Eduard Spanjaard

Eduard Spanjaard, voor Schaakclub Utrecht van onmisbare betekenis geweest. Toen hij als veertienjarige jeugdspeler in 1923 lid werd, had hij amper geld om de contributie te betalen. Hij hóéfde ook niet te betalen, en heeft zijn hele leven niet geweten wie de betaling van zijn contributie toentertijd voor zijn rekening genomen heeft (al heeft hij wel vermoed dat het Olland was). Hij is vervolgens zijn hele leven lid geweest van SCU gebleven en stierf in 1981 op de club achter het schaakbord. Tussendoor dertien keer clubkampioen geweest, twee keer een periode van zes jaar voorzitter geweest, waarnemend voorzitter, clubbladredacteur, meervoudig teamleider, organisator van vele clubevenementen, enzovoorts, enzovoorts. Naar het erelid Spanjaard is uiteindelijk een fonds opgericht dat zijn naam draagt: het Spanjaardfonds.

Hieronder een compilatie van meerdere artikelen over Spanjaard, onder andere uit het Herdenkingsnummer.

't Spanjaardsgat

Bert Kieboom en Maarten Etmans

Uit het Utrechts Nieuwsblad van zaterdag 23 juni 1973.

Uw schaakkroniek- schrijver, Mr. Ed. Spanjaard (links in beeld), is ziek. Hij moet waarschijnlijk een operatie ondergaan. Zeer tot zijn leedwezen laat hij zijn lezers enige weken in de steek. Hem vervangen is geen eenvoudige zaak, want Spanjaards uitstekend gedocumenteerde rubriek behoort tot de beste van Nederland. Verzorgd, geestig en met een extra, menselijke dimensie, doordat hij niet alleen het spel maar ook de schaker achter het bord beschrijft. Dat presteert hij naast een drukke dagtaak, met een delicate gezondheid, op een leeftijd dat velen het wat rustiger aan gaan doen.

Het gat dat Spanjaard noodgedwongen in zijn publicistische activiteiten laat vallen, biedt ons de gelegenheid de man in het zonnetje te zetten die met zo'n onverflauwde ijver al tientallen jaren telkens weer het soms wel wat flegmatieke Utrechtse schaakleven opvijzelt. Recente voorbeelden: de denksportenmanifestatie in 1971 en de stedenwedstrijd tegen Hannover.

Spanjaard is de veteraan in het eerste tiental van de Schaakclub Utrecht, waarvan hij dit jaar vijftig jaar lid is. Het afgelopen seizoen heeft hij met zijn tiental zojuist weer de hoofdklasse bevochten. Ondanks zijn 64 jaar is hij een geducht tegenstander; altijd volledig geconcentreerd, fel vechter, diep wanhopig als hij zijn tegenstander eens heeft laten glippen, waarbij hij zichzelf bij voorkeur een aftakeling toedicht die niemand ernstig neemt.

Een voorbeeld van zijn vindingrijkheid gaf Spanjaard in 1961 in een toernooi te Veenendaal, toen hij tegen Donner met zwart de volgende, schijnbaar verloren stelling bereikte.

Toevallig zat er nog een grapje in, maar je moet Spanjaard heten om dat eruit te halen. Ieder seizoen haalt hij wel iets dergelijks uit.

Er volgde: 1... Ta1-h1+! 2.Kh2xh1 Kf4-g3! Ondanks zijn materieel overwicht moet wit het opgeven. Hij loopt mat.

Het hele leven van Spanjaard is verweven met de Schaakclub Utrecht, die hem in 1923 als veertienjarige jongen tot zijn, toen nog zeer deftige, gelederen met enige reserve toeliet. De club heeft er nooit spijt van gekregen, want Spanjaard ontwikkelde zich tot een sterk schaker, menigmaal clubkampioen, die in zijn beste jaren op het hoogste niveau de Nederlandse schaakeer verdedigde. Wat hem aan werkelijk groot schaaktalent ontbrak (dat slechts aan zeer weinigen is gegeven) compenseerde hij ruimschoots door 'n bijna weergaloze toewijding.

Eduard Spanjaard (1909-1981), schaker

Bert Kieboom

Uit: Utrechtse biografieën (deel 2), levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Utrechters (Boom / Broese Kemink / SPOU, 1995), een project van de Gemeentelijke Archiefdienst Utrecht en de Vereniging Oud-Utrecht.

Eduard Spanjaard werd op 3 januari 1909 in Utrecht geboren als zoon van David Spanjaard en Rosalie Lilly Weill. Zijn tweede vrouw (Spanjaard sprak liever niet over zijn eerste huwelijk; dat is in dit hoofdstuk dan ook buiten beschouwing gelaten) was Petronella Alida de Groot, met wie hij op 23 maart 1950 in het huwelijk trad. Het echtpaar had geen kinderen. Hij overleed op 7 mei 1981 in zijn geboortestad.

Geza Maroczy zei ooit: "So möchte ich auch sterben, das ist der schönste Tod eines Schachmeisters." Deze woorden lijken Eduard Spanjaard op het lijf geschreven. Zijn dood was karakteristiek. Eduard Spanjaard stierf tijdens een clubavond van zijn geliefde Schaakclub Utrecht op 72-jarige leeftijd achter het schaakbord, in gewonnen stelling, precies zoals hij altijd had gewenst. Toen zijn vrouw het droeve nieuws hoorde, was één van haar eerste vragen: "Hoe stond hij?"

Links de gewonnen stelling, met Spanjaard achter de zwarte stukken tegen Schenk. Naar verluidt heeft André Schenk nog aangevochten dat hij verloren stond, maar ik moet er eerlijk aan toevoegen, dat ik dat slechts van horen zeggen weet.

Grootmeester Hans Ree schreef zes jaar eerder, in juli 1975, in de rubriek Hollands Dagboek van NRC/Handelsblad: "Mr. Ed. Spanjaard, advocaat te Utrecht, had in zijn goede tijd de volgende gewoonte. Aan het begin van de partij sprak hij tot zijn tegenstander: 'Als je straks een sirene hoort brullen, moet je niet schrikken; dat is dan de ambulance, die mij komt halen. Ik ben namelijk doodziek, de dokter heeft me eigenlijk verboden te spelen en ik kan ieder moment voor het bord neerstorten.' Vervolgens begon hij te schaken als een duivel, en behaalde listig menig puntje, vooral tegen Donner." Twee keer evenwel ging het mis; eenmaal tijdens een competitiewedstrijd in Rotterdam, toen de Utrechter onwel werd, maar het nog goed afliep, en die tweede keer, toen met fatale afloop, op 7 mei 1981.

