100 jaar SCU
Ons kampioenschap van Nederland in 1946
Erik Olof
Toen de top van het Nederlandse competitieschaak nog niet werd beheerst door 'huurlingen' en een clubkampioenschap dus nog echt een clubkampioenschap was, heeft de Schaakclub Utrecht menigmaal haar partijtje om de landstitel mee geblazen. Twee maal is het gelukt de hoogste plaats te behalen, in 1946 en in 1971. Nauwelijks minder imposant is dat het eerste tiental bijna onafgebroken in de hoogste klasse heeft gespeeld van 1920/'21 tot en met 1957/'58. In dit hoofdstuk een verslag van het kampioenschap in 1946. Eén opmerking: het is goedkoop dit kampioenschap af te doen als het resultaat van een nog niet op gang gekomen competitie. Schakers spelen toch wel - en misschien juist dan - als het oorlog is, en de handicap was voor alle tientallen even groot.
Over dit kampioenschap valt nog wel wat te citeren uit artikelen van die jaren. De eerste bladzijde van het clubblad na het behalen van de titel in 1946: "16 juni 1946 zal in de annalen onzer vereniging met gouden letters worden geboekstaafd. Op dien dag, onvergetelijk voor degenen, die hem mee beleefden, slaagde ons eerste tiental erin door een eclatante 7,5 - 2,5 overwinning op 'Eindhoven' het clubkampioenschap schaken van Nederland op zijn naam te brengen. Wat in de voorafgaande 59 jaren van het bestaan onzer vereniging niet mocht gelukken, werd in het diamanten jubileumjaar bereikt. Onbetwistbaar heeft ons eerste tiental zich de meerdere getoond van de andere kampioenspretendenten." Woorden van geluk van de toenmalige voorzitter, Hofsommer. Een dergelijke gebeurtenis rechtvaardigt een poétische uitbarsting, van Li.D. (het lid Fr. Visser, een oude onderwijzer die ook musiceerde en componeerde):
Utrecht kampioen van Nederland
Utrecht heeft de slag gewonnen,
Utrecht is thans kampioen,
Utrecht met zijn zestig jaren
weet zijn zetjes nog te doen.
Utrecht won van Leiden, Haarlem
en toen ook van Philipsstad.
Nooit nog in zijn lange leven
heeft het zo'n succes gehad.
Boven d'oude schaakrivalen
Rotterdam, het Haags DD,
't grijze VAS niet te vergeten,
Bussum en de ASC!
Utrecht heeft de geest gekregen!
Onverslaanbaar gaat het voort,
zege stapelt het op zege,
Utrecht pleegt schaakmassamoord.
Leden van de schaakclub Utrecht,
'k roep U toe: Geluk er mee!,
Voorwaarts nu met gloednieuw clubvuur!
'k Blijf uw medelid, Li. D.
We hoeven nu tenminste niet te herhalen wie er al zo mee deden aan dat kampioenschap van 1946; Li. D. heeft ze keurig voor ons opgesomd.
Uit de beslissende wedstrijd tegen Eindhoven is de volgende partij van Eduard Spanjaard tegen Stumpers. Het is een partij zoals we bij Spanjaard meer gezien hebben: op het scherpst van de snede, altijd bereid de uitdaging aan te gaan en in staat te overrompelen als dat nodig is! Druk op de eclips om het torenoffer op lange termijn zelf te zien!
Als team gewonnen
G.W. van Vloten
Wanneer ik de jaren dat ik speelde voor de Schaakclub Utrecht, van 1945 tot 1958, weer voor de geest haal, denk ik allereerst aan die gedenkwaardige zestiende juni 1946, de dag waarop het eerste tiental kampioen van Nederland werd. Op die dag wonnen wij van Eindhoven met 7,5 - 2,5 en eindigden daardoor in de finalegroep definitief op de eerste plaats, met voorsprong op Eindhoven, het Leidse LSG en HSG uit Haarlem.

