Simultaanséances

Erik Olof

Sinds het prille begin en ook nog voor de officiële oprichting van de Schaakclub Utrecht, hebben schakers van naam hier simultaan gespeeld. De eerste simultaanséance van een buitenlander was, voor zover viel na te gaan, op vrijdag 18 februari 1887 in café Schalkwijk, Achter Sint Pieter. Het optreden van de heer Pollock uit Londen is volgens het Utrechtsch Dagblad "zeer belangwekkend. De rustige wijze van werken het kenmerk van zelfbewuste kracht die hem eigen is, werkt gunstig op de tegenspelers terug en verhoogt zowel voor deelnemers aan het spel, als voor toeschouwers het schaakgenot."

Pollock, links in beeld, wint tien partijen en verliest er vier, onder anderen van A.G. Olland en C.F.H. Klokke. De verliespartijen komen in de Nederlandsche schaakcourant Morphy.

Eens kijken hoe Klokke dat voor elkaar brengt.


Wondermooie verhalen over Morphy en Anderssen

De Nederlandse crack Arnold van Foreest was Pollock al voorgegaan, in augustus 1886, na het beëindigen van de Bondswedstrijd in Utrecht, dus nog voor de oprichting van Schaakclub Utrecht. Plaats van handeling: hotel-restaurant Hollman-Groijen, eveneens Achter Sint Pieter, later de lokaliteit van de club. Zoals Olland vermeldt: "Niet zozeer omdat het beroemd was om een heerlijk glas Duits bier, maar omdat er voor zeer weinig geld een mooie vergaderzaal was." Van Foreest, meer dan een halve eeuw een gewaardeerd simultaanspeler, wint hier alle partijen.

Maar misschien komt dat doordat de bekende Amsterdamse schaker Pinedo, met Van Foreest meegekomen, ondertussen 'wondermooie verhalen vertelt over Morphy en Andersen.'

Links een foto uit 1880. Helemaal rechts J. Pinedo, helemaal links zit de bekende grootmeester Bird. De andere twee spelers zijn G. Mohr (staand links) en de latere viervoudig Nederlands kampioen Rudolf Loman (zittend in het midden).

Bijna geen jaar ging voorbij of 'Utrecht' had wel een simultaan. Het bestuur ging er in het algemeen van uit dat het een goede propaganda was en de schaakmeesters hadden de centjes hard nodig. Namen van voor de Tweede Wereldoorlog: wereldkampioen Lasker, Spielmann, Maroczy, Mieses, Duras, Tartakower, miss Vera Menchik. Na de eerste wereldoorlog gaf Rud. Loman, op 17 april 1919 een blindséance, tegen zes Utrechters. Het Tijdschrift beschrijft:

Nadat Dr. Olland den heer Loman een welkomstwoord had toegesproken en de speler het zich in een grooten leunstoel gemakkelijk had gemaakt, begon het spel tegen niet minder dan zes spelers tegelijk. Evenals Conan Doyle zijn onsterfelijken Sherlock Holmes een pijp deed opsteken, indien deze moeilijke raadselen had na te vorschen en op te lossen, zoo hulde de heer Loman zich in een damp van rook, alvorens hij begon met aan alle borden e2-e4.

Commentaar op de Utrecht-spelers

Kenmerkend voor het simultaanspel van die tijd: er wordt om de kleur geloot en consultatie is toegestaan. Spielmann, rechts in beeld, over de kwaliteit van de Utrecht-spelers: "...eine sehr starke Mittelklasse..." Hij heeft dan net tegen 32 clubleden een score bereikt van 19,5. Wereldkampioen Karpow, 54 jaar later, nadat hij in een klokséance negen van de beste tien spelers van Utrecht heeft weggevaagd (9,5 - 0,5): "Ze hebben een goede kijk op het spel, maar ze kennen hun theorie niet." Jaren later komt Spielmann terug, met de duidelijke bedoeling iets hoger te scoren. Na moeizame strijd en arbitrage van een aantal partijen blijkt hij alleen van De Brie en Spanjaard te hebben verloren. Maar toch nog zestien remises. Spielmann roemt de "kranige weerstand, tot diep in de nacht".