Eerder was een ander groot Utrechts schaker in het harnas gestorven. Dr. A.G. Olland bezweek tijdens het kampioenschap van Nederland in 1933 aan een hartaanval, eveneens met een winnende positie op het bord, zie diagram links. Zwart heeft hier Prof. Mr. A.W. Hamming, die ook nog jaren lid is geweest van de Schaakclub Utrecht. Die partij werd overigens reglementair verloren verklaard voor Olland. Wij hebben het indertijd eleganter opgelost door zowel Schenk als Spanjaard een winstpunt te geven. Olland, de man die verscheidene malen kampioen van Nederland is geweest vóór de periode-Euwe, was van nationale betekenis. Spanjaard genoot vooral bekendheid als voorvechter van het schaakleven in stad en provincie Utrecht.

Geboren en getogen in Utrecht, waar hij de HBS bezocht en rechten studeerde, kende Spanjaard in de oorlogsjaren een moeilijk begin van zijn carrière als advocaat. Al in zijn jeugd had hij een delicate gezondheid, waarvoor hij lange tijd kuurde in Zwitserland. Toch gold hij na enige tijd als een van de beste pleiters in Utrecht, vooral in het civielrecht. Hij werkte veel aan het rechtsherstel van bedrijven die tijdens de oorlog als gevolg van de bezetting verliezen hadden geleden. Advocaten waren duur en schakers meestal arm. Die laatsten verleende hij graag rechtsbijstand, 'con amore' en dikwijls 'pro deo'. Samen met zijn tweede vrouw Petronella de Groot nam hij actief deel aan het culturele leven, vooral in de sector muziek. Hij was mede-oprichter van de Eduard van Beinumstichting, voorzitter van de Vrienden van het USO, het Utrechts Stedelijk (later Symfonie-) Orkest, en ook voorzitter van Engelenzang, sociëteit voor kunstenaars en kunstminnenden in de Domstad. Befaamd werden de klassieke huisconcerten bij de Spanjaards, waar onder meer het Orlando-kwartet proefdraaide alvorens met zijn gepassioneerde uitvoeringen van strijkkwartetten roem te verzamelen op een Scandinavische tournee. Daar was ook Euwe soms te gast, die wel van muziek hield, maar intussen ook vaak op zijn horloge zat te kijken om te zien of de rest van zijn programma er niet bij inschoot.

Hoe veelzijdig hij ook was, bij generaties schakers genoot Spanjaard toch vooral bekendheid als sportvriend, die telkens het indommelende Utrechtse schaakleven nieuwe impulsen wist te geven. Als jongen van veertien jaar werd hij in 1923 lid van de deftige Schaakclub Utrecht, waar oudere heren hem en zijn schoolvriend Henk van Steenis, de latere voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Schaakbond en oprichter van de politieke partij PSP, met gemengde gevoelens zagen komen. Tijdens een levendige discussie over de wenselijkheid van een juniorenafdeling merkte penningmeester H.J. Robijns sarcastisch op dat er dan voortaan wel met hobbelpaarden zou moeten worden gespeeld. Een en al hulpvaardigheid werd hij echter toen hij zag dat het de jongelui ernst was.

Spanjaard ontwikkelde zich tot een van de sterkste spelers van de club, wat hij sindsdien steeds is gebleven. In zijn eerste competitiepartij voor het eerste tiental (9 november 1926 tegen J. Plukker van het Verenigd Amsterdams Schaakgenootschap) liet hij zijn koning winnend oprukken tot ver in de vijandelijke stelling. Die vechtlust is hem altijd eigen gebleven. Het grote werk begon in september 1928 met een clubkampioenschap (10 punten uit 13 partijen) boven Goud (9,5) en Olland (gedeeld derde), die de onderlinge partij verloor. Op eerbiedige afstand volgde de legendarische Jhr. A.E. van Foreest, de enige voor zover bekend, die het ooit voor elkaar heeft gekregen dat hij op hoge leeftijd zijn competitiepartijen mocht onderbreken om even een dutje te doen. Er zouden voor Spanjaard nog twaalf clubtitels volgen, de laatste in 1972, toen hij al in de zestig was.

Het talent van grootmeester bezat hij niet. Dat is slechts voor weinigen weggelegd. Zijn tomeloze inzet en vindingrijkheid bezorgden hem niettemin kostelijke overwinningen, zoals in 1961 tijdens een toernooi in Veenendaal, waar hij, de 'Schwindelaar', in verloren stelling (zie diagram links) met een wonderbaarlijk torenoffer (... Th1) J.H. Donner in een matnet dreef. De grootmeester: "Ja, Eduard, zulke dingen gebeuren."

In zijn beste jaren verdedigde Spanjaard op het hoogste niveau de Nederlandse schaakeer. En dat niet alleen. Hij maakte deel uit van de spelregelcommissie van de schaakbond. Zijn vriend Hans Bouwmeester herinnert zich verder dat Spanjaard een schaakreis organiseerde naar Scandinavië. Onderweg regelde hij de schade na een auto-ongeluk, veroorzaakt door een Deense boer, en vervolgens zette hij het Kopenhaagse spitsverkeer totaal klem door een opzienbarende automanoeuvre. Op zijn onnavolgbaar geestige manier speechte hij in zijn beste Duits (de Utrechtse jurist voerde desnoods het woord in het Swahili) tegen een halfdronken Noorse voorzitter, die duidelijk niet begreep waarom de Nederlandse ploeg zo'n plezier had. Voor het Nederlandse team was hij zodoende veel meer dan zo maar een speler.

Natuurlijk werd hij bij de Schaakclub Utrecht op een gegeven ogenblik voorzitter (1950-1954 en 1973-1978). Hij hielp talrijke evenementen op poten zetten, zoals het internationale PAM-toernooi van 1961, en in 1971 een merkwaardige manifestatie Utrecht - Parijs, met dammen, schaken, bridge en go, bij de eerste pogingen om in Utrecht tot een denksportenfederatie te komen. Dit initiatief leidde tot de stichting van een denksportcentrum, eerst in een oud parochiehuis aan de Kanaalstraat, later in het gloednieuwe pand 'De Remise' aan de Willem Dreeslaan, waar nu ook het bondsbureau van de bridgers is gevestigd. We schrijven 1995. Later is het denksportcentrum verhuisd naar de Kennedylaan 9.

