Geen tijd voor beuzelarij

J.H. Pannekoek

In 1920 kwam Pannekoek op vijftienjarige leeftijd vanuit Nederlands-Indië naar Nederland. In 1922 begon hij met zijn medicijnenstudie en werd lid van Schaakclub Utrecht. Aan het einde van zijn studie ging hij aan de slag als medicus en zei hij het actieve schaken vaarwel. Al met al waren het maar een paar jaren, van zijn zeventiende tot zijn tweeëntwintigste, die Pannekoek bij 'Utrecht' schaakte. Had hij het spel niet vaarwel gezegd, dan was hij, zoals Bouwmeester schrijft, misschien wel eens kampioen van Nederland geworden. Nu zijn slechts enkele tientallen partijen van hem bewaard gebleven, maar wie zijn schaakherinneringen hieronder leest, herkent iets van de spanning tussen de fascinatie die het spel op ons uitoefent en, anderzijds, het appèl van ons 'Uber-Ich', dat ons verbiedt onze tijd met beuzelarij en spelletjes te verdoen.

Een foto van Schaakclub Utrecht uit 1916.

Het was een echte regentenschaakclub toen ik in 1922 lid werd. Studenten werden er nauwelijks als lid op prijs gesteld; ze waren toch meestal maar een paar jaar lid en dat gaf geen continuïteit. In het eerste jaar zette de secretaris, Oudegeest, me in de tweede groep, maar al na een jaar kwam ik in de hoofdgroep en werd daar meteen tweede achter Olland, de gevreesde. In 1924 werd ik, waarschijnlijk op instigatie van Euwe - eigenlijk de enige die mij stimuleerde - uitgenodigd een toernooi mee te spelen in het Belgische Westende.

Een avondje doorzakken doet mij met een half uit twee starten, maar dan kom ik tot de ontdekking dat ik de eerste prijs moet winnen om de terugreis te kunnen betalen. Mede doordat ik een partij win van de sterke Zweedse schaker Carnow - een partij die de schoonheidsprijs krijgt - lukt dat en kan ik door het verkwanselen van de bokaal inderdaad terug naar Holland. Van Westende beginne voor Pannekoek de victorie, schrijft het clubblad trots.

Maar mijn medische studie dreigde in gevaar te komen. Niet alleen het schaakspel, ook de studentensociëteit met veel vrienden en vriendinnen eisen tijd en aandacht; er waren zulke alleraardigste connecties met de vrouwelijke studentenvereniging. Toch speelde ik nog een privé-match tegen Dr. Olland, gedeeltelijk hij hem thuis, gedeeltelijk op de club en ik won deze met de cijfers 6,5-1,5. Olland is dan al midden vijftig en eigenlijk op z'n retour. Hij kan het verlies maar nauwelijks verkroppen. Druk op de eclips rechts om een mooie partij na te spelen.

Hierboven een foto van het bestuur van Schaakclub Utrecht in 1925, zittend voor de overige leden van Schaakclub Utrecht.

In 1925 hoor ik van mede-studenten dat zij mij eigenlijk niet rekenen tot degenen die zullen afstuderen, en dat, samen met een schrobbering van Prof. Rudolf Magnus, de farmacoloog met wiens zoon ik bevriend was, doet mij dan toch de studie boven het schaakspel verkiezen. Wel doe ik begin '26 nog mee aan een vierkamp samen met Tartakower, Colle en Euwe, maar daarin word ik laatste. De geneeskunde wint het van het schaken. Ik kom dan in de kliniek, zie echte patiënten en kom in de ban van de grote Hijmans van den Bergh.