Ook voor Tartakower, links in beeld, is op 22 april 1926 de verleende nachtpermissie niet overbodig. Om drie uur 's nachts heeft hij, na zeveneneenhalf uur strijd, dertig partijen gewonnen, er vijf verloren en vijf remises gespeeld. De redactie heeft alle lof voor het doorzettingsvermogen van Tartakower, die de zeveneneenhalf uur rondjes loopt zonder een keer te pauzeren. En dan ook nog tot de laatste seconde vriendelijk en beminnelijk blijft:

(...) Een dergelijke psychische en physieke krachttoer hebben wij op onze club nog nimmer aanschouwd. Eens zag ik Pillsbury (Hannover 1902) 12 uren achtereen blind spelen met een pauze van een paar uur, maar hij deed het zittende, met zijn vrouw aan zijn zijde en hij liet zich daarbij opwekken door drank en spijzen en ... door een heel eskadron geurige sigaren. Dr. Tartakower, die niet rookte (een schaakmeester rookt òf hartstochtelijk òf helemaal niet) en den geheele avond en nacht zich bepaalde tot één kop koffie (dat we hem trouwens niets eens zagen aanraken), gaf een zeldzaam staaltje van uithoudingsvermogen.

Later combineert Tartakower een simultaan aan dertig borden met één partij blind, die hij echter verliest van Ir. Van Steenis.

Lasker

Hoogtepunten zijn toch wel de optredens van wereldkampioen Lasker, rechts in beeld, eerst in 1898, dan in 1908 en tenslotte - hij is dan al niet zo jong meer - in 1920. De eerste keer rolt Lasker dertig van de 33 tegenstanders op; hij verliest van Hogewind en maakt remise tegen Olland en Speet. Voorafgaand aan de simultaan speelde hij nog een consultatiewedstrijd tegen de beste 'Utrecht'-spelers. Lasker blijft, zoals gebruikelijk, een paar dagen te gast, logeert bij een bestuurslid en krijgt de gebruikelijke rijtoer naar De Bilt. Hij klaagt tijdens de rit over 'de miskenning van zijn talenten op wiskundig gebied.'

Tien jaar later komt Lasker uit Engeland, waar hij erg veel simultaan heeft gespeeld, naar Nederland. Hij ziet er moe en weinig indrukwekkend uit. Te Kolsté: "...in een sjofel pakje, een klein valies in de hand, hetgeen aanleiding was, dat men hem bij herhaling van boven af beduidde dat men niets nodig had..." Gelukkig kan de Nederlandse schaakwereld wel iets van hem gebruiken. Eenmaal warm gedraaid, wint hij in Utrecht 18 van de 26 partijen en verliest er slechts één. Let wel, aan zulke simultaans doen ook de grote jongens mee, in dit geval E. Olland, Leussen, Van Foreest en Fick!

In De Schaakcourant is Te Kolsté vol lof over de man in z'n sjofele pakje: '... een sympathieke persoonlijkheid, die hier vele harten gewonnen heeft, bescheiden in hoge mate ... wat imponeert is zijn innerlijk ...' Te Kolsté heeft drie idolen: Lasker, Capablanca en Aljechin, en hij haalt dan ook met instemming het Handelsblad aan over Lasker:

'...klein, donker, met het hoofd een weinig in de schouders, als van iemand die veel gebogen zit. Grauwe kamertint op zijn ietwat bleek gezicht, dat nog grauwer lijkt door het aanblauwen van een weggeschoren baard. Een donkere, reeds doorgegrijsde, achteloos gelaten haardos met kleine golvingen hier en daar, waarvan er hem twee over de boven-oorschelpen vallen en één vooruit schiet, als een horizontaal luifeltje over het breede ietwat zorgelijke denkershoofd. Een donkere, al vergrauwende knevel hoven een luimig-vriendelijken, wat vermoeiden mond en een goed gevormde, vrij breede kin. Eenvoudig vriendelijk van bejegening, kleine grapjes makend tot deze of genen speler. Rookend, altijd met een sigaar tussen de tanden...'

Lasker als hij in 1920 in Den Haag simultaan geeft.

Een heel ander mannetje dan het jaar daarop, Mieses: 'De smoking werd even wat in de plooien getrokken, de lorgnet wat vaster op de neus geplant, de bruine moustache vluchtig in de krul gezet...'

Olland en Capablanca over Lasker

Hemeltjelief, letten die mensen ook nog op het schaken? Ja, toch! Te Kolsté: 'De mening, door sommigen geuit, dat Mieses beter simultaan speelde dan Lasker, moeten wij tegenspreken. Mieses loopt sneller, is vlugger in zijn bewegingen dan Lasker, doch vertoeft in het algemeen langer dan deze bij de borden.'Te Kolsté gebruikt zijn venijn niet voor het spel van Lasker, van wie rechts opnieuw een foto zichtbaar is, die hij 'een daemonische macht' toekent, maar tegenover de hij de simultaanséance afwezige A.G. Olland. "Het zou wel aardig zijn geweest, als het ook den kampioen der stad Utrecht had mogen gelukken zich in een simultaanspel van den kampioen der wereld staande te houden."

Olland heeft dit laten schieten omdat er niets is gekomen van een serieuze partij tussen hen beiden. Hij schrijft rancuneus: "Er gaat geen bezieling van hem uit" en geeft dan een klinische beschrijving over de patiënt Lasker. De kampioen, die eerder voor een match om de wereldtitel tegen Tarrasch duizend mark per partij had gevraagd, eiste voor een partij tegen Olland een te hoge som in de ogen van het 'Utrecht'-bestuur: zestig gulden! "Het wil mij voorkomen dat èn Lasker èn Tarrasch hun besten tijd gehad hebben", schrijft Olland zuur en al te voorbarig. Veel later, in het clubblad van 24 april 1924 deelt het bestuur mede: 'Wij wenschten Dr. E. Lasker telegraphisch geluk met zijn schitterende overwinning in het Grootmeester-toernooi te New York!'

De kampioen heeft in een séance in de winter van 1920 opnieuw indruk gemaakt in de bisschopsstad door van de 27 partijen er slechts drie remise te maken, tegen P. Ponssen, G.Ch. Smeekes en ... Dr. A. Schuckink Kool. In heel Nederland werkt hij zeshonderd partijen af en scoort negentig procent. Bij deze gelegenheid roemt Lasker 'Holland, de veilige haven, waar het schip na veelbewogen reis het anker uitwerpt'. Ondanks de score van deze geweldenaar vindt Capablanca zichzelf een groter simultaanspeler:

"Eerstens heeft hij (Lasker) al een half uur nodig om de 12 sigaren, die hij op een avond rookt, aan te steken. Heeft hij geen sigaar meer, dan kan hij niet verder. Dan is hij hopeloos als een baby, wiens speen op de grond ligt. Dan ook heeft hij geen begrip van tijd. Om half twee in de nacht kijkt hij nog zo vergenoegd rond, als een professor bij zijn ochtendcollege. Kortom, hij denkt dat de waar in de lengte zit en in de gemoedelijkheid en ik heb tot devies "Quickness and smartness".

Na de Tweede Wereldoorlog

Na de Tweede Wereldoorlog zien we minder buitenlandse beroemdheden hij de club simultaan spelen. Het wordt te duur. Het blijft meestal bij Nederlandse waar: Nico Cortlever, Hans Bouwmeester, Hans Ree, later aan het begin van het seizoen de clubkampioen. Diverse topgrootmeesters die nog wel in Utrecht simultaan spelen, doen dat in de V & D-simultaantournee. Overigens vallen er hij 'Utrecht' nog wel opmerkelijke feiten te melden. Op zaterdag 4 maart 1950 speelt Barendregt blindsimultaan aan tien borden, op een ogenblik dat het Nederlands record al op zijn naam staat met twintig borden. Na vier uur is zijn score: zeven gewonnen, twee remise, één verloren. In het begin van de jaren vijftig schittert grootmeester Sämisch in een simultaan, met 22 gewonnen partijen en twee remises. Ook hij speelt een blindséance, tegen acht borden van eerste-tientalspelers; terwijl hij onophoudelijk een pion tussen duim en wijsvinger laat ronddraaien, wint hij vier partijen en maakt er eveneens vier remise.

Op 30 januari 1964 speelt Keres (links een foto van hem uit 1960) drie remises, aan ruim dertig borden. Op 21 september 1978 doet Portisch het een stuk minder dan Keres. Weinig vleiend schrijft het clubblad: 'Slechts tien ongelukkigen wisten niet aan een nederlaag te ontkomen.' Portisch kan de schade nog beperken tot drie verliespartijen, maar maakt er niet minder dan negentien remise.

Enkele curiosa. In oktober 1953 speelt het Utrecht-lid George van Vloten een simultaanséance in de Hotelkazerne. Hij moet remise toestaan aan de kapitein Nolen, de kapitein Barneveld Binkhuyzen, de soldaat Van Dam en de soldaat Simons. Gerard Verholt maakt in 1968 in een simultaanséance geschiedenis tegen wereldkampioen Andreiko. Toevallig een dammer, maar dat belet ons clublid niet een winnende stelling te bereiken. Gevraagd welke opening hij heeft gespeeld, antwoordt Verholt: "Dat weet ik niet; ik ken de damopeningen niet zo precies."

Anatoli Karpov

Een hoogtepunt van de naoorlogse periode is echter de eerder genoemde klokséance van Anatoli Karpov, door wie anders dan Spanjaard georganiseerd en betaald door onze toenmalige sponsor, het C.V.I. Karpov, hier rechts ontspannen tijdens de simultaanséance een kopje koffie drinkend, is op dat moment glorieus wereldkampioen.

De enige van wie op deze gedenkwaardige novemberdag in 1977 geen gehakt wordt gemaakt, is Hans Duistermaat.


Terwijl Karpov rondwandelt en op iets grotere afstand naar de partij kijkt, denkt Hans Duistermaat links na over de stelling. Direct rechts van Hans speelt Maarten Etmans, en daarnaast ziet u nog net Spanjaard, en rechts van Karpov Tom de Jong.

Capablanca - Aljechin

Robert Beekman

Juli 1931 wint Capablanca een match van Euwe met 6 - 4.

Capablanca - Euwe, 1931.

Op 1 augustus 1931, direct erna, wordt in Amsterdam een simultaan van Capablanca georganiseerd, gesponsord door De Telegraaf. Zich verlustigend en verlekkerend kijkt de krant de dag ervoor alvast vooruit naar de simultaan die komen gaat: “Capablanca krijgt het zaterdagavond hard te verantwoorden!” Het organisatiecomité heeft immers vrijbrief gekregen om louter spelers uit de hoogste twee klassen van de KNSB-competitie te werven. Uit Groningen, Leeuwarden, Eindhoven, Den Haag, Rotterdam en natuurlijk ook Utrecht reizen spelers uit de Nederlandse subtop naar Amsterdam, waar ze samen met de Amsterdamse subtoppers het tegen Capablanca zullen opnemen.

De Nederlandse spelers worden van te voren gelauwerd alsof het superhelden zijn.

Een bloemlezing:
“W.C. Muller. Een geniaal speler, onverstoorbaar in goede en kwade stellingen en onontvankelijk voor de “malaise”.
H. Kleefstra. Een secuur speler, die echter stevig bijt als men hem den vinger in den mond steekt. Capa zij dus gewaarschuwd!
J. Selman. Een aanvalspeler pur sang. Zijns inziens heeft het schaken geen ander doel dan aanvallen en mat aankondigen. Capa is reeds voor hem gewaarschuwd!
J.H. Addicks, de speler met geniale invallen, gevaarlijke uitvallen en weloverwogen aanvallen. De speler die Nederland te Praag op zoo schitterende wijze vertegenwoordigde en daar eenige fraaie partijen speelde, die door de heele schaakwereld opgemerkt werden.”
En zo gaan de loftuitingen maar verder en verder. Ook Spanjaard en Van Steenis, de twee Utrechters, worden genoemd. “Eduard Spanjaard. Hoewel nog zeer jong, is hij een vaardig en scherp speler, die met een beetje meer studie en ernst het nog veel verder zal brengen.” “H.J. van Steenis. Een fantastisch speler, die gaarne dolle partijen speelt.”

Maar helaas, helaas. Hoe anders is de werkelijkheid. De maandag na deze roemruchte zaterdag zeggen de koppen van het artikel al voldoende: “Hoofdklassers onthoofd.” En: “Cubaansche massamoordenaar.”

De een na de ander wordt geplet en Capablanca haalt tegen deze 31 Nederlandse subtoppers het fabelachtige percentage van 86 %. En dat percentage zou hoger zijn geweest als niet om 01.00 uur de resterende partijen gearbitreerd zijn. Er worden een paar partijen remise gegeven of verloren verklaard voor Capa, terwijl hij deze, als hij mag doorspelen, waarschijnlijk wint of in remise omzet. Maar dat is nu eenmaal de deal: om 01.00 uur wordt er gearbitreerd.

Haarfijn legt het UN ons uit hoe Capablanca te werk gaat: “Aan alle borden wordt zuiver op de positie gespeeld. Komt hij beter te staan, dan begint hij de vijandelijke stelling in te sluiten, op de zwakke punten te drukken. Maar nergens wordt overhaast, alles gaat evenwichtig. Het is jammer dat niet alle sterke spelers in den lande deze séance hebben kunnen volgen. Hier valt voor hen wat te leeren. Wat den zwakken spelers veelal hocus pocus blijft, het spelen en laveeren in gelijke stellingen, het terugspelen van een schijnbaar uitstekend geplaatst stuk om weer te anderer plaatse subtiele dreigingen uit te voeren, al die fijne manoeuvres zijn voor den modernen hoofdklassespeler instructieve lessen, voor den eerste klasser onbegrepen Chineesch. De meesten van hen vallen dan ook spoedig als slachtoffer van het knijp- of wurgsysteem. Nergens wordt vuurwerk vertoond. Dat gaat nu eenmaal niet met deze sterke ploeg! Maar op elk bord wordt een technisch kunststuk gewrocht.”

