100 jaar SCU
Het tweede landskampioenschap van 1971
Bert Kieboom
Toen de top van het Nederlandse competitieschaak nog niet werd beheerst door 'huurlingen' en een clubkampioenschap dus nog echt een clubkampioenschap was, heeft de Schaakclub Utrecht menigmaal haar partijtje om de landstitel mee geblazen. Twee maal is het gelukt de hoogste plaats te behalen, in 1946 en in 1971. Nauwelijks minder imposant is dat het eerste tiental bijna onafgebroken in de hoogste klasse heeft gespeeld van 1920/'21 tot en met 1957/'58. In dit hoofdstuk een verslag van het kampioenschap in 1971.
Ook het tweede kampioenschap, van 1971, is niet uit de lucht komen vallen. Na de malaise, eind jaren vijftig, toen al onze 'Musketiers' waren weggelopen en de terugval onvermijdelijk was, kwam de omkeer zo rond de tijd van het PAM-toernooi (1961). Mannen als Bouwmeester, Van Geet van Van de Pol waren onze gelederen komen versterken. Onder leiding van eerstgenoemde werd een trainingsprogramma op touw gezet en geleidelijk wierp dat ook vruchten af. Lang niet zoveel als onze ambitieuze voorman graag had gewild en de inertie van het schakersvolkje zal er ook wel de reden van zijn geweest dat Hans het uiteindelijk voor gezien hield. Illustratief hiervoor was een theorieavond, waarop Bouwmeester zeer grondig de Pirc onder handen nam. De discussie spitst zich toe op de vraag of zwart in een bepaalde variant ... e5 kon doorzetten. Vraagt iemand: Als je zo graag ... e5 wilt spelen, waarom doe je dat dan niet op de eerste zet? Aardig grapje, maar onze inleider, die zich thuis natuurlijk geweldig had ingespannen om alles op een rij te krijgen, kon er op dat moment niet zo hard om lachen.
Toch is de ijver van Bouwmeester beloond, al heeft hijzelf; net als Mozes, het beloofde land niet mogen betreden. Het was Lodewijk Prins die de bazuinen liet schallen rond de muren van Jericho en zijn tiental naar de landstitel voerde.
Het tweede kampioenschap
Wie niet waagt, die niet wint. In 1946 werd het eerste landskampioenschap gewonnen. Het zou tot 1971 duren, voordat er weer iets gewaagd werd dat de landstitel opleverde. Ook leven we dan nog net voor de tijd van de sponsorende computerfirma's.

Het Schaakbulletin schrijft: "Utrecht heeft, er leek geen twijfel mogelijk, de landstitel behaald. Toch is het de afgelopen maand een zenuwachtige bedoening geweest voor de Rotterdamse en Utrechtse schaakclub. Wat gebeurde er? De afgebroken partij Böhm - Verholt was zonder meer remise.
Böhm toog dus naar Utrecht om daar in 't bijzijn van bijna het voltallige eerste van Utrecht, bij Verholt thuis (rechts in beeld een foto van Verholt uit 1977), nog wat zetten te doen.

1... Kd7-c6. De afgegeven zet. 52.Te3-f3 Tg5-a5 53.Tf3-f6 Ta5-a4 54.Kc4-c3 Ta4-a2 55.Tf6xg6 Ta2xh2 56.Kc3-c4 h5-h4. Waarom niet het meer dan door de hand liggende ... Tc2? 57.d4-d5 Kc6-c7 58.g3xh4 Th2xh4 59.Kc4-b5 Th4-h7 60.Tg6-g4 Th7-f7 61.Tg4-c4 Kc7-b7 62.Tc4-c6 Tf7-d7 63.Tc6-b6 Kb7-c7 64.Kb5-a6 Kc7-c8 65.Tb6-c6 Kc8-d8 66.Ka6-b6 Td7-h7. Pionneneindspelen zijn verloren voor zwart. 67.Tc6xd6 Kd8-c8 68.Td6-f6 Th7-h1 69.Kb6-c5 Kc8-d7 70.Tf6-f7 Kd7-e8 71.Tf7-a7 Th1-c1 72.Kc5-d6 Tc1-d1 73.Ta7-e7 Ke8-d8 74.Te7-h7 Kd8-c8 75.Th7-h8 Kc8-b7 76.Th8-e8 Td1-d2 77.Te8-d8 Td2-d1. Beter naar h2. 78.Kd6-e7 Td1-h1 79.Td8-f8 Th1-e1 80.Ke7-d7 Te1-h1.

In deze stand werd de partij opnieuw afgebroken, en de wijze Spanjaard kon zijn clubgenoten er met moeite van weerhouden de partij op te geven. Rotterdam waande zich bijna kampioen, maar Chéron leerde anders. In dit standaard-eindspelwerk bleek een spiegelbeeld van het tweede diagram te staan, en dat bleek remise.
Böhm dus weer naar Utrecht, maar nu liet Verholt zich niet meer van de wijs brengen en na 101 zetten berustte Böhm in het onvermijdelijke. Remise. Utrecht kampioen. Proficiat."
Een andere reactie op ons kampioenschap. Chr. Vlagsma in de Haagsche Courant van 15 mei 1971:
Utrecht sterkste schaakclub ... De titel van landskampioen is dit jaar terechtgekomen hij schaakclub Utrecht, geen onbekende overigens in ons georganiseerde schaakleven, die zijn rentree in de hoofdklasse maar meteen duidelijk rechtvaardigde door beslag op de eerste plaats te leggen. De Utrechtenaren hebben het daarbij niet gemakkelijk gehad. In de voorlaatste ronde werd nog de tweede plaats ingenomen, doch een 5,5 - 4,5 zege in de laatste ronde op het leidende tiental van Rotterdam bracht toch nog de fel begeerde landstitel binnen het bereik van de Domstadschakers.
Lodewijk Prins over het emotionele schaak
Vlagsma publiceert dan een partij uit de wedstrijd voor de KNSB-competitie Utrecht - Leeuwarden van de man die zo'n belangrijk aandeel heeft gehad hij de verovering van de titel.

En dat is Lodewijk Prins, links in beeld, eerstebord speler van Schaakclub Utrecht in dat bewuste kampioensjaar. Hieronder kunt u zijn overwinning op voormalig Nederlands kampioen E. Scholl naspelen.
In het kader van de strijd om de landstitel schrijft Lodewijk Prins zelf in zijn schaakrubriek in Het Parool (10 april 1971) het artikel 't Emotionele schaak. Op dat ogenblik lijkt de hoop verloren voor Utrecht, omdat de remiseweg in het verbroddelde eindspel van Vethop dan nog niet gevonden is en een ander 'niet te verliezen' eindspel, van Arend van Oosten tegen Lex Jongsma, zojuist verloren is gegaan. 'Alleen oud-gedienden wisten dat in clubschaak nooit iets zeker is', schrijft Prins laconiek.
'Er is een tijd geweest', citeren wij Prins, 'tot omstreeks 1934-'35, waarin schakers zoals Te Kolsté, Schelfhout, Goud, Kersten, in nationale dagbladen kolommenlange verslagen lieten verschijnen over tientallenwedstrijden om het clubkampioenschap van Nederland.
In die jaren waren zulke wedstrijden gebeurtenissen van belang; de rivaliteit tussen Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht, niet in de laatste plaats zelfs binnen Amsterdam (tussen VAS en ASC) kon er hoog oplaaien. Het waren toen nog zondagse wedstrijden, druk bezocht door medestanders, die hun helden Euwe, Van Hartingsveld, Weenink, Van Hoorn, Van den Bosch, Fonteyn, Landau, Oskam, om maar enige te noemen die mij het eerst te binnen schieten, aanvuurden. Van den Bosch - Euwe, 1 - 0 (Discendo Discimus - ASC) baarde in 1933 groot opzien.
Die tijden van charmante geestdrift, waardoor een organisatie in de kinderschoenen wordt geëlectriseerd, zijn voorbij. Terwijl in de Sovjetunie jaarlijks door grootmeesters met de clubs die zij vertegenwoordigen nog steeds grote belangstelling wordt getrokken, kan de Nederlandse clubcompetitie, overschaduwd door internationale opbloei van het schaakleven en een daaruit voortgekomen stortvloed van evenementen, niet langer in het nieuws worden aangetroffen. Die afwezigheid schaadt een stukje schaakfolklore dat in zijn eigen categorie toch een beter lot had verdiend. Het is waar, een tempo van vijftig zetten in 2,5 uur valt tegenwoordig uit de toon; er komen wel betrekkelijk weinig afgebroken partijen bij voor, maar de kans op wisselvalligheden in tijdnood wordt erdoor vergroot.
Is dat een steekhoudend argument voor het laten verkommeren van de clubwedstrijden, vraag ik mij af. Door de decenniën heen hebben in die wedstrijden altijd emoties overheerst en blunders, al dan niet in tijdnood begaan, hoogtij gevierd.
Het lijkt mij dan ook goed, u een beslissende momentopname uit de Nederlandse clubschaakcompetitie van dit seizoen aan te bieden, niet alleen ter ere van een helaas verbleekte traditie maar ook om nog eens het soort tragedie te vereeuwigen waardoor die wedstrijden berucht zijn geworden.
Toen Weenink, Van den Bosch en Landau nog voor Amsterdam, Den Haag en Rotterdam optraden, was de Schaakclub Utrecht over het algemeen niet opgewassen tegen VAS, DD en NRSV. Dit slaat op de periode van A. E. van Foreest, die nog een tijdgenoot van Multatuli is geweest, van dokter Schuckink Kool en van kapper De Brie, maar ook al van Spanjaard, die na veertig jaar nog steeds het eerste tiental verdedigt, dit seizoen 1970-'71 met vijf punten uit zeven partijen. Leden zoals Wind, Van Oosterwijk Bruyn, Bouwmeester hebben pas later naam gemaakt. In 1946 behaalde Utrecht het landskampioenschap. Vijfentwintig jaar later, om precies te zijn vorige week, was de club, zojuist terug in de eredivisie waarin zij twee jaar lang had ontbroken, naar alle menselijke berekeningen opnieuw kampioen.
Zaterdag jl. was Utrecht-Rotterdam voorlopig in 5 - 3 geëindigd ...' Dan volgt Prins' analyse van het drama-Van Oosten, en zijn verzuchting: 'Het kampioenschap is dit jaar kennelijk toch weggelegd voor Rotterdam.' Maar Prins zei het zelf al: 'In clubschaak is nooit iets zeker.'
Een foto van Jan Prins uit 1960.
De spelers en de wedstrijden
De volgende spelers hebben het kampioenschap van 1970-1971 binnengehaald:
| 1. | L. Prins | 3,5 uit 7 |
| 2. | A. van Oosten | 2,5 uit 7 |
| 3. | G. Verholt | 4 uit 7 |
| 4. | M. Etmans | 2,5 uit 7 |
| 5. | B. Kieboom | 4 uit 7 |
| 6. | E. Spanjaard | 5 uit 7 |
| 7. | J. van Kleef | 4,5 uit 7 |
| 8. | J. Duistermaat | 5 uit 7 |
| 9. | J. van der Pol | 2,5 uit 4 |
| 10. | J. Perrenet | 5 uit 7 |
| inv. | H. Knipscheer | 0 uit 2 |
| inv. | P. de Haan | 0 uit 1 |
De volgende glorietocht leidde naar het kampioenschap:
| Utrecht | - | Moerwijk | 5 - 5 |
| Utrecht | - | Philidor (Lw.) | 6 - 4 |
| Utrecht | - | Philidor (Lei.) | 5,5 - 4,5 |
| Utrecht | - | Watergraafsmeer | 4,5 - 5,5 |
| Utrecht | - | L.S.G. | 6,5 - 3,5 |
| Utrecht | - | V.A.S. | 5,5 - 4,5 |
| Utrecht | - | Rotterdam | 5,5 - 4,5 |
En dit was de eindstand:
| Utrecht | 11 | 38,5 | K |
| Rotterdam | 10 | 42 | |
| Moerwijk | 9 | 34,5 | |
| Watergraafsmeer | 8 | 40,5 | |
| VAS/ASC | 8 | 34,5 | |
| Philidor (Lw) | 5 | 33,5 | |
| Philidor (Ld) | 4 | 31 | D |
| LSG | 1 | 25,5 | D |
Het wonder van 1971
Robert Beekman
1971. Dat is het jaar waarin Schaakclub Utrecht kampioen van Nederland werd. Totaal onverwachts. Onverwachts, omdat net het jaar ervoor gepromoveerd was en niet verwacht werd gelijk door te stomen naar de titel.
Een paar jaar ervoor (april 1968), kan ik nog het volgende in ons clubblad lezen:
"Als de schaakclub Utrecht een vlag zou hebben, hing die nu halfstok. Wij zijn geen hoofdklasseclub meer. Het droef relaas van de gemiste kansen van de hand van Etmans (rechts in beeld) treft men elders in dit nummer aan. Het had niet gehoefd, maar is toch gebeurd. Natuurlijk kan filosofisch worden aangevoerd, dat een hoofdklasse van acht clubs, waarvan er elk jaar twee door de kampioenen van de beide eerste klassen worden vervangen, ook een soort slachthuis is waar het mes nu een de een dan weer de ander treft. Maar de beste teams blijven toch; en kwaliteit wordt niet alleen uitgedrukt door schaakkunst, maar ook door grimmigheid. Enfin, Etmans vertelt het wel; en voor ons blijft de wat pijnijke moraal dat je gemakkelijker uit de hoofdklasse vliegt dan er weer inzit."
En toen Utrecht twee jaar later weer promoveerde, werd wederom gevreesd voor het jojo-effect. Behoedzaamheid was troef. Laten we hopen dat we ons kunnen handhaven in de hoofdklasse! Op meer viel niet te hopen. De lijst der tegenstanders werd langsgelopen, op zoek naar clubs aan wie men de rode lantaarn (inclusief degradatie) zou kunnen overdragen. Tegen die clubs werd een cruciale strijd verwacht; tegen hen moest gewonnen worden om niet te degraderen! In dat opzicht was het ook echt een wonder boven wonder, dat wonderjaar 1971. Want zelden presteert men meer dan het doel waar men zich op richt.
"Het ging te goed met het eerste", wordt er dan geschreven als Utrecht na drie overwinningen tegen Watergraafsmeer verliest. Toch groeit geleidelijk aan het zelfvertrouwen. Arend van Oosten wint omdat zijn tegenstander het Koningsgambiet niet kent, Hans Duistermaat plaatst een mooi dameoffer, Maarten Etmans wint fraai en Perrenet wint voor de vierde keer op rij hoewel hij bij zijn supporters nog wel even de rillingen over het lichaam laat gaan.

Links ziet u die vierde overwinning. Perrenet wint door met zijn koning dwars over het bord naar de andere kant te lopen. 1.h3 Td1 2.Txd1 Dxd1 3.Kg2 De2 4.Kg3 De1 5.Kg4 h5 6.Kg5 Dg1 7.Kf6 Kd8 8.Da5 Db6 9.Dxb6 Pxb6 10.Kf7 Pd7 en opgegeven zonder Le7 mat af te wachten. Overigens was 5... h5 de beslissende fout. 5... Dd1 was nog heel complex geweest. 1.Dc5 (dreigend Dc6) had duidelijker de winst afgedwongen.
Hans Duistermaat won tegen Olof. Niet de Olof die het halve jubileumboek van 1986 voor Schaakclub Utrecht geschreven heeft, maar zijn vader, die voor Moerwijk speelde.
Hans Duistermaat in 1977 tegen Anatoli Karpov.
En toch blijft de twijfel bestaan! Wederom een citaat uit het clubblad, waarbij vooruitgeblikt wordt op de laatste wedstrijd tegen koploper Rotterdam, een heuse finale in de slotronde waarbij gewonnen moest worden van een sterrenteam met onder andere Timman, Jongsma en Böm:
Vooral dán zal een grote supportersschare nodig zijn om de spelers tot ongekende hoogten te stuwen. Die steun is des te noodzakelijker, omdat de strijd in Leiden niet direct zo'n spelniveau heeft te zien gegeven dat het landskampioenschap zonder meer in handen van Utrecht zal kunnen vallen. Maar liefst vijf partijen werden door blunders of iets wat daar sterk op leek beslist. Na 8 zetten gaf Perrenet een stuk weg, probeerde het nog even, maar ging roemloos ten onder; gelukkig kreeg Verholts tegenstander hetzelfde idee, buit na ook 8 zetten: een stuk. In een later stadium liet Etmans zich belangrijk hout ontfutselen, maar daar stond tegenover dat Van Kleef weer een stuk mocht incasseren. De serie werd afgesloten door Van de Pol, van wie een toren onverhoopt van het bord verdween."
En o ja, de andere vijf partijen hebben we, als ware het een voetnoot, bijna allemaal op briljante wijze gewonnen. Eindstand Utrecht - LSG: 6,5 - 3,5. Opvallend. Absoluut opvallend. De schrijver had ook uitbreid kunnen verhalen over de triomftocht der genialiteit, om vervolgens terug te vallen op: en o ja, er waren ook een paar minder mooie momenten. Maar nog opvallender is dat de verslaglegger de blunders van de tegenstander optelt bij het eigen onvermogen. Feitelijk werd de strijd ontsierd door drie 'blunders' onzerzijds. Niet door vijf. En al waren we niet zo stom geweest, hadden we dus zo ongeveer met 9 - 1 gewonnen. Dat klinkt inderdaad een stuk beter.
Maar is dat niet de kracht van het wonder? Je gelooft er voor geen meter in en het gebeurt toch! Tot het einde toe bleef het maar moeilijk te bevatten. Misschien kwam het omdat in die allerlaatste ronde tegen dat sterke Rotterdam aangetreden moest worden. Rotterdam, dat één matchpunt en vele bordpunten meer had.
Of misschien kwam het omdat er toen nog afgebroken partijen waren. Het fenomeen afgebroken partijen bestaat allang niet meer, maar was in die tijd een volstrekt normaal fenomeen. Het leidde er toe dat een match uitgespeeld kon worden zonder dat de uitslag bekend was. Utrecht - Rotterdam stond 5 - 3. Met twee afgebroken partijen. Weken en weken en weken duurde het voordat een eind kwam aan de tergende onzekerheid.
En terwijl die kwellende onzekerheid bleef voortduren, kon Spanjaard zich de haren wel uit zijn hoofd trekken. Hij had immers een gewonnen stand uit zijn handen laten glippen. In zijn rubriek van het Utrechts Nieuwsblad schreef hij dan ook vooral over zichzelf:
In een dergelijke situatie vallen twee aspecten haarscherp te constateren:
1) de doorsnee Nederlandse hoofdklassespeler is nauwelijks meer dan een knoeier. Hij weet vrijwel niets, hij kan slechts weinig en zijn schaken staat mijlen ver van de verfijnde prestaties des schaakgrootmeesters, wiens lof wij hier plegen te zingen;
2) nog veel belangwekkender is de psychologische kant van de zaak. Daar zitten ze dan, een tiental mannen die het in 't gewone maatschappelijke leven redelijk goed doen en met een IQ meestal ver boven het landelijk gemiddelde. Een lector en een journalist, een accountant en een advocaat, een klassicus en een actuaris, een wetenschappelijk ambtenaar met twee academische titels en een drs in de wiskunde.
Niet te geloven wat er gebeurt als zijn onder de invloed geraken van de imaginaire functies van wat stukjes hout! Deels geraken zij dan ver boven zich uit, maar soms ook zakken zij tot het peil van imbecielen. En het hek der dwaasheid is helemaal van de dam, als dan bovendien de landstitel lonkt. Slechts psychiaters kunnen hier nog iets zinnigs over zeggen. Blijkbaar wordt de stress te groot voor in doorsnee valide mensen. Zij geraken in een soort psychotische roes, in een bewustzijnsverenging, een shocktoestand.
Eduard Spanjaard.
Ondanks de remise dus toch een 5-3 voorsprong. Terug naar Arend van Oosten. Ik vroeg hem noch ernaar. Kon hij zich daar nog iets van herinneren? Welnu, vooral het bizarre einde van de competitie stond hem bij. Utrecht moest de laatste competitiewedstrijd winnen tegen Rotterdam en met een 5-3 voorsprong en twee niet onredelijke stellingen moet dat toch zeker haalbaar zijn. Of niet? Er werd begonnen met Arend van Oosten - Lex Jongsma. Arend stond in die stelling namelijk zeer goed. Als die partij geruisloos in remise eindigt, kan Gerard Verholt zijn partij zelfs opgeven.
Arend vertelde me dat hij de partij toentertijd uitvoerig geanalyseerd had en er vooral moeite mee had te kiezen tussen enerzijds mogelijkheden die op winst speelden maar zwart ook kansen gaven en anderzijds mogelijkheden die veiliger waren. En toen meende hij in de partij ook nog dat zijn tegenstander direct na de spelhervatting niet de beste zet gedaan had
Een paar dagen later stuurde hij op mijn verzoek nog de partij toe. Zijn mail:
Beste Robert,
Nadat ik gisteren thuiskwam ben ik die oude partij gaan zoeken en toen bleek dat ik die al vanaf het begin kwijt was. Bij de hervatting ben ik op een nieuw blaadje gaan noteren. Ik heb dus alleen de afgebroken stelling en het vervolg. Ik heb nog tot diep in de avond zitten analyseren. Je begrijpt dat je met je vraag oude wonden weer hebt opengereten. Intussen kijk ik heel anders tegen de stelling aan. Het is onbegrijpelijk dat ik destijds aanvankelijk zo optimistisch was en zelfs aan winnen dacht. Ik mag dan destijds meer punten hebben gehaald dan tegenwoordig, van het spel begreep ik minder (iets wat je alle oude zakken hoort zeggen). Ik vermoed nu dat de stelling, bij nauwkeurig spel, te houden is.
Evengoed kan ik Arend geruststellen. Objectief gezien is de stelling inderdaad remise, maar ik heb een heleboel winsten voor wit ontdekt. Het probleem was evenwel dat Arend in dit gecompliceerde eindspel tegen de 60ste zet weer in tijdnood kwam en toen de beslissende fout maakte. Kan iedereen overkomen.
Arend van Oosten.
En zo ging de partij van Arend van Oosten verloren. De stand was nu 5 - 4. Lodewijk Prins, eerste bord speler van Utrecht, analyseert in de krant het drama Van Oosten, en verzucht: "Het kampioenschap is dit jaar kennelijk toch weggelegd voor Rotterdam."
Want ongelooflijk maar waar, de zekere remise van Arend was alsnog verloren gegaan. Maar geen man overboord. We hadden altijd nog onze tweede troef achter de hand. Gerard Verholt had in die partij zwart tegen Hans Böhm.

Nu ja, de stelling links is toch echt remise. Of niet? In tegenstelling tot de stelling van Arend had Gerard een stelling die de eenvoud zelve was. Was Gerard echter op de hoogte van de Eerste Wet van Böhm? Had hij wel zijn eindspelletjes bestudeerd?!? De partij ging verder met: 1... Kd7-c6. De afgegeven zet. 52.Te3-f3 Tg5-a5 53.Tf3-f6 Ta5-a4 54.Kc4-c3 Ta4-a2 55.Tf6xg6 Ta2xh2 56.Kc3-c4 h5-h4. Waarom niet het meer dan door de hand liggende ... Tc2? 57.d4-d5 Kc6-c7 58.g3xh4 Th2xh4 59.Kc4-b5 Th4-h7 60.Tg6-g4 Th7-f7 61.Tg4-c4 Kc7-b7 62.Tc4-c6 Tf7-d7 63.Tc6-b6 Kb7-c7 64.Kb5-a6 Kc7-c8 65.Tb6-c6 Kc8-d8 66.Ka6-b6 Td7-h7. Pionneneindspelen zijn inmiddels verloren voor zwart. 67.Tc6xd6 Kd8-c8 68.Td6-f6 Th7-h1 69.Kb6-c5 Kc8-d7 70.Tf6-f7 Kd7-e8 71.Tf7-a7 Th1-c1 72.Kc5-d6 Tc1-d1 73.Ta7-e7 Ke8-d8 74.Te7-h7 Kd8-c8 75.Th7-h8 Kc8-b7 76.Th8-e8 Td1-d2 77.Te8-d8 Td2-d1. Beter naar h2. 78.Kd6-e7 Td1-h1 79.Td8-f8 Th1-e1 80.Ke7-d7 Te1-h1.

Voltrok hier soms de Achtste Wereldramp? De Utrechters hadden zich verzameld in het huis van Verholt en zagen met lede ogen aan hoe Verholt langzaamaan weggespeeld werd. De stelling werd maar slechter en slechter en op het moment dat voor de tweede keer moest worden afgebroken (zie de diagram boven) waren we de wanhoop nabij. Een aantal wilden de stelling gelijk maar opgeven, maar Eduard Spanjaard - de man die zo verschrikkelijk veel voor onze club betekend heeft - riep uit: "Nee, nee! Nog niet doen! Eerst even rustig bekijken!" De Rotterdamse spelers keken daarentegen vol genoegen en zelfvertrouwen naar de afgebroken stand. Als Böhm een potremise stand tot groot voordeel weet te ontwikkelen, zal hij deze stelling ook wel binnen kunnen halen. En dat zou betekenen dat Rotterdam toch nog kampioen zou worden!
Ondertussen verscheen in een van de Utrechtse kranten het bericht dat de partij verloren was gegaan en dat Rotterdam kampioen van Nederland was geworden!
Spanjaard kon er helaas niet meer bij blijven; hij was niet veel later op vakantie gegaan. Terneergeslagen sloegen de Utrechters aan het analyseren. Een week later kwam er echter een telefoontje. Het was Eduard Spanjaard. Uit Italië. Daarheen was hij inmiddels op vakantie gegaan. Hij had een eindspelboek van Chéron meegenomen. En raad eens wat er in stond? Precies hetzelfde eindspel als in de afgebroken stelling! Maar dan in spiegelbeeld! Remise, zo deelt Chéron ons mede. De techniek om remise te houden werd doorgebrieft, Verholt stampte de gegevens goed in zijn hoofd, werd meerdere malen stevig overhoord en beloofde zich in de tweede wedstrijdvoortzetting niet meer van de wijs te laten brengen.
Het laatste clubblad van het seizoen verscheen. Nog steeds durfde het clubblad niets van vreugde te laten merken. En dan was er ook nog een kans dat de stelling gearbitreerd zou worden! En wat zou de arbitrage dan zeggen?
Met sidderen en beven werd de tweede hervatting van Böhm - Verholt afgewacht en gelukkig liet Verholt zich niet voor de tweede keer voor de gek houden. Netjes hield hij, a tempo spelend, de partij op remise.
Schaakclub Utrecht kampioen van Nederland!
Het wonder van 1971!
Rechts de man die geschiedenis schreef: Gerard Verholt.