Ik heb een ambivalente houding tegenover het spel. Altijd had ik het gevoel dat het afhoudt van nuttiger dingen, en hoewel ik nog wel eens 'recidiveerde', stond ik het schaken geen grotere plaats in mijn leven toe. Mijn sterke kanten waren de opbouw, de aanval, de combinatie. De afwikkeling was m'n zwakkere plek. Dat kwam ook door gebrek aan routine in het spelen tegen sterkere spelers. In de winterwedstrijden waren het Olland, Van Foreest, Piccardt, Goud en Van den Bosch en daarnaast viermaal een competitiewedstrijd per jaar. Niemand stimuleerde eens om naar het buitenland te gaan en de Schaakclub Utrecht organiseerde nooit iets. Mijn partij tegen G.C.A. Oskam, de bekende Rotterdamse schaker van die tijd, is misschien wel één van mijn beste.

Hier volgt deze partij, met het commentaar uit het Rotterdamsch Schaaknieuws van 1 december 1924. "Op 2 November ontvingen wij het Eerste Tiental van de Schaakclub Utrecht, hetzelfde tiental dat VAS verslagen had, doch zonder Dr. Olland. Onze Voorzitter deelde in zijn begroetingsrede mede dat wij, evenmin als de Franschen in 1914, gesteld waren op een overvalling uit het Noord-Oosten, en dat wij ons zouden verdedigen, tot de overwinning toe; dat de Rotte tot Marne zou worden en het Beursplein tot Verdun; hij sprak van een Overrijnsche bende, wat Mr. Van der Eerden (de voorzitter van Utrecht) deed antwoorden dat men de Rot-genooten van dien spreker zou trachten te verslaan, en dat zulks niet zachthandig kon gebeuren, want guerre sans meurtre est comme tripes sans moutarde. Het is anders geloopen dan de Heeren hoopten: de match is remise geworden!

... Allereerst de door Pannekoek uitermate sterk gespeelde partij tegen Mr. Oskam. (Druk op de eclips voor het naspelen hiervan!)

De geneeskunde boeide meer

Ik vond de geneeskunde boeiender dan het schaakspel. Ik geloof dat meer mensen een dergelijke breuk hebben ondervonden. Tarrasch vermeldt iets dergelijks in zijn Dreihundert Schachpartien na het aanhoren van een college van de beroemde fysioloog Dubois Raymond: Die Leidenschaft war hin, die Liebe ist geblieben, en hij verliet, om de bekoring van het schaakspel te ontlopen, Berlijn om in Halle verder te studeren. Ook van Ramon y Cajal, de grote Spaanse hersenhistoloog en Nobelprijswinnaar, is zoiets bekend uit z'n autobiografie. Hij kapte geheel met het schaakspel om niet te worden afgeleid van z'n studie. En zei Tartakower niet: Das Schachspiel ist ein böses Spiel, man spielt es nämlich viel zu viel.

In de zomer van 1926 speelde ik nog mee voor het kampioenschap van Nederland. Bar slecht. Niet alleen zat een net gevierd studentenlustrum mij nog in de benen, mijn ambitie was toch al minimaal. Mijn besluit om met schaken te stoppen, stond toen al onherroepelijk vast. Een nederlaag tegen Loman, die op de WC met een zakschaakbordje had zitten analyseren, sloeg mij verder uit het veld. Toch eindigde ik nog in de middenmoot (5e-7e). Euwe won royaal met 10 punten, 2,5 meer dan nummer twee. Na de vakantie bedankte ik voor het lidmaatschap van de Schaakclub Utrecht.

Pannekoek staat op deze foto linksboven. Het is een foto van de deelnemers aan het kampioenschap van Nederland, gespeeld te Utrecht. Staande van links naar rechts: J.H. Pannekoek, H. Meyer, J.L. Kersten, Dr. M. Euwe, P.F. van Hoorn, G.W. Kloosterboer. Zittende van links naar rechts: J.G. Hartogensis (wedstrijdleider), Dr. L. Fick, G. Kroone, R.J. Loman, Jhr. A.E. van Foreest, W.A.T. Schelfthout.

Naschrift

Is alles verteld?

In de aanloop van het Nederlands kampioenschap van 1926 wordt Pannekoek steeds vaker genoemd als talentvol speler, een "coming man" of een "Euwe in den dop". Euwe zelf schreef dat van Pannekoek zeer terecht veel verwacht wordt. In meerdere kranten wordt de volgende passage van Euwe genoteerd:

Pannekoek, de coming man, staat voor de taak de minder goeden indruk, dien hij in den Amsterdamschen vierkamp maakte, uit te wisschen. Het is waar, het resultaat was zoo slecht mogelijk, maar de tegenstanders waren sterk en Pannekoek trof het niet met de kleuren: tegen Colle en Tartakower had hij zwart. Als men van één speler kan zeggen dat zijn resultaten sterk onder den invloed staan van de kleur waarmee hij speelt, dan is het van Pannekoek. Met wit een scherp aanvalsspeler, die voor geen offers terugdeinst en de kunst verstaat een partij op briljante wijze te beëindigen. Met zwart daarentegen zijn vaak besluiteloosheid en een zekere slordigheid, kenmerken van zijn spel. Dergelijke tekortkomingen verdwijnen gewoonlijk door geregelde oefening en studie. Als Pannekoek reeds in dezen wedstrijd zijn spel ten volle kan ontplooien, zal hij een ernstige pretendent voor de eerste plaats blijken te zijn.

Maar in 1926 verliest hij in de vierkamp Colle - Tartakower - Euwe - Pannekoek al z'n partijen. En in het Nederlands kampioenschap eindigde hij in de middenmoot. Pannekoek heeft toch enigszins niet aan de verwachtingen voldaan, kunnen we in een krant lezen.

Pannekoek noemt het incident met Loman. Op een gegeven moment zegt Loman, die aan zet is: "Excuseer me, ik moet nodig naar het toilet." Hij zet de klok stil en blijft meer dan een half uur weg. Dan komt Te Kolsté bij het bord van Pannekoek staan en deze zegt: "Zet z'n klok aan, hij zit op het toilet met een zakschaakspelletje te analyseren." Tegenwoordig zou dit verlies van de partij betekenen; toen kennelijk niet. Dit incident heeft Pannekoek in interviews een paar keer opgerakeld en het heeft hem vermoedelijk toch meer geraakt dan hij zich op dat moment bewust was, mede gelet op het spannende verloop van de partij. In de NRC staat de dag erna het volgende verslag van deze partij:

Loman had zaterdag met wit gewonnen van Kloosterboer omdat deze een Albin's tegengambiet speelde. Van de ondeugdelijkheid der verdediging was Loman blijkbaar niet overtuigd, want nu beproefde hij haar met zwart tegen Pannekoek. Niet tot zijn geluk. Want hij kreeg in dit op aanval berekende gambiet geen gelegenheid het Pannekoek lastig te maken, doch was integendeel spoedig zelf op verdediging aangewezen. Pannekoek offerde een pion op om een gevaarlijken aanval te krijgen. Bij de beste verdediging had deze wellicht kunnen worden afgeslagen, doch Loman wendde dezen niet aan en verloor een officier tegen een pion. Nu was de strijd echter nog niet beslist. Pannekoek is in eindspelen niet sterk, en het gelukt Loman zijn verbonden vrije pionnen op het midden van het pad te krijgen. Deze werden langzamerhand gevaarlijker en ten slotte groeiden zij Pannekoek's krachten nog boven het hoofd en wonnen de partij.

In de laatste ronde van het NK 1926 te Utrecht verloor hij kansloos van Meijer. Met zwart. De partij is te droevig om na te spelen. Hij laat zich onnodig opsluiten en staat de pionnen van wit toe over hem heen te walsen. Op zet 20 geeft ie op. Een stuk achter inmiddels.

Had hij het spel niet vaarwel gezegd, schreef Hans Bouwmeester, dan was hij misschien wel eens kampioen van Nederland geworden. Maar Hans Bouwmeester schreef ook dat schaken tevens een kwestie is van om kunnen gaan met je emoties. Of met tegenslagen en teleurgesteld zijn in jezelf. Ook dat is een stukje van de puzzel die iedere schaker kent.