Daarop volgden een stedenwedstrijd tegen Hannover en in 1977 een simultaanseance van de verse wereldkampioen Anatoli Karpov tegen het eerste tiental van de Schaakclub Utrecht. Vele jaren verzorgde Spanjaard de schaakrubriek van het Utrechts Nieuwsblad en het Haarlems Dagblad, de laatste negen jaar vanuit de mooie, in de bossen gelegen bungalow in Bilthoven, waar hij zich na de drukke jaren aan de Biltstraat en de Maliebaan had teruggetrokken. Al heeft hij veel gereisd, ver van Utrecht heeft hij niet willen wonen.

Zijn uitstekend gedocumenteerde schaakrubrieken behoorden tot de beste van Nederland. Verzorgd, geestig en met een extra menselijke dimensie, doordat hij niet alleen het spel, maar ook de schaker achter het bord beschreef. Het laatste artikel, dat na zijn dood verscheen, was een huldebetoon aan de 80-jarige dr. Max Euwe. In dezelfde krant, van 16 mei 1981, stond een 'in memoriam' voor Ed. Spanjaard door Euwe, die op 26 november van hetzelfde jaar zou overlijden. Spanjaards verdiensten voor het schaakleven werden in 1974, toen hij 50 jaar lid was, beloond met een erelidmaatschap van zijn Schaakclub Utrecht.

In memoriam, 16 mei 1981

Max Euwe

Een bijzonder en veelzijdig mens is van ons heengegaan. Veelzijdig in de goede zin van het woord: geen oppervlakkige, maar diepe belangstelling voor vele facetten van onze cultuur en samenleving.

Muziek, advocatuur, organisatie en schaken. Vooral schaken, hij was schaker in hart en nieren, de ware amateur. Hij hield echt van het schaken, niet in de eerste plaats om de resultaten, ofschoon hij een bekwaam schaker was en vele malen Nederland in internationale ontmoetingen heeft vertegenwoordigd. Met de jaren ging zijn speelsterkte wat achteruit, maar hij liet het schaken niet los en bleef spelen in het eerste tiental van de Schaakclub Utrecht, van welke vereniging hij vele jaren het voorzitterschap bekleedde en nadien erevoorzitter werd. Zijn lidmaatschap dateert reeds van 1917, een ongekend blijk van trouw en toewijding.

Op de foto boven rechts Eduard Spanjaard, links Max Euwe.

Spanjaard was ook voorzitter van de Vrienden van het USO, het Utrechts Symfonie Orkest. In deze functie organiseerde hij onder meer de jaarlijkse feestelijke bijeenkomsten. Ook overigens lag de muziek hem na aan het hart, getuigde de vele 'parties' te zijnen huize, waar schakers van verschillende pluimage bijeenkwamen om muziek te maken of naar muziek te luisteren. Mij is steeds bijgebleven de geestige wijze waarop hij de verschillende nummers placht aan te kondigen, gepeperd met woordspelingen en vaak gerelateerd aan recente gebeurtenissen. Spanjaard had een fantastisch groot gevoel voor humor. Dat er op zo'n avond ook geschaakt werd, sprak vanzelf en evenzo dat men niet voor de kleine uurtjes uiteenging.

Spanjaard verzorgde de schaakrubriek van enkele bladen met alle liefde en toewijding die in hem was. Uiteraard kwamen daarbij zijn grootste kwaliteiten weer tot uitdrukking: veelzijdigheid en zorgvuldigheid bij de samenstelling. Veel schakers die niet op zijn dagbladen waren geabonneerd, kochten de krant speciaal voor de schaakrubriek.

Spanjaard, boven het PAM-toernooi van 1961 openend, was een voortreffelijke pleiter en zijn cliënten profiteerden evenzo van zijn deskundigheid en toewijding als alle anderen die in enige relatie met hem stonden. Wie onder moeilijke omstandigheden een beroep op hem deed, kon er zeker van zijn dat zijn juridische belangen gratis door Spanjaard werden behartigd. Hij was een goed en mild mens, die ook, waar nodig, financiële bijstand verleende.

Spanjaard reisde graag en hij heeft veel van de wereld gezien. Vaak ook ver van huis kon hij het schaken niet vergeten. Indien mogelijk organiseerde hij in den vreemde een klein toernooi, waarbij hij vaak vrienden betrok, die toevallig in de buurt waren.

Toen Spanjaard de advocatuur vaarwel had gezegd, trad het schaken nog meer op de voorgrond. Hij was een geregeld bezoeker van zijn club Utrecht. Hij nam onder meer deel aan de onderlinge competitie en het was gedurende de eerste clubavond in mei dat zijn hart het begaf.

Zijn gezondheidstoestand liet het laatste decennium zeer te wensen over, maar door psychische kracht bleef hij overeind en voor ons behouden. Hij zal trouwens voor velen steeds behouden blijven. Zijn leven en werken zijn van dien aard geweest dat wij zijn nagedachtenis blijvend zullen eren. "Geen bloemen, geen toespraken", staat in de aankondiging van zijn overlijden. Dit laatste interpreteer ik in deze zin dat Spanjaard zelf de toespraak het best zou kunnen houden. Wat zijn goede vrienden voor hem hebben gevoeld, is toch niet in woorden uit te drukken.

Naschrift Bert Kieboom: Alleen mevrouw Spanjaard heeft gesproken bij de uitvaartplechtigheid en dat deed zij zeker niet slechter dan haar man zelf zou hebben gedaan.

De opkomst van onze jeugdige clubgenoot Ed. Spanjaard

Erik Olof

Uit clubblad van SC. Utrecht dec. 1978.

In het clubblad van 5 november 1925 komen we de naam van onze nestor het eerst tegen, bij de ledenlijst van de junioren-afdeling. Een jaar later debuteert deze junior in het eerste tiental van Utrecht, aan het tiende bord. Het is in de wedstrijd VAS - Utrecht.

Tussen Utrecht en VAS zijn vele wedstrijden gespeeld. Hierboven ziet u een foto van beide teams, tijdens een van de vele matches.

