Bert Kieboom

In 1950 komt Bert Kieboom bij Schaakclub Utrecht. Hij gaat kijken bij de wedstrijd Argentinië - Utrecht. Max Euwe speelt dan namens Utrecht tegen Bolbochan. Vijftien jaar oud is hij dan. Op dat moment besluit hij lid te worden van Schaakclub Utrecht.

In november 1952 klimt hij op tot bord 8 van het vierde tiental en in december wint hij de tweede prijs in de tweede groep snelschaken. Daarna gaat het crescendo; in januari 1953 wordt hij, als invaller, opgesteld tegen Denk en Zet 1 aan bord 10 van het tweede. En hij wint. In de winterwedstrijd 1953-1954 scoort hij 9 uit 10. November 1954 vast in het tweede. Het jaar erna in het eerste. Daar zal hij bijna 20 jaar in spelen.

Begin 1997 stelt Arie Luca hem deze vraag als startpunt voor een artikel in ons clubblad. In antwoord daarop schrijft Bert de volgende column.

Waarom schaak ik eigenlijk?

Bert Kieboom

Goeie vraag, Arie en - dat ben ik met je eens - een goed boek waaraan die vraag refereert. Een toch wel serieus antwoord mijnerzijds. Ik schaak al heel lang, Arie. Te lang? Och, waarom?

De eerste en tweede fasen waren vóór de zwart-wittelevisie en uit de overlevering van geheel seniele voorvaderen, om bij jouw woorden te blijven.

Ik heb het spel geleerd in het Groningse dorp Scheemda, waar ik in de laatste oorlogsjaren als evacué was ondergebracht bij een rechtschapen landbouwersgezin. 's Avonds kwamen daar wel eens bord en stukken op tafel voor een, door mij eerbiedig gadegeslagen potje schaak. Weer thuis, activeerde ik mijn vriendjes om, niet gehinderd door enige theoretische kennis, onze krachten te meten. Een partij begon bijvoorbeeld met 1.a3 2.b4 3.c3 4.d4 5.e3 6.f4 7.g3 en 8.h4, door zwart in sneltreinvaart beantwoord met symmetrische pionzetten. Daarna probeerden we er nog wat van te maken. Pas later drong tot ons door dat er meer en leukere mogelijkheden waren. We speelden meestal bij mij thuis in de gang, omdat er elders in het arbeidershuisje nauwelijks plaats was. Maar dat hinderde niet. Het schaken was toen één grote ontdekkingsreis en daar deed je het voor.

Bert Kieboom

Deze empirische fase werd gevolgd door een soort studiefase, met als hulpmiddel honderd van Aljechins beste partijen, die mijn (niet schakende, maar wel toegewijde) vader had opgedoken op de rommelmarkt. Ik heb het boek van voor naar achteren, terug en nog eens, ettelijke keren doorgewerkt, vaak genoeg om te besluiten lid van een schaakclub te worden. Het werd Utrecht, na de wedstrijd Utrecht - Argentinië.

De derde fase begon bij voorzitter Ed Spanjaard, met wie ik in het eerste tiental en de toenmalige hoofdklasse speelde. Ik schaakte toen fanatiek en speelde om de ontlading in felle snelschaaktoernooitjes en om de punten.

Pas in de daarop volgende fase werd jouw vraag, Arie, een aantal keren acuut. Waarom schaakte ik eigenlijk? Niet meer om alles eigenhandig te ontdekken, want dat ging veel sneller uit de boekjes. Niet meer om wereldkampioen te worden, want dat zat er niet in. Voor de punten en het ego (later vervangen door elo) nog wel, maar steeds minder in de loop der jaren. Om de schaakvrienden wellicht? Ik heb in mijn leven zeer veel goede kennissen gekregen onder schakers, eerlijk gezegd vaker elders.

In 1981 brak vermoedelijk de laatste fase aan, toen ik na de dood van Spanjaard diens schaakrubriek overnam. Ik kwam in contact met het legioen van beroepsschakers, keek veel naar mooie partijen en leerde vooral de schoonheid van het spel waarderen. Dat esthetische aspect en de wonderbaarlijke schaakwereld vol verhalen werden mijn grootste inspiratiebron, vooral toen ik met mijn gewone journalistieke werk was gestopt.

Tegenwoordig schaak ik nog voornamelijk om scherp te blijven voor de analyses die ik moet maken. Soms begin ik met tegenzin aan een partij, maar bijna altijd komt er toch weer een moment dat de stelling me volledig absorbeert, door de telkens opduikende verrassingen, die het spel zo ongemeen boeiend maken.

