Graaf van den Bosch

Graaf Johannes van den Bosch was voor de tweede wereldoorlog één van de sterkste spelers van Nederland - na Euwe natuurlijk. Hij werd vierde op het NK van 1929, tweede op het NK van 1933 (het toernooi waar Olland achter het bord zou sterven), derde op het NK van 1938, tweede op het NK van 1939. Verder speelde hij in menig internationaal schaaktoernooi mee, waardoor hij zo ongeveer tegen alle groten uit het pre-oorlogs schaaktijdperk gespeeld heeft, zoals Capablanca, Aljechin, enzovoorts. Daarnaast speelde hij matches tegen vermaarde spelers, zoals Maroczy, Rubinstein, Flohr en Spielmann. Er is nog een boek over hem verschenen: Graaf van den Bosch. Bankier en schaker, geschreven door H.J. van Engen en K. Maartense.

Utrecht en graaf van den Bosch

Robert Beekman

Zijn betovergrootvader heette ook Johannes van den Bosch (1780 - 1844). Die schreef zowaar geschiedenis. Hij werkte zichzelf op tot gouverneur van Nederlands-Indië en wist daarvan een lucratieve aangelegenheid te maken. Volgens koning Willem I kon hij geld genereren "zoals Moses water uit een rots kon halen". Verder richtte de betovergrootvader de stichting Maatschappij van Weldadigheid op; een stichting die bedoeld was om armen aan het werk te krijgen. Volgens van den Bosch was arbeid de enige manier om armoede te bestrijden. In Drenthe bestaat bij Frederiksoord nog een bezoekerscentrum ter ere van hem. Overigens is het door hem ontwerpen cultuurstelsel later omstreden geworden, mede door de kritiek van Multatuli.

De Johannes van den Bosch van 1780 tot 1844 was een vertrouweling van Willem I, die hem tot Minister van Koloniën benoemde en in 1835 hem tot baron, en in 1839 tot graaf verhief. Dat was een erfelijke titel, die vervolgens overging op zijn nazaten. Toen in 1940 zijn vader stierf, verkreeg Johannes van den Bosch de titel graaf; daarvóór was hij jonkheer.

Hij speelde in de twintiger jaren bij Utrecht, gedurende zijn studietijd. In de dertiger jaren was hij reeds verhuisd naar Den Haag en behaalde hij zijn belangrijkste successen. Van den Bosch zou vlak voor de Tweede Wereldoorlog naar Hilversum verhuizen en bij HSG gaan spelen. Van die club zou hij later erelid worden. Na de tweede wereldoorlog nam het maatschappelijk leven het grootste beslag op zijn tijd. Hij was lange tijd één van de directeuren van de Nederlandse Bank. Schaken nam nog altijd een plaats in zijn leven in, maar hij bedreikte uiteraard niet meer het niveau van vóór de tweede wereldoorlog. Toen behoorde hij met Landau tot de twee sterkste schakers van Nederland - na Euwe. Salo Landau zou overigens in de Tweede Wereldoorlog sterven in een concentratiekamp; hij was joods. Toen de Duitsers begonnen met de registratie van de Nederlandse joden, probeerde hij nog te vluchten naar Zwitserland. Hij werd echter met vrouw en dochter gearresteerd in Breda. Ook vrouw en dochter bezweken onder de gruwelijkheden, en wel van Auswitsch.

Max Pam heeft hem geïnterviewd en Johannes van den Bosch diepte toen de volgende herinnering op: Je kon toen niet van schaken leven. Je kreeg 25 gulden als je wat had gewonnen. Als amateur moest je bovendien kwitanties overleggen wat je ervan gekocht had. De profs kregen startgeld, maar de amateurs mochten blij zijn als zij werden uitgenodigd. Er waren enkele beroepsspelers, maar ik heb altijd de indruk gehad, dat zij tamelijk arm waren. Landau was eigenlijk de enige Nederlandse prof, als persoon vervuld van het schaken. Hij beperkte zich in het café tot één drankje, kon zich weinig permitteren, leefde een heel bescheiden bestaan. Hij liet nooit merken dat hij arm was. Wij zagen het niettemin.

In 1924 meldde hij zich bij Schaakclub Utrecht. Johannes van den Bosch is geboren in 1906, en hij was toen aldus 18 jaar en ging in Utrecht Rechten studeren. Een veelbelovend talent, dat zeker, en Olland bood toen aan een match met hem te spelen. Olland had altijd al een zwak gehad voor talentvolle jeugdschakers, die hij graag steunde. Voor Spanjaard betaalde hij in die tijd het lidmaatschap, omdat diens financiële middelen dat niet toelieten. En zo mocht Johannes van den Bosch, zoals meer jeugdspelers gelijk privileges kregen, gelijk in het eerste jaar deelnemen aan het eerste tiental.

Olland won de match tegen Johannes van den Bosch overigens met 6-0. In het genoemde boek over Graaf van den Bosch herinnert hij zich het volgende: Samen met Pannekoek, die een jaar ouder was en medicijnen studeerde, analyseerde ik uitgebreid een afgebroken partij tegen Olland. Twee zetten na de hervatting offerde Olland met succes een paard. Dat hadden we volkomen overzien. Olland speelde toen nog zeer sterk.

Olland speelde een prachtige partij; u kunt deze naspelen door op de rode knop te drukken die u kunt vinden als u naar beneden scrollt. Maar Johannes van den Bosch was nog maar 18 jaar en theorieboeken had je in die tijd amper. Dat betekende dat een schaker de theorie helemaal zelf (of samen met anderen) mocht doorgronden. Olland had aldus een voorsprong, ondanks of misschien wel dankzij zijn 51-jarige leeftijd: hij had veel ervaring met het Spaans. Later, bij het NK van 1929, zou van den Bosch, nu 23 jaar oud, winnen van Olland, die op dat moment 56 jaar oud was. Achteraf vroeg iemand aan Olland of hij niet te lichtzinnig gespeeld had. Vermoedelijk was inderdaad van onderschatting sprake, want Olland antwoordde: Ach ja, ik had nog nooit van Van den Bosch verloren...