Aan VAS-zijde komen we illustere namen tegen, als Max Euwe, Davidson, Weenink. Bij Utrecht ontbreekt de befaamde Dr. Olland, onbetwist kampioen van de schaakclub in die tijd.

Maar waar hebben we het over? Als speler van een na-oorlogse generatie vormen die namen slechts klanken uit een kleurrijk verleden. Vol schroom keren wij snel terug tot de authentieke tekst, uit het clubblad van 15 november 1926. Ziehier een gedeelte uit het verslag van de wedstrijd VAS-Utrecht:

Zondag 7 november trok ons eerste tiental naar Amsterdam, om in 'De Roode Leeuw' te spelen met VAS. Onze club kwam met een betrekkelijk zwak team uit, daar Dr. Olland, Jhr. v.d. Bosch, Walkate en Mr. van der Eerden verhinderd waren, en van de reserves de H.H. Hoogenstraaten en Hogewind. Het VAS daarentegen bracht een zeer sterk tiental in het strijdperk; alleen de heer Van Hoorn ontbrak. Het kan dan ook geen verwondering wekken, dat Utrecht met sprekende cijfers verloor. Onze mannen hebben zich, het werd volmondig erkend door onze tegenstanders, goed gehouden en tot het laatst flink kamp gegeven. De eer van den dag komt toe aan den heer Ed. Spanjaard, die, voor het eerst medespelende in ons eerste tiental, de voldoening smaakte de eenige te zijn, die zijn partij won.

Opstelling en uitslag waren als volgt:

Dr. M. Euwe - J.H.Goud 1-0
J. Davidson - J.H. Pannekoek remise
A. Speijker - G.L. de Brie 1-0
H. Weenink - W. Kersing remise
M. Sonnenberg - Jhr. A.E.v.Foreest 1-0
J.L. Kersten - Dr. Schuckink Kool 1-0
N. Moldauer - A. Boer remise
H. Meijer - H.J. Robijns remise
Ph.H. Hartz - H.C. Oudegeest 1-0
J. Plukker - Ed. Spanjaard 0-1

Ook in deze tijd blijkt het gewoonte een verslag te illustreren met een partij. De keuze valt uiteraard op de (enige) winstpartij uit de match VAS - Utrecht, van Ed. Spanjaard tegen J. Plukker. De partij wordt voorafgegaan door enig commentaar:

De aardigste partij van den wedstrijd was die tusschen J. Plukker en Ed. Spanjaard. Onze jeugdige clubgenoot wist door handig manoeuvreren in het voordeel te komen en door krachtig aan te vallen zijn tegenstander tot de overgave te dwingen.

En een bijzondere partij was het zeker. Met alle zware stukken nog op het bord rukt Spanjaard onvervaard met de koning naar voren om de beslissende slag toe te dienen! Druk op de eclips om zijn eerste competitiepartij uit 1927 na te spelen!

De doorbraak

De doorbraak komt in september 1928. Het jaar waarin Spanjaard voor het eerst clubkampioen wordt en de hegemonie van oud-Nederlands kampioen Olland doorbreekt. In de hoofdgroep wint de jeugdige Spanjaard de eerste prijs, met 10 uit 13. Olland verliest de onderlinge partij en deelt met anderen de derde plaats, na Goud, die met 9 punt net achter blijft. Op eerbiedige afstand volgt de befaamde Jhr. A.E.v.Foreest. Het clubblad meldt:

Donderdag 14 juni had de prijsuitreiking plaats van den winterwedstrijd. De voorzitter, de heer A.H. van Wijngaarden, vond toepasselijke woorden om de gelukkige prijswinnaars te complimenteren, en troostwoorden voor hen die ditmaal in hun eigen verwachtingen en die hunner vrienden waren teleurgesteld. In het bijzonder kreeg de heer Ed. Spanjaard een pluim voor zijn kranige prestatie door met slechts één verliespartij den eersten prijs te winnen in de hoofdgroep, terwijl hij verleden jaar nog nauwelijks meetelde in de schaar der sterkste spelers der club. Een match om het kampioenschap der club zal nu gestreden worden door Ed. Spanjaard met Dr. Olland, den houder van dezen titel. De match gaat om 5 winstpunten.

Terugblik

Eduard Spanjaard

Uit het clubblad SC. Utrecht jan. 1979.

Links een foto van Spanjaard, toen hij als jongeling Schaakclub Utrecht bestormde.

Trillend van de zenuwen - een mens verandert nooit! - stond ik op zaterdag 21 juni 1924, de langste dag van het jaar, voor het Gebouw voor K & W. Het was schitterend zomerweer, maar blijkbaar was ook toen al het bestuur der Schaakclub Utrecht 'weltfremd'. Het had tenminste juist dat weekend uitverkoren voor het "organiseeren van een Tweedaagschen Wedstrijd, open staande voor alle Schakers", een woord dat men toen nog - terecht - met een hoofdletter schreef.

Het inleggeld bedroeg voor leden ƒ 1,- en voor niet-leden ƒ 2,50. Hoe ik dat toen enorme kapitaal bij elkaar had gekregen, weet ik niet meer.

Wel weet ik nu, dat die spaarzaamheid het begin van mijn ondergang ten gevolge had; mijn verslaving aan het schaakspel had een aanvang genomen. Schuw betrad ik de fraaie bovenzaal. Daar zaten grote mannen met vadermoorders, vesten en gouden horlogekettingen, gelukkig de meesten zonder zware baard. Ze waren heel oud, sommigen zelfs wel ouder dan 40 jaren!

Mocht ik wel ademen in die zaal? Zat daar niet ook de Super-Mens zelve, Dr. A.G. Olland, jarenlang kampioen van Nederland, sinds mijn jongensheugenis voorvechter der SC. Utrecht? Ik durfde niet eens naar hem te kijken!

Op het bord passeerde iets wat ik in mijn stoutste dromen niet voor mogelijk had kunnen houden: ik versloeg mijn tegenstander, een volwassene, erger nog: een clublid! En dat in "den derden groep" der derde klasse! De gehele nacht sliep ik niet van opwinding, en dat terwijl ik 's morgens om 9 uur weer aan de slag moest. Tot overmaat van ramp - wat is nomen toch omen! - heette mijn partner Verhoef! Iets ergers had mij niet kunnen overkomen en ik verloor dan ook kansloos. Kom daar nu 'reis om!?

