Euwe. Zijn overwinningen op Mieses, Janowski, Johner, Breyer, Swiderski en Reti zijn het bewijs dat hij zeker tot 1920 een schaakmeester is van internationaal niveau.