Maar ook Johannes van den Bosch speelde een prachtige winstpartij waarop weinig valt af te dingen. Graaf van den Bosch wilde in zijn eigen herinneringen graag Olland eren, die zoveel voor hem betekend had, maar ere wie ere toekomt. Dan laten we dus ook zijn formidabele overwinning op Olland zien, gespeeld in het NK van 1929. Druk op de eclips voor naspelen!

Een andere herinnering uit de periode bij Utrecht. Johannes van den Bosch speelde zowel 1.d4 als 1.e4, en liet daarbij de beginzet somtijds afhangen van de tegenstander. Tegen Arnold van Foreest (drievoudig Nederlands kampioen), net als Olland (viervoudig Nederlands kampioen) zo ronde de vijfendertig jaar ouder dan hem, speelde Van den Bosch 1.d4. Een schot in de roos! Arnold van Foreest had een hekel aan die zet, keek gelijk chagerijnig en riep uit: "Waarom doe je dat nou?! Waarom geen e4?!" Of het uit ontzag of beleefdheid was zou ik niet weten; in elk geval schoof Johannes van den Bosch zijn d-pion weer twee velden terug, om vervolgens 1.e4 te spelen.

Graaf van den Bosch had een beetje de pech dat hij op z'n best speelde toen Euwe op zijn hoogtepunt was; die haalde immers in 1935 tegen Aljechin de wereldtitel binnen, die hij in 1937 aan dezelfde Aljechin weer verloor. Alle spotlights waren in die tijd uiteraard op Max Euwe gericht. Euwe was een klasse apart en won bijvoorbeeld een oefenmatch tegen Van den Bosch met 6-0. Toch heeft Johannes van den Bosch prachtige aanvalspartijen gespeeld en verdiende hij meer bekendheid dan hij gekregen heeft. Als u op de eclips rechts drukt, kunt u zijn bekendste partij tegen Spielmann naspelen.

In het boek Honderd jaar Schaakclub Utrecht heeft graaf van den Bosch over zijn periode bij Schaakclub Utrecht geschreven. Hieronder zijn persoonlijke terugblik.

Meer dan zestig jaar geleden

J.H.O. graaf van den Bosch

In 1923 besloot de KNSB (toen nog NSB) ter viering van zijn vijftigjarig bestaan op Hemelvaartsdag in vijf kleinere steden in Nederland, waaronder Middelburg, districtswedstrijden te houden, waarvan de winnaars in juli te Schevening om het districtskampioenschap van Nederland zouden strijden. In Middelburg, waar ik toen woonde, meldden zich zestien deelnemers aan - wel een verschil met tegenwoordig -, maar de bond was tevreden. Na enig geharrewar, omdat men mij met 17 jaar eigenlijk te jong vond, werd ik in de hoofdgroep geplaatst. Ik slaagde erin de eerste prijs te delen, waarmee ik me kwalificeerde voor Scheveningen. Daar ondervond ik dat je met gebrek aan ervaring niet erg ver komt; met één uit zes werd ik hekkesluiter.

Ik vertel dit zo uitvoerig, omdat, toen mijn vader in januari 1924 naar Zeist verhuisde en ik lid werd van de schaakclub 'Utrecht', het feit dat ik het districtskampioenschap had bereikt, voor het bestuur voldoende aanleiding was om mij in het eerste tiental te plaatsen. Wat belangrijker voor mij was, Olland, altijd bereid met jongere spelers de degens, te kruisen, bood mij aan enige vrije partijen met hem te spelen, die voor mij even desastreus zouden verlopen als het districtskampioenschap.

Olland was toen over zijn hoogtepunt heen, maar nog onbetwist de sterkste speler van de club. Hij had een reputatie opgebouwd met de wijze waarop hij met wit de Spaanse partij behandelde. Ter ere van de speler die ik wel als mijn eerste leermeester van niveau mag beschouwen, volgt hier een van de vrije partijen die ik met hem speelde. Druk op de eclips.

Een van de kleurrijkste figuren uit die tijd was de helaas veel te vroeg gestorven voorzitter van de club, mr. L.J.M. van der Eerden. Zijn grootste illusie was dat Utrecht clubkampioen van Nederland zou worden; hij heeft dat niet meer mogen beleven. Hij was een redelijke hoofdklassespeler, maar geen vechter. Als hij een blunder maakte, was de partij voor hem bedorven, ook al had hij nog kansen, zoals in de volgende partij.

Wit: Van der Eerden, zwart: Van den Bosch, najaar 1924.
1.d2-d4 d7-d5 2.c2-c4 c7-c6 3.c4xd5 c6xd5 4.Pb1-c3 Pg8-f6 5.Dd1-b3 Zo had Marshall tegen dr. Lasker gespeeld in het grote toernooi van New York 1924 en er bijna mee gewonnen. Lasker zette voort met 5... e6 6.Lf4 Pc6 7.Pf3 enz. Ik speelde toevallig eerst 5... Pb8-c6 en Van der Eerden, geheel in de ban van de variant die hij in zijn hoofd had, voerde à tempo 6.Lc1-f4 uit, waarop ik 6... Pc6xd4 liet volgen en van der Eerden opgaf. Hij had met 7.Da4+ Pc6 8.0-0-0 nog best kunnen proberen in troebel water te vissen.