Het duurde dagen voordat ik mijn rust had weergevonden. Ik had het geluk dat Henk van Steenis, later voorzitter van de KNSB, op dezelfde HBS zat als ik. Er waren nog enkele andere middelbare scholieren die aardig speelden, en we zouden graag lid worden van 't eerbiedwaardige schaakgezelschap, toen de enige burgerschaakvereniging van het Sticht.

Maar dat ging zo gemakkelijk niet in die tijd! In de ledenvergadering van september 1925 - wij mochten achterin de gedachtenwisseling bijwonen - werd fel gedebatteerd over de wenselijkheid van een junioren-afdeling. De scherpste opponent daartegen was de toen malige penningmeester, H.J. Robijns. Sarcastisch merkte hij op, dat er dan voortaan wel met hobbelpaarden zou moeten worden gespeeld!

De jeugdafdeling kwam er toch, en gezegd moet worden dat Robijns een en al hulpvaardigheid werd toen hij zag dat het ons ernst was. Behalve op donderdagavond konden wij toen ook nog op zaterdagmiddag spelen, en bovendien was er een schaak-sociëteit in het Leesmuseum aan de Kruisstraat.

Ik bedoel maar.

Die goede oude tijd; insiders zullen het willen geloven, doch is waar. Ik opende met e2-e4 en beantwoordde deze zet met e7-e5! Helaas, hoe snel degenereert een mensenkind. Toen ik met horten en stoten de hoofdklasse binnenstrompelde, kreeg ik "open" aanvalsspelers als Olland (zie eens zijn overwinning tegen Euwe te Göteborg 1920; dat heeft nadien geen enkele Utrechter hem ooit meer na gedaan) en Jhr. A.E. van Foreest tegenover me. Spaans, koningsloperspel, koningsgambiet, met hun oneindig vele offervarianten, dwongen me uit te wijken naar de damepion en de Siciliaan. U weet 't, dat heb ik nooit meer afgeleerd.

In het seizoen 1926-'27 speelde ik in de zgn. hoofdklassegroep met 20 deelnemers, maar tegen het aanvalsgeweld van Olland c.s. was ik nog bij lange na niet opgewassen. Olland won met 8 uit 9 "den eersten prijs met zilveren wisselbeker", terwijl ik het niet verder bracht dan de zgn. verliezersgroep.

Edoch, in het volgende seizoen vond ik de juiste methode om die e4-houwdegens te weerstaan: streven naar gesloten positiespel, ze laten komen tot overijlde attaques.

Het werd een hoogtepunt van mijn activiteiten in onze club, toen ik voor de winterwedstrijd Olland voor het eerst versloeg. Mijn tactiek had succes; de grote tacticus kon zich niet bedwingen en ging met zwart te vroeg tot actie over.

Deze overwinning leverde mij voor 't eerst het clubkampioenschap op, een titel welke ik in de jaren daarna nog herhaaldelijk veroverde. Kom daar nu 'reis om. Niets veranderlijker dan de mens!

De eerste keer dat het bondstijdschrift een partij van Spanjaard publiceerde, was in juni 1928; het heette toen nog het "Tijdschrift van den Nederlandschen Schaakbond". Het is de bewuste partij die Spanjaard tegen Olland speelde, en die hem zijn eerste kampioenschap van SCU bracht. In deze partij het commentaar van Euwe uit die editie van de KNSB van 9 juni 1928, en ook het commentaar van Spanjaard zelf (uit het clubblad SC Utrecht van januari 1979). Druk op de eclips om deze partij na te spelen!

De ommekeer

Bert Kieboom

Eduard Spanjaard had ruzie gekregen met een clubgenoot. Drie avonden spraken ze geen woord met elkaar. Op de vierde clubavond schoot Eduard hem toch nog maar eens aan. "Kun je niet zeggen: goedenavond?" De clubgenoot wond er geen doekjes om: "Maar ik vind jou een klootzak." Spanjaards repliek: "Maar kun je dan niet zeggen: goedenavond, klootzak?"

Het schaak der wrake

In het clubblad van de schaakclub 'Utrecht' van januari 1979 werd aandacht geschonken aan een boek van Bouwmeester, Jongsma en v.d. Herik. Uit dit boek de volgende passage:

Miguel Najdorf. Een van die figuren waarover allerlei schandalige boeken geschreven zouden kunnen worden. Zijn brede armgebanen, zijn alles doordringende gelach en geklaag vertederen en irriteren tegelijk. In Wijk aan Zee 1978 deed hij mee. Méér nog dan zijn lang niet uitgebluste spel (natuurtalenten blijven altijd goed, ook al zijn ze 80) trok zijn gedrag in de toernooizaal de aandacht. Hij is nieuwsgierig en niet bescheiden van aard.

Het is bekend, dat schakers nogal eens wandelen als ze niet aan zet zijn. In Wijk aan Zee moesten de grootmeesters daar wat voorzichtig mee zijn, want de kans dat Najdorf je plaats had ingenomen tijdens je korte wandeling was bepaald groot. En dan ging het er nog maar om, of hij weer op wilde staan als je zelf wilde gaan zitten, omdat je tegenstander bijvoorbeeld zijn zet had gedaan en je klok dus liep. 0ók schoof Najdorf maar wat graag een stoel bij, naast de aan zet zijnde speler, om alles - zwaar ademend - nog eens extra goed te bekijken.

Ook de Nederlandse schaker Mr. Ed. Spanjaard heeft deze gewoonte. Ook hij is de 65 gepasseerd, en bovendien lijkt hij enigszins op Najdorf. Nooit zal ik het gezicht vergeten van Kortsjnoi, toen deze in zijn Hoogovenpartij tegen Portisch in de kritieke fase aan zijn linkerkant Mr. Eduard langzaam op zag rukken, de neus al bijna boven het bord, en aan zijn rechterzijde Don Miguel, eveneens gespannen vooroverleunend op de meegenomen stoel en met grote toewijding de stelling bestuderend.

Sosonko was de enige deelnemer die daar goed raad mee wist. Als één van beide heren (en dat was dan bijna steeds Najdorf) te dicht in zijn buurt kwam, spreidde hij zijn armen met enige kracht, daarbij niet al te kieskeurig omtrent de mogelijkheid dat hij iets of iemand zou raken.