Het kampioens-tiental van 1946. Zittend v.l.n.r. Hofsommer, Wessels en Spanjaard; staand v.l.n.r. Van Vloten, Reurslag, Visser, Den Hartoog, Van Santen en Van Steenis. Muilwijk ontbreekt.
Nu, na veertig jaar, kun je je afvragen of het kampioenschap toen toeval was: hadden we geluk of speelden we werkelijk zo sterk? Inderdaad, het zat niet tegen; vooral tegen HSG kwamen we goed weg met een 5,5 - 4,5 overwinning. Over de spelkwaliteit wil ik graag het volgende opmerken. Bij het spelen van een competitiewedstrijd heeft een schaker te maken met drie elementen: 1. hij speelt als individu, 2. hij speelt in een tiental, dus in klein collectief verband, en 3. hij speelt in een club, dus in groot collectief verband. Zo wordt zijn spel bepaald door zijn schaakbekwaamheid, de invloed van zijn teamgenoten en de invloed van de club.
Om nu met element drie te beginnen, stel ik hier vast dat van de leden van de Schaakclub Utrecht een grote stimulans uitging. Wij, als eerste tiental, werden als het ware door de leden op handen gedragen. Wij waren het bejubelde vlaggenschip van de schaakclub, en eigenlijk zou ik nu alle leden moeten noemen als ik terug denk aan ons kampioenschap van veertig jaar geleden. Uiteraard kan ik aan een dergelijk voornemen geen gevolg geven. Met veel genoegen wil ik echter voor de volgende leden een uitzondering maken om hun bijzondere warmte en medeleven: A.H. van Wijngaarden, G.H. Bruins, Jhr. A.E. van Foreest, G.L. de Brie, Dr. A. Schuckink Kool en ... Pijper.

De Brie is niet op deze foto van 1953 zichtbaar, maar de andere spelers die van Vloten bedankt wel: van links naar rechts: G.H. Bruins (geboren 1873), Jhr. A.E. van Foreest (1863), W. Pijper (1873), Dr. A. Schuckink Kool (1873), A.H. van Wijngaarden (1873).
Als team gewonnen
Wat de teamgenoten betreft: we hebben elkaar duidelijk in gunstige zin beïnvloed. Schouder aan schouder streden wij altijd voor het beste resultaat met een inzet die we als individu zeker niet zouden hebben opgebracht. Welk een stimulerende werking ging er uit van Eduard Spanjaard wanneer hij in opperste concentratie voorover gebogen voor het bord zat, met de duimen in zijn oren. En dan de onverstoorbare Henk van Steenis, de agressieve Jan Visser, die bijna in het bord kroop om alles maar zo goed mogelijk te zien, de fraai combinerende Jaap Muilwijk en de geniale Gerard Wessels. A. den Hartoog als goed aanvaller, A.K.G. Reurslag, de onberekenbare, de ernstige J.J. van Santen en ikzelf, die in de verdediging wel eens een uitschieter had, wij sloten ons hierbij fraai aan. Een bijzondere vermelding verdient G.J.M. Hofsommer, voorzitter en teamleider, die met zijn gloedvolle toespraken krachtig naar buiten optrad en ons tevens inspireerde.
Tenslotte het eerste element, de speler als individu, zijn schaakcapaciteit. Hoe groot was die van ieder van ons? Een voor de hand liggende, maar niet relevante vraag! Het gaat er immers om hoe sterk het tiental speelde, als onderdeel van de schaakclub. Zonder twijfel is ons succes eraan te danken geweest dat de kracht van het tiental beduidend groter was dan de som van de individuele sterkten.
De feestmaaltijd bij van Wijngaarden
George van Vloten bedankte zonet een aantal spelers van Schaakclub Utrecht, en één van hen heeft hierbij wel een bijzondere rol vervuld, namelijk de heer A.H. van Wijngaarden. Eduard Spanjaard roemde zijn steun in het kampioensjaar als volgt:
... als geen ander was van Wijngaarden bereid persoonlijke offers te brengen voor welke schaakmanifestatie dan ook. Insiders weten het maar al te goed: een schaakwedstrijd is nu eenmaal geen kijkspel en trekt daarom weinig toeschouwers.
Daardoor zijn de financiële baten minimaal en is de geldnood permanent. Maar 'Utrecht' vond altijd het sluitstuk ter begroting: het royale gebaar van Van Wijngaarden.
Zijn mooiste beloning was het succes, dat het eerste tiental van 'zijn' club in 1946 boekte, door het landskampioenschap te behalen. De vorstelijke maaltijd, welke Van Wijngaarden ter ere van dit resultaat te zijnen huize offreerde aan de spelers, zal geen van hen ooit vergeten...

Meer dan zestig jaar was van Wijngaarden, links in beeld, lid van Schaakclub Utrecht, achttien jaren was hij voorzitter, en gedurende al die tijd en ook daarna heeft hij zich als een ware beschermheer van de club getoond. Zelfs in de laatste maanden van zijn leven, toen hij wist dat hij ging sterven, belde hij nog elk weekend op naar het bestuur, om te vragen hoe het die donderdag op de club vergaan was... Een zeldzame vorm van toewijding!