En lukt het dan weer om eruit te halen wat erin zit, dan geeft dat zo'n overweldigend goed gevoel, dat alle mislukkingen vervagen en je beseft: hier moet ik mee doorgaan!"

Fragmenten

Eén keer is Kieboom kampioen van de SGS geworden. Hieronder een partij met magneetoffers (SGS-kampioenschap van 1980):


Kieboom: "Twee keer het magneetmotief: dat zie je niet vaak. Tolk liet het me helemaal uitspelen. De schat!"


Hieronder Kieboom - Postma, externe SCU (1993). Zijn meest spectaculaire partij!


57 jaar lid!

Robert Beekman

Ons erelid Bert Kieboom heeft deze week een eigenaardig feit gevierd: hij is 57 jaar lid van onze schaakclub! Normaliter zou zoiets zonder wederwaardigheden voorbijgaan, maar in dit geval lag het anders. Van een vriend hoorde Bert dat deze een speld had gekregen van de KNSB voor het vijftigjarig lidmaatschap. Als die vriend het kreeg voor 50 jaar lidmaatschap, waarom hij dan niet voor 57 jaar lidmaatschap? Wij krabden vertwijfeld achter onze oren; het was ons immers volstrekt onbekend dat zoiets mogelijk was. We hebben contact opgenomen met de KNSB en kregen te horen dat het feestvarken wel iets bijzonders moest hebben gedaan voor de club. Welnu, in het geval van Bert Kieboom was dat geen probleem. De lange opsomming van Berts activiteiten hebben we in beeld gebracht en er werd ons vanzelf een speldje toegestuurd.

Zevenenvijftig jaar geleden! Dat was dus 1950. Hierboven een foto van de match Utrecht - Argentinië. Uit 1950. Argentinië kwam over van de andere kant van de oceaan en nam een beresterk team met zich mee: Najdorf, Guimard, Rossetto, Pilnik en Bolbochan. Schaakclub Utrecht besloot zich maar te versterken en riep de hulp van Max Euwe in. Op de foto hierboven ziet u Max Euwe tegen Bolbochan. Direct achter Euwe, ietsje pietsje naar links, ziet u de 15-jarige Bert Kieboom, ingespannen kijkend naar de partij van Euwe. De schaakmanifestatie maakte zoveel indruk op hem dat hij besloot lid te worden van Schaakclub Utrecht.

Vele schaakjaren volgden, waaronder vele jaren voorzitterschap van Schaakclub Utrecht, vele jaren activiteiten organiseren, vele schaakgeschriften voor ons clubblad en ook het eeuwboek van 1986, en uiteindelijk ook het erelidmaatschap.

Hulde!

Bert Kieboom krijgt van voorzitter Pieter Nieuwenhuis het speldje opgespeld.

Ja, even checken, maar het speldje zit goed.

En natuurlijk ook de hartelijke gelukswensen!

In datzelfde eeuwboek uit 1986 schrijft Bert over de vele beslommeringen die hij met Schaakclub Utrecht meegemaakt heeft. Een daarvan gaat over de Solinger messen, waarbij hij zijn wonderschone overwinning op de Duitser Cremer analyseert. Wij citeren Bert Kieboom:

"Dit alles zinkt echter in het niet hij de expeditie in 1976 van een Utrechts viertal naar La Calamine, een gat ergens achter het drielandenpunt, waar de Belgen Duits spreken. Een wedstrijd volgens de Hutton-methode, waarbij van iedere ploeg de spelers uitkomen tegen één van de vier andere teams. Deelnemers: Aken, Antwerpen, Eindhoven (met Kuypers) en ... Solingen, met O'Kelly en Hübner. Solingen uiteraard huizenhoog favoriet, maar Utrecht wint, dankzij remises van Etmans en Verholt, een fraaie overwinning van Driedonks op de invaller in de Solingenploeg, Dr. Jahr (altijd nog een geducht schaker, maar Driedonks kan er in zijn betere momenten ook wat van!), en de merkwaardigste overwinning van mijzelf uit mijn hele schaakloopbaan.

Utrecht overwint de Solinger messen, juicht Spanjaard in zijn schaakrubriek en hij beschrijft de vier wonderen die naar zijn mening aan dit wapenfeit ten grondslag liggen. Eén van deze 'wonderen' is mijn overwinning op Cremer."


Bert Kieboom.