De twijfel van Spanjaard

Robert Beekman

Hij had voor een schaakcarrière kunnen kiezen. Als hij gewild had. Wie op zeventienjarige leeftijd gelijk bij zijn debuut in de hoofdklasse mooie partijen wint, en wie op achttienjarige leeftijd kampioen wordt van een Schaakclub Utrecht waar op dat moment meerdere oud-Nederlandse kampioenen spelen, die, hoewel op hun retour, nog steeds in de Nederlandse top meespelen, heeft het zonder meer in zich. Zeker in die tijd was zo jong goed presteren een hele prestatie.

Toch heeft hij het niet gedaan. Was het zijn gebrek aan zelfvertrouwen? Telkens bespeur je in zijn geschriften een zeker ontzag voor goede spelers om hem heen. "Jij begrijpt het zoveel beter dan ik", mocht uit zijn mond vernomen worden bij een postmortem analyse, klagend over zijn slechte spel. Of is schaken nu eenmaal geen spel voor perfectionisten die zich ergeren aan fouten die ze zelf maken? Of was hij gewoon te bescheiden, en had hij te weinig hardheid om de top van het professionele schaak te bereiken? Of wilde hij zoveel meer van het leven genieten? Van muziek bijvoorbeeld ...

In elk geval kon hij ongelooflijk lyrisch de schaakprestaties van anderen (clubgenoten bijvoorbeeld) beschrijven. Ook al leek het helemaal nergens op. Zijn eigen prestaties daarentegen werden door hem hoogst kortaf becommentarieerd. Lees bijvoorbeeld het commentaar in de partij tegen van Egmond, een alleraardigste winstpartij in de hoofdklasse (druk hiertoe op de v). Het is dat ik er zelf nog een paar regels bijgeschreven heb (RB), anders zou het commentaar er erg kaal uitzien voor een partij waar zoveel over te zeggen valt.

Van 1930 tot 1960 speelde Spanjaard mee in vele internationale toernooien, vertegenwoordigde hij Nederland op de Olympiade, en kon men hem vele malen bewonderen op het Nederlands kampioenschap. Vanaf zijn debuut op zeventienjarige leeftijd heeft hij tot zijn dood onafgebroken Schaakclub Utrecht vertegenwoordigd in het eerste team, dat bijna altijd in de hoofdklasse speelde. Twee keer (1946 en 1971) heeft Spanjaard het Nederlands kampioenschap voor Schaakclub Utrecht binnen mogen halen!

Als dat geen geweldige prestaties zijn!

Alom werd zijn inzet en concentratie geroemd. Als een bezeten beer zat hij fanatiek en maximaal toegewijd achter het schaakbord. "Nooit zal iemand van mij kunnen zeggen, dat ik mij niet tot het uiterste gegeven heb!", zei Spanjaard ooit. Nee, dat zal men zeker niet. Hier linksboven ziet u hem in een karakteristieke pose, vol inzet.

Mr. Spanjaard werd 70 jaar

Lex Jongsma

Uit Kostgangers van Caïssa.

Mr. Spanjaard werd 70 jaar. In net zo diep geheim als de samenstelster van dit liber amicorum heeft betracht, organiseerde Hans Bouwmeester een muziekmiddag, ter ere van zijn goede oude vriend Eduard. Met grote schakers als Lucas Bunge, cellist en zanger Tabe Bas (bariton) en Henk Losscher (een voortvarend pianist) op het podium en uiteraard ook Hans zelf, ook op piano.

In het publiek veel leden van de schaakclub Utrecht (waar Eduard vanaf de twintiger jaren lid was en Hans met tussenpozen) en aanhangend schaakgespuis.

Wat Hans die middag op een niet al te goede, niet al te goed gestemde piano presteerde, was méér dan een muzikale krachttoer. Het was een vriendendienst van allure. De grote jurist zelve, Mr. Eduard, vatte het in zijn dankwoord geestig en karakteristiek samen:

"Hannes, jongen, ze zeggen weleens wat van je. Maar ik zeg jullie, Hans Bouwmeester heeft het hart op de rechte plaats. Alleen... hij kan het niet verkopen (korte pauze, driftige, snelle rukbeweging met het hoofd. Dan...) En bij mij is dat precies andersom!"

Carrefour

Jan Visser

Uit het jubileumboek 100 jaar Schaakclub Utrecht.

Tegen Spanjaard heb ik verreweg de meeste partijen gespeeld, misschien wel tweehonderd en daar zijn juweeltjes bij. Ik zou kunnen kiezen uit zo'n 25 winstpartijen, maar ik heb misschien wel het dubbele aantal tegen hem verloren.

Helemaal rechts Eduard Spanjaard, met naast hem Jan Visser, gebroederlijk spelend in een tweetallen-wedstrijd, Vianen, oktober 1966.

 

Eén juweeltje haalde zelfs de Franse pers! In het blad Carrefour werd het verslag van een uitzonderlijk mooie winstpartij van Eduard Spanjaard op mij gepubliceerd. La maître Néerlandais E. Spanjaard nous communique une jolie partie, jouée durant les derniers jours de l'occupation, qui ne manque pas de saveur, zo begon het Franse verslag dat eind 1947 verscheen. Druk op de eclips voor naspelen van deze schitterende partij! Met het originele Franse commentaar! De stukken hebben we maar in Nederlandse notatie neergezet (P = paard, want C in het Frans), anders is het nog moeilijker het commentaar te volgen.

Hieronder een aantal korte stukjes, geschreven in het herdenkingsnummer dat een paar maanden na zijn dood verscheen, waarin vrienden van Spanjaard, en tegelijkertijd schakers van Schaakclub Utrecht, hem nog in herinnering terughaalden.

Een Spanjaard voor wie Titus boog

Bert Kieboom

Aan de wand van mijn werkkamer prijkt een ansichtkaart, met daarop afgebeeld de Titusboog (Arco di Tito, Arc of Titus, Arc de Titus, Titusbogen) in Rome. Ik ontving hem eind april 1976 van Eduard Spanjaard, geadresseerd Signore A.S. Titus (ik weet nog steeds niet wat die A.S. betekenen).

