In 1961 overleed hij. P.J.G. Stuiver. Hij was toen voorzitter van Schaakclub Utrecht, zeven jaar al, net op een moment dat de club koortsachtig bezig was met de voorbereiding van het PAM grootmeestertoernooi. Aan alle kanten was hij sterk betrokken bij de club. Onder zijn regie werden de banden met andere Utrechtse schaakclubs aangehaald en het viel de gehele Utrechtse schaakwereld rauw op het dak dat zo'n belangrijke schakel in de onderlinge verbanden wegviel. Dit artikel van Eduard Spanjaard is ter herinnering van hem, P.J.G. Stuiver, en verscheen niet lang voor zijn overlijden in het Utrechts Dagblad.
Schaakclub Domtoren vierde in 1959 haar 25-jarig bestaan in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen. Zij vierde dat met een receptie, gevolgd door een vrolijke feestavond, waaraan het cabaretgezelschap van André en Rudy Carrell, en het dansorkest van Piet Stellaard hun medewerking verleenden. Op de foto boven geeft voorzitter P.J.G. Stuiver van Schaakclub Utrecht een hand aan voorzitter P.H. Buisman van Schaakclub De Dom. Op de hele foto van links naar rechts: H.W. van der Sluis, B.C. van Bezooijen, P.H. Buisman, G. Schmittmann, W. van Weeren, M.M. Schoep, P.J.G. Stuiver, J. van der Brink, Eduard Spanjaard en S. van der Schaaf.
Er zal wel geen clubschaker uit Utrecht en omgeving zijn die de heer P.J.G. Stuiver, voorzitter van Schaakclub Utrecht, niet kent. In deze kwaliteit, en in ieder geval als actief schaker, is Stuiver bij elke schaakmanifestatie in Midden-Nederland present.
Toch liggen de grootste verdiensten van Stuiver in de eerste plaats op een ander gebied in het schaakspel, namelijk dat der problematiek. Hij heel vooral in vroeger jaren vele fraaie problemen gecomponeerd, aan welke dit artikel gewijd moge worden. Het is interessant met de componist die vorige maand 60 jaar werd, oude herinneringen over zijn hobby op te halen.
"Natuurlijk begon ik ermee toen ik nog in de schoolbanken zat, net als vrijwel alle andere auteurs", aldus onze zegsman. "We hadden op de HBS een clubje dat zich bezighield met het bestuderen en oplossen van schaakproblemen. Dat ging ons al gauw heel goed af. Maar aan zelf componeren - een prestatie die voor slechts weinigen is weggelegd - waren we nog niet toe. Pas toen in 21 jaar was, smaakte ik het genoegen een zodanig sluitend werkstuk tot stand te brengen, dat het voor publicatie in aanmerking kwam. De populaire schaakveteraan De Brie was toen redacteur van een rubriek in een plaatselijk dagblad en ik was er toen wát trots op dat hij mijn geestesproduct waardig achtte om voor te leggen aan zijn lezers. Nu lag de problematiek in vroeger jaren heel anders dan tegenwoordig. Indertijd was het hoofddoel de oplossing zo moeilijk mogelijk e maken. Langzamerhand ging men echter meer de nadruk te leggen op de inhoud van het probleem, op het originele van het erin verwerkte thema en op de wijze van uitwerken. In de loop van de laatste decennia verschenen er tal van themaboeken: deze materie is langzamerhang zo ingewikkeld en omvangrijk geworden, dat een gewoon mens al die thema's niet meer kan overzien."
En dan horen we een boeiend staaltje uit de geheime keuken van Stuiver's componeerkeuken. Hij vertelde hoe hij eens, vele jaren geleden, tezamen met zijn collegacomponist dr. A. Meurs een vergadering bezocht van de Nederlandse Bond van Probleemvrienden. Daar hield de heer M. Franken, een van de onderdirecteuren van het Philips-concern, een voordracht over het probleemtechnische onderwerp 'obstructie' (een probleem dat wij populair zouden willen omschrijven als volgt: stuk A belet stuk B een bepaalde functie te vervullen). Op een zeker moment poneerde de spreker dat het zijns inziens onmogelijk was een probleem te vervaardigen in hetwelk een loper en een pion elkaar wederkerig obstrueerden.
"In mijn jeugdige overmoed", zo vervolgde Stuiver, "heb ik toen aanstonds deze uitdaging aangenomen en aangekondigd een poging te zullen wagen om het tegendeel te bewijzen. Op weg naar huis zegde A. Meurs zijn medewerking toe en na circa vier maanden intensief zoeken slaagden wij er zowaar in een positief resultaat te boeken." Hieronder volgt Stuiver's quadratuur van de obstructiecirkel.
Driezet
Zwart beschikt over een materiële meerderheid, maar zijn koning zit in een matnet. Probeert wit hiervan te profiteren met 'normale' zetten, dan heeft hij geen succes. Zie bijvoorbeeld:
a) 1.Kf2? Ld4+ 2.Ke2 Lxg1 en er is geen mat in één zet, omdat Tf1+ met Lf2 beantwoord wordt.
b) 1.Ke2? exd4+ 2.Kf2 Te3 en weer falen wits pogingen.
Het is nu de wederkerige loper-pion-obstructie die ons uit de problemen helpt. De sleutelzet is 1.Tc1-c4! met de dreiging dxe5+ en Txd4 mat. De twee thematische parades zijn:
a) 1... dxe5, maar thans obstrueert de pion de loper, waardoor 2.Kf2 mogelijk wordt. Zwart staat machteloos tegen Ph3 mat, daar 2... Te3 faalt op3.dxe3 mat, terwijl 2... Te2+ met 3.Pxe2 beantwoord wordt.
b) 1... Lxd4. Nu is exd4 onmogelijk geworden; de loper obstrueert de pion. Dit geeft wit de gelegenheid de koning met 2.Ke2 op de e-lijn te plaatsen zonder schaakgevaar, waarna tegen 3.Pg1-h3 mat geen kruid gewassen is.
Het beeld wordt nog voltooid door de nevenvarianten 1... Pe6 2.Lxe5 Kg5 3.Pf3 mat, en 1... e4 Kg2! (nu staat de koning na c6-c5 niet meer schaak!) benevens Ph3 mat.
Smaken deze 'stuivertjes' naar meer, lezers? Beproeft uw krachten dan eens op zijn hiervolgende tweezetten, welke door ons over veertien dagen zullen worden uitgewerkt.
![]() | ![]() |
Bij het oplossen zult u recht het volgende oude spreekwoord gaan inzien: een stuivertje kan soms raar rollen!