De drie spelers die tegen Capa remise maakten: v.l.n.r. Spanjaard, de 16-jarige De Regt en Muller.

Eduard Spanjaard speelt remise. Hij krijgt gesloten Siciliaans op het bord; een favoriete keuze van Capa. Met g5 en f6 kan Capablanca de zwarte loper naar h8 terugdrijven en een gewonnen stelling krijgen. Spanjaard mag echter Pe8 en f6 doen en weet de stelling te houden.

Henk van Steenis komt overigens een paar minuten te laat, waarna zijn plek vergeven wordt aan een invaller. Ongetwijfeld zal dit geleid hebben tot hoog opgelopen protesten bij de wedstrijdleiding.

Aljechin

Twee jaar later komt wereldkampioen Aljechin naar Utrecht. In de grote bovenzaal van Hotel l'Europe neemt hij het op tegen de Schaakclub Utrecht. Zo rond kwart over acht komt hij de zaal binnen, verwelkomd door een groot applaus. Tegen 45 tegenstanders verliest hij er 2, speelt hij 5 remise en wnt hij er 38. Een percentage van 90 %. Beter dan Capablanca? Qua percentage wel, maar Aljechin heeft slechts twee sterke spelers tegenover zich; de rest is het bekende brandhout.

Van de Utrechters is Spanjaard een van de twee overwinnaars. Aljechin geeft zomaar een kwaliteit weg tegen hem.

Rechts achter het bord Eduard Spanjaard. Links Aljechin.

Terug nu naar de titel van dit hoofdstuk. Wie is overwinnaar? Simultaangever Capablanca of simultaangever Aljechin? Antwoord: Capablanca! Capablanca wordt in zijn tijd alom gezien als de beste simultaangever ter wereld. Hij bezit de gave om heel snel de juiste zet te zien, en zo'n gave komt in een simultaan goed van pas. Capablanca scoort in de eerste jaren dat hij simultaans gaf 97 %. Dat percentage is over alle ruim 13.000 simultaanpartijen gezakt naar 93 %, maar dat komt mede omdat zijn reputatie hem vooruitsnelt, wat betekent dat hij steevast sterke spelers voorgeschoteld krijgt, zoals in Amsterdam.

Bovendien heeft hij de gewoonte om tegen dames in gewonnen stelling remise aan te bieden, vergezeld van een buiging en handkus. Een charmeur is hij altijd gebleven.

Hans Bouwmeester kan zich beiden nog herinneren. Capablanca en Aljechin. Van het AVRO-toernooi uit 1938. Hans is dan 9 jaar oud. Hij kan zich nog helemaal voor de geest halen hoe Capablanca er bij loopt als een ware aristocraat. Alsof hij zich ver verheven voelt boven de andere schakers. Evengoed wordt Capa voorlaatste met een score van - 2. Aljechin eindigt 1 plaats boven hem maar wint de prestigieuze strijd tegen Capa. Maar Capa heeft halverwege dit toernooi wel een lichte beroerte.

Aljechin - Capablanca, 1938

Kortsjnoi 1976

Robert Beekman

"Kortsjnoi struikelt over Coljé en Taal", luidt de kop van een artikel uit het Utrechts Nieuwsblad van 10 september 1976. Op dat moment bereidt Kortsjnoi zich voor op zijn match met Karpov. Veertig tegenstanders heeft Kortsjnoi. Coljé en Taal zijn de enigen die hem verslaan, terwijl Maezer, Aalders en Bellemans remise maken.

Even verder op worden nog twee andere simultaans gespeeld. Käthy van der Mije-Nicolau (19 tegenstanders) en Maarten Etmans (14 tegenstanders). Beiden spelen voor Utrecht 1.

Van der Mije verliest van Kroneman en speelt remise tegen Bunge, Agterdenbos en van der Lee. Etmans verliest van Nieuwesteeg en Van Raalten en staat Bakkum remise toe.

En dat allemaal om het nieuwe seizoen in te luiden!

Tweede van links: Arie Luca.