Hij vertelde hoe hem en zijn vrouw de tips bekomen waren over wandelingen en eethuisjes, die ik hem had gegeven; want eerder was ik, vergezeld van de op dit punt àl-wetende Onkel, in de gelegenheid geweest het Romeinse imperium uitgebreid te verkennen. "Morgen hebben we fraaie plaatsen voor de mis op 't Pietersplein", schreef de Caïssa-vrezende jurist, deze vrome mededeling dadelijk ontkrachtend met de ontheiligende opmerking: "Dè miss vond ik nog niet!"

Waarom dit alles vermeld? Bovenaan de ansicht stond tussen haakjes (Th7 - Db1+), teken dat de maestro zelfs in het zonnige, historisch zo rijke Rome het leed niet vergeten kon dat ik hem aan het begin van het seizoen 1975/'76 had aangedaan in de clubcompetitie. In de stelling links, voor mij totaal verloren, speelde hij, de witte stukken aanvoerend, Tg7-h7??

Ondanks de tijdnood zag ik dat Db2-b1+ geen onaardige weerlegging van de matdreiging op g7 was, en zo won ik, de goede Eduard in doffe, maar komische wanhoop achterlatend.

Het In Memoriam

Na dertig jaar clublidmaatschap werd ik in januari 1981 verrast met een uitvoerig artikel over mijn persoontje in het clubblad, van de hand van Mr. Ed. Spanjaard. Een "Helden- of Heiligenleben". Het genante, maar toch ijdelheid strelende soort, dat nog net te verdragen was, omdat zijn sympathie in zijn loftuitingen doorstraalde.

Op de eerstvolgende clubavond schoot ik hem aan: "Een mooi stuk, Eduard, je mag mijn 'in memoriam' schrijven." Onmiddellijk het antwoord: "Goed, dat zal ik met genoegen doen."

Een paar maanden later zat ik zijn 'in memoriam' te schrijven.

Eén van de meest bijzondere mensen

Hans Bouwmeester

Eduard Spanjaard is een van de meest bijzondere mensen die ik in mijn leven leerde kennen.

Het is alweer enige maanden geleden dat hij zo plotseling van ons heenging; maar de tijd, die - zoals men zegt - alle wonden heelt, is voor mij nog te kort geweest om met zijn dood verzoend te raken. Moeilijk kan ik wennen aan de gedachte dat hij er niet meer is, dat hij mij niet meer vraagt naar de nieuwste varianten van het Siciliaans, mij niet meer kritisch onderhoudt over mijn pianospel, en, vooral, mij niet meer verkwikken kan door zijn verrukkelijke humor. Wie kon een 'witz' een woordspeling of een grappig verhaal beter brengen dan hij?

Voor mij was Eduard altijd de verpersoonlijking van de gezonde psyche. Zijn lichaam was op meerdere fronten kwetsbaar; hij moest zich ontzien waar het spijs en drank betrof en behoedzaam met zijn krachten omgaan. Maar het was alsof juist de matiging die hem geboden was, hem des te meer deed genieten van de goede en schone dingen des levens.

Eduard klaagde zelden of nooit; hij kon veel en deed veel op allerlei gebied.

Vele decennia was hij de ziel van zijn schaakclub. Als schaker was hij een voortreffelijk amateur, die op zijn beste momenten meesters en grootmeesters goed partij kon geven. Zijn oplettendheid en slagvaardigheid waren terecht gevreesd. In het Nederlands team was hij meer dan alleen speler. Eduard slaagde erin een ieder vrolijk te houden, ook als het eens tegen zat.

De door hem georganiseerde schaakreis naar Scandinavië beschouw ik als een hoogtepunt in mijn schaakloopbaan. Als ik even mijn herinneringen daarover de vrije loop laat, zie ik hem nog in mateloze opwinding over een verkeerde zet. Ik zie hem zakelijk en koel organiseren na een stom auto-ongeluk, veroorzaakt door een Deense boer, dat gelukkig goed afliep. Ik zie hem het Kopenhaagse spitsverkeer totaal klemzetten door een opzienbarende auto-manoeuvre. Ik zie en hoor hem nog speechen in zijn fraaiste Duits tegen een halfdronken Noorse voorzitter, die duidelijk niet begreep waar wij zo'n plezier over hadden.

Eduard was van vele markten thuis. De advocatuur, het verzekeringswezen, de schaakjournalistiek, de muziek, de literatuur, het theater, vreemde landen en mensen - dit alles had zijn warme belangstelling, en het is hem vergund geweest er tot op het laatste moment intensief bij betrokken te zijn.

Zonder kinderachtig te zijn was Eduard kind met kinderen. Mijn zonen waren dol op hem en voor zijn kleinkinderen was hij een soms ontroerende grootvader.

Herinneringen aan Eduard vormen een lange film, vol afwisselende beelden. Ik heb ruzie met hem gemaakt - bijna altijd over niets - en veel gelachen; op het schaakbord op leven en dood met hem gespeeld en ook, onder zijn aanhoudend commentaar, honderden vluggertjes met hem afgewerkt; samen met hem muziek gemaakt en muziek beluisterd. Zijn gastvrij huis was soms een oase van rust, soms een bijenkorf vol sprankelend levensplezier. Wie iets te bieden had, was welkom. Eduard dronk de nectar gretig in, maar wist ook te geven.

Advocaten zijn duur en schakers in het algemeen arm. Een schaker in nood kwam onvermijdelijk bij Eduard terecht en 'con amore' deed Mr. Ed. wat hij kon.

Hij wist van uitdelen en incasseren. De vonken mochten eraf spatten, Eduard verloor nooit zijn goede humeur en werd nooit vervelend.

Kwaliteit en prestatie waren bij hem in aanzien. Nivellering vond hij een vies woord.

In vele kringen laat Eduard Spanjaard een leegte achter. Het is een schablone, maar de waarheid is zelden zo evident als in het onderhavige geval. Zijn vele vrienden missen hem en ongetwijfeld zullen hun gedachten nog wel eens teruggaan naar de onvergetelijke momenten die ze met hem hebben beleefd. Ik heb Eduard ruim 33 jaar gekend en van zeer nabij mee gemaakt. Zijn vriendschap heb ik beschouwd als een der vele geschenken die mij door de hemel zijn toebedeeld.

Hij moge rusten in vrede.

Bijna 30 jaar vriendschap

Lucas Bunge

Ik leerde Ed in 1952 kennen onder omstandigheden die voor hem typerend waren. In Den Haag woonde ik op kamers bij een charmant ver familielid van hem, en bij een van zijn bezoeken aan haar hoorde hij mij cello studeren. Hij was nieuwsgierig wie die geluiden produceerde en meteen strikte hij me voor een huisconcertje in de Utrechtse 'Engelenzang, Sociëteit voor kunstenaars en kunstminnenden', waarvan hij lang voorzitter was en waarvan mijn vrouw en ik ook lid werden toen wij, jaren later, naar Utrecht verhuisden.

De muziekavonden werden vrijwel altijd in het gastvrije huis van de Spanjaards, eerst aan de Biltstraat, later aan de Maliebaan en ten slotte in Bilthoven gehouden. Het was altijd een feest te spelen voor deze gastheer met zijn kritisch, goed geschoold oor en warm gevoel voor muziek. Hij kon zo trots zijn op 'zijn' musici en luisterende gasten, en zijn geestige inleidingen en bedankjes hadden vaak meer inhoud dan het hele muzikale discours.

Maar ook mocht ik als huisschaker wel eens een enkele keer de stukken tegen hem opzetten. Ach, met zijn pink schoof hij me van het bord; maar in '76 haalde hij me over lid te worden van onze schaakclub. In de afgelopen jaren volgde hij mijn povere verrichtingen met aandacht en vaak trok hij op zondagmiddag een uurtje uit om me met een afgebroken partij te helpen. Ik stond keer op keer verbaasd over de hardnekkigheid en de systematiek waarmee hij steeds weer nieuwe mogelijkheden ontdekte in schijnbaar eenvoudige stellingen. Niets nam hij 'for granted', alles moest worden onderzocht.

En het was altijd gezellig hem de laatste winterseizoenen na de clubavond naar huis te rijden en dan zijn opgewonden schaakklok te horen aflopen - vol was hij van de meestal afgebroken partij, van de 'klootzak' die hij was geweest of van het gezwendel waarmee hij toch weer het volle punt had gepakt.

Maar als een echte advocaat - in die kwaliteit mocht ik ook wel eens van zijn gaven profiteren - kon hij ook goed luisteren; en hij bezat nòg een eminente karaktereigenschap, waarmee hij in het hiernamaals hoog op de ladder zal komen: nooit heb ik hem in al die jaren over mede-mensen, ja, zelfs niet over mede-schakers (toch nog een veel erger ras) een onaardige opmerking horen maken.

Eens per jaar, in de zomer, mocht ik altijd een 'echte' partij tegen hem spelen om hem voor het nieuwe seizoen wat 'op te warmen'.

In '77 hield ik het bijna tachtig zetten tegen hem uit. Trots als een pauw keerde ik na afloop huiswaarts; weer een nul rijker, maar voor één keer was ik een echte schaker geweest, die toch vele uren weerstand had kunnen bieden aan Eduards ongelofelijke vasthoudendheid, aan zijn artistieke fantasie en aan zijn fijn stellinggevoel - drie kenmerken die ook buiten het schaakbord zijn briljante persoonlijkheid bepaalden.

Op het laatste moment toch niet ...

Maarten Etmans

In de 18 jaar dat ik bij de schaakclub Utrecht meedraai, heb ik niet eens zo vreselijk veel tegen Eduard gespeeld: ongeveer twintig partijen. We hadden het altijd moeilijk tegen elkaar: slechte, maar zeer spannende partijen, meestal eindigend in een overwinning voor de witspeler. Ik was altijd wat bang voor Eduard, en hij deed alsof hij ook bang voor mij was.

Verreweg de boeiendste partij die wij tegen elkaar speelden, was de allerlaatste; in maart 1981 gespeeld en in april uitgespeeld. Spanjaard toont in deze partij zijn meest karakteristieke spel. Na wat gelaveer komt wit plotseling tot aanval. Spanjaard verdedigt actief en grijpt steeds zijn kans. Als de witte aanval niet doorslaat, krijgt hij voordeel. Tijdnood, afbreken in een onduidelijke stelling. Spanjaard in zijn element: wekenlang uitpluizen met hulp van opgetrommelde "secondanten". Dezelfde inzet waar mee hij al zijn partijen speelde.

Na de hervatting koerst Eduard volgens analyse op de winst af, maar durft op het allerlaatst plotseling niet door te tasten; dat heb ik de laatste paar jaar vaker van hem gezien. In de linkerdiagram speelde Spanjaard (met zwart) 45... Ld2-c3! overzien! Op 46.Pxf7 Lxf7 47.Txf7 volgt Tg8! 46.Lg2-e4 d5xe4? Hier kon zwart met 46... Th2 47.Kxh2 Lxe5 een vrijwel gewonnen stelling bereiken. 47.Tg7-g5! en eeuwig schaak (of Kf8 Th5). Als het paard op e5 al geslagen is, kan de zwarte koning ontsnappen via g6. Toch nog remise. Daarna de urenlange analyse, nooit wist hij van ophouden.

 

Scherzo

Theo Olof

Een rubriek in De Telegraaf, 12 juni 1981

Wonderlijk, zo'n opeenvolging van gebeurtenissen die ogenschijnlijk geen verband houden met elkaar. Of toch? Daar was de kennismaking met Tim Krabbé, sportjournalist, schrijver, schaker, wielrenner, met zo'n 500 wedstrijden achter zijn pedalen. Tim wordt onze bovenbuur. Met Linde. We kregen drie van zijn boeken: een verhalenbundel "De Stad in het Midden", "De Renner" en "Nieuwe Schaakkuriosa".

Nauwelijks had ik in "Schaakkuriosa" gebladerd, of mij bereikte het overlijdensbericht van Eduard Spanjaard, mede-oprichter van dé Eduard van Beinum Stichting, groot muziekliefhebber en schaakmeester. Vorig jaar nog nam hij met zijn echtgenote deel aan een door mij begeleide muziekreis naar Hongarije. Even opvallend als zijn gigantisch dikke brilleglazen was zijn onverzadigbare belangstelling voor de meest uiteenlopende onderwerpen. En we hebben wat afgelachen.

"Met schaken verlies ik vaak van je zoon Erik; waarom is me duister, want ik ben beter," vertelde hij me. Mr. Spanjaard overleed aan het schaakbord. In gewonnen stelling. Hij ging heen als